- Arrest van 22 mei 2012

22/05/2012 - P.11.1915.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Bij de beoordeling van de straf mag de rechter rekening houden met de houding van de beklaagde tijdens het onderzoek; deze beoordeling houdt geen miskenning van het recht van verdediging in (1). (1) Cass. 23 maart 2004, AR P.03.1347.N, AC 2004, nr. 163.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1915.N

I

A G D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Arnou, advocaat bij de balie te Gent.

II

J A M V,

beklaagde,

eiseres.

III

A P M D,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Christian Vandenbogaerde, advocaat bij de balie te Kortrijk,

alle cassatieberoepen tegen

1. Yves PYNAERT, met kantoor te 8540 Deerlijk, Ververijstraat 13 en Wim MESPREUVE, met kantoor te 8580 Avelgem, Kasteelstraat 13, in hun hoedanigheid van curatoren van het faillissement TEXFIL bvba,

burgerlijke partij,

2. KBC BANK nv, met zetel te 1080 Brussel, Havenlaan 2,

burgerlijke partij,

3. INTAKT nv, met zetel te 8580 Avelgem, Scheldelaan 26,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 18 oktober 2011.

De eiser I voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiser III voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

De eiseres II voert geen middel aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Het arrest verklaart de strafvordering met betrekking tot de telastlegging D.5 niet ontvankelijk, spreekt de eisers vrij van de telastleggingen C.1.6, C.1.8, C.2.1 doch enkel in de mate dat deze betrekking heeft op de uitgifte van de cheques zonder dekking vermeld in de telastlegging D, C.3 doch enkel in de mate dat deze betrekking heeft op de verzwijging betreffende de Poolse werknemers, D.4 en D.10, en spreekt de eisers I en III bijkomend vrij van de telastleggingen D.1, D.2, D.3, D.6, D.7, D.8, D.9 en D.10.

Het verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 2 KBC Bank deels onontvankelijk, deels ongegrond en wijst de door haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding af.

Het verklaart de burgerlijke rechtsvordering van de verweerster 3 Intakt nv onontvankelijk en wijst de door haar gevorderde rechtsplegingsvergoeding af.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen, bij gebrek aan belang, niet ontvankelijk.

2. De beslissing waarbij de behandeling over de rechtsplegingsvergoeding, eventueel toekomend aan de verweerder 1, wordt aangehouden, is geen eindbeslissing noch een uitspraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

In zoverre tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen voorbarig en mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel van de eisers I en III

3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het recht van verdediging: het arrest verzwaart de bestraffing van de eisers I en III in vergelijking met het beroepen vonnis; ten onrechte heeft het arrest daarbij enkel verwezen naar de motivering van het beroepen vonnis; het arrest vermeldt geen nieuwe redenen die de strafverzwaring motiveren; de verzwaring van het beroepsverbod is niet bijkomend gemotiveerd; het niet beschikken over enig schuldbesef als motivering van de bestraffing miskent het recht van verdediging van de eisers.

4. Met de redenen die het arrest vermeldt (ro 3, 4 en 5), motiveert het de bestraffing van de eisers I en III.

Het middel dat ervan uitgaat dat het arrest verwijst naar het beroepen vonnis wat de motivering van de bestraffing van de eisers I en III betreft, berust op een verkeerde lezing van het arrest en mist in zoverre feitelijke grondslag.

5. Bij de beoordeling van de straf mag de rechter rekening houden met de houding van de beklaagde tijdens het onderzoek. Deze beoordeling houdt geen miskenning van het recht van verdediging in.

De appelrechters oordelen niet alleen dat bij de eisers I en III schuldinzicht ontbreekt maar ook dat een eerdere veroordeling en de eraan voorafgaande vervolging hen er niet van heeft weerhouden andermaal eerlijkheids- en faillissementsmisdrijven te plegen. Aldus wordt de wijze waarop deze eisers hun verweer voor de appelrechters hebben gevoerd niet door het arrest in rekening gebracht bij de bestraffing.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Geen wetsbepaling schrijft voor dat de appelrechters, naast de motivering van de door hen uitgesproken straffen, in het bijzonder moeten motiveren waarom de door de eerste rechter opgelegde straffen niet toereikend waren.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

7. Voor het overige verplicht het middel het Hof tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is.

In zoverre is het middel evenmin ontvankelijk.

Tweede middel van de eisers I en III

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 489bis, 1° en 4°, en 489ter, 1°, Strafwetboek, artikel 2 Faillissementswet en de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek: het arrest situeert de datum van staking van betaling op 31 december 2004, terwijl het geen enkele vaststelling doet van een openstaande factuur of een openstaande schuld op 31 december 2004; het vaststellen dat op 31 december 2004 nog een kwartaal RSZ schuld is ontstaan, is niet voldoende om te besluiten tot het duurzaam opgehouden hebben te betalen; uit de door het arrest aangehaalde feitelijke omstandigheden kon niet worden afgeleid dat de staking van betaling moet gesitueerd worden op 31 december 2004; het arrest stelt vast dat de gefailleerde nog na 31 december 2004 krediet heeft bekomen; de eisers I en III werden onwettig veroordeeld.

9. Het arrest oordeelt onder meer: "de toestand van staking van betaling vanaf 31.12.2004 ten aanzien van bepaalde schuldeisers breidde zich dus gestadig en in zeer aanzienlijke mate uit ten nadele van andere schuldeisers; van tijdelijke betalingsmoeilijkheden kan in die omstandigheden geen sprake zijn;" (ro 2.3, p. 17)

In zoverre het middel ervan uitgaat dat het arrest geen vaststelling heeft gedaan van een openstaande schuld op 31 december 2004, berust het op een verkeerde lezing van het arrest en mist het feitelijke grondslag.

10. Met de in het middel weergegeven en de overige in het arrest aangehaalde redenen (ro 2.3), oordelen de appelrechters dat de diverse, na 31 december 2004, uitgesproken veroordelingen van de bvba Texfil tot betaling van haar schuldeisers en de uitvoerende beslagen die werden gelegd, bewijzen dat de na 31 december 2004 toegestane kredieten niet volstonden om de schulden van de bvba Texfil te voldoen.

Aldus verantwoorden de appelrechters naar recht hun beslissing de staking van betaling vast te stellen op 31 december 2004 en de gevolgen die daaraan verbonden zijn.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

11. Voor het overige komt het middel op tegen de onaantastbare feitelijke beoordeling van de rechter of vereist het een onderzoek van feiten, waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers in de kosten van hun cassatieberoepen.

Bepaalt de kosten op 232,86 euro, waarvan de eisers elk 77,62 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Alain Bloch, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 22 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Beoordeling door de rechter

  • Houding van de beklaagde tijdens het onderzoek