- Arrest van 23 mei 2012

23/05/2012 - P.12.0268.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het persoonsgebonden karakter van de straffen mag de straf alleen de dader van het misdrijf treffen, zodat de rechter die een beklaagde veroordeelt uitdrukkelijk dient te vermelden dat deze het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd; de verwijzing naar het gedrag van beide beklaagden kan niet worden aangemerkt als een maatstaf die de vereiste persoonsgebondenheid mist wanneer die gedragingen alleen bekeken worden vanuit het oogpunt van het aandeel dat iedere dader persoonlijk in de gepleegde feiten heeft gehad (1). (1) Zie Cass. 24 mei 1995, AR P.94.0080.N, AC 1995, nr. 254; Françoise Tulkens en Michel van de Kerckhove, Introduction au droit pénal, Kluwer, 2007, p. 500.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0268.F

I. G. B.,

Mr. Charles-Olivier Ravache, advocaat bij de balie te Luik,

II. F. L.,

Mr. Alexis Housiaux, advocaat bij de balie te Hoei.

tegen

J.-L. A., gemachtigd ambtenaar van de directie stedenbouw en ruimtelijke orde-ning van de provincie Luxemburg,

Mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 10 januari 2012.

De eiseres voert vijf middelen en de eiser twee middelen aan, ieder in een memo-rie die aan dit arrest is gehecht.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep van G. B.

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen die, op de strafvordering die tegen de eiseres is ingesteld wegens overtredingen van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, uitspraak doen over de schuldvraag en de straf

Eerste middel

Het middel verwijt het arrest dat het de eiseres en haar echtgenoot "zonder enige grond" dezelfde straf oplegt, ofschoon zij had aangevoerd dat de feiten te wijten waren aan laatstgenoemde, van wie zij gescheiden leefde, en dat zij nooit enige beheers- en controlebevoegdheid heeft gehad over het betwiste stuk grond.

Krachtens het algemeen rechtsbeginsel van het persoonlijk karakter van de straf-fen, dat volgens de eiser is miskend, mag de straf alleen de dader van het misdrijf treffen, zodat de rechter die een beklaagde veroordeelt uitdrukkelijk dient te ver-melden dat deze het hem tenlastegelegde feit heeft gepleegd.

De appelrechters hebben eerst de redenen uiteengezet waarom het volgens hen vaststaat dat de eiseres, niettegenstaande haar huwelijkstoestand, de haar tenlaste-gelegde feiten gepleegd had. Zij hebben bijvoorbeeld erop gewezen dat zij, of-schoon zij beweert gescheiden te leven van haar echtgenoot, niettemin aanwezig was toen de inspecteur van stedenbouw gevraagd had de werkzaamheden te stop-pen, vervolgens gepoogd had de zaak te regelen met de burgemeester en als mede-eigenares wel degelijk op de hoogte moest zijn van de feiten maar toch niets ge-daan had om haar echtgenoot te beletten de werkzaamheden verder te zetten.

Het arrest verduidelijkt vervolgens de redenen waarom het oordeelt dat er geen grond is om de eiseres de door haar gevraagde maatregel van opschorting van de uitspraak toe te kennen.

Nadat de appelrechters de ernst van de feiten hebben aangetoond en de keuze voor een geldboete en het bedrag ervan hebben gemotiveerd, verlenen zij uitstel van uitvoering van de straf om de eiseres aan te moedigen zich te beteren.

Voor het overige kan de verwijzing naar het gedrag van beide beklaagden niet worden aangemerkt als een maatstaf die de vereiste individualisering mist wan-neer die gedragingen, zoals te dezen, alleen bekeken worden vanuit het oogpunt van het aandeel dat iedere dader persoonlijk in de feiten heeft gehad.

Het middel kan niet worden aangenomen.

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de tegen de eiseres ingestelde strafvordering, uitspraak doet over de herstelvordering van de verweerder

Derde middel

De eiseres verwijt het arrest dat het oordeelt dat de gemachtigd ambtenaar, in strijd met wat zijzelf voor het hof van beroep aanvoerde, het bewijs van zijn machtiging niet hoeft te leveren.

In zoverre het middel de miskenning van de regels betreffende de bewijslast aan-voert, zonder die regels nauwkeurig aan te geven en zonder te vermelden waarom het ontbreken van een schriftelijk bewijs van machtiging van de verweerder die regels zou miskennen, is het, bij gebrek aan precisie niet ontvankelijk.

De verweerder oefent zijn prerogatieven uit krachtens de wet. Volgens artikel 155 van het Waals Wetboek van Ruimtelijke Ordening, Stedenbouw, Patrimonium en Energie, kan de gemachtigd ambtenaar voor de correctionele rechtbank vorderen dat de plaats in de oorspronkelijke toestand wordt hersteld.

Aangezien geen enkele wetsbepaling bijzondere voorwaarden oplegt voor de wijze waarop dergelijke vordering moet worden ingesteld, diende de verweerder evenmin zijn machtiging om in de procedure tussen te komen te verantwoorden.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

(...)

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die, op de tegen de eiser ingestelde strafvordering, uitspraak doet over de herstelvordering van de verweerder

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 23 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Wettigheid

  • Persoonsgebonden karakter van de straffen

  • Algemeen beginsel