- Arrest van 24 mei 2012

24/05/2012 - F.11.0015.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een lokale belasting die is gesteund op één van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden “gelijkaardige belasting” in de zin van artikel 464, 1°, van het WIB92 (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0015.N

STAD LEUVEN, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en sche-penen, met kantoor te 3000 Leuven, Stadskantoor, Professor Van Overstraeten-plein 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

L. D. M.,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 17 september 2009.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 19 maart 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 7, § 1, 2° en 464 Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992;

- de artikelen 1 tot 4 van het belastingreglement van de Stad Leuven voor het dienstjaar 2001, goedgekeurd op 18.12.2000, waarbij een belasting wordt geheven op het in huur geven van gemeubileerde kamers of van andere woongelegenheden aan niet-inwoners van de stad;

- de artikelen 1 tot 5 van het belastingreglement van de Stad Leuven voor de dienstjaren 2002 tot 2006, goedgekeurd op 27.8.2001, waarbij een gelijkaardige belasting wordt geheven.

Bestreden beslissing

De appelrechters verklaren de door eiseres op verweerster gevestigde belastingaanslagen niet rechtsgeldig en verklaren op die grondslag het hoger beroep van verweerster tegen het vonnis gewezen in eerste aanleg gegrond in essentie op de gronden dat de belasting op het inhuurgeven van kamers en het inhuurgeven van woningen aan niet-inwoners van de stad gevestigd wordt op het aantal slaapkamers, die noodzakelijkerwijze in huur moeten zijn gegeven opdat belastbaarheid zou optreden. De grondslag is noodzakelijkerwijze de vaststelling dat een "kamer" bedoeld in artikel 2 in het belastingreglement verhuurd werd of, anders gezegd, onder de vorm van een huurcontract, verbintenis omschreven in het Burgerlijk wetboek, ten bezwarende titel, in ruil voor een huurprijs, ter beschikking werd gesteld aan een niet-inwoner.

De belastbare grondslag is derhalve de vaststelling dat het verhuurde onroerend goed een huurinkomen oplevert, zonder dat bij de begroting van de te betalen belasting rekening gehouden wordt met de in werkelijkheid ontvangen huur, nu het tarief forfaitair is. Het innen van een huurinkomen is immers een noodzakelijke, doch voldoende voorwaarde, om belastbaarheid in de betwiste gemeentebelasting op grond waarvan de betwiste belastingen werden gevestigd, op te leveren.

Krachtens artikel 7, § 1, 2°, WIB92 geeft het in huur geven van onroerende goederen, als belastbaar feit, aanleiding tot het in beginsel opnemen in de belastbare grondslag in de personenbelasting van een belastbaar inkomen, dat afhankelijk van het gebruik van het onroerend goed door de huurder, al dan niet aanleiding geeft tot de begroting van een belastbare grondslag op een forfaitair (kadastraal inkomen) of, uitgaande van een berekening op grond van in werkelijk-heid ontvangen huurprijs, belastbaar bedrag.

Volgens de appelrechters kan het los staan van de belasting van iedere inkomensnotie evenmin uit artikel 5 van het belastingreglement worden afgeleid, noch uit artikel 2 van het belastingreglement, vermits kosteloze terbeschikkingstelling geen huur is en art. 1 alleen het ‘in huur' geven belastbaar stelt.

Uit dien hoofde is deze belasting op het inhuurgeven van kamers en het inhuurgeven van woningen aan niet-inwoners van de stad strijdig met artikel 464, 1°, WIB92.

De appelrechters steunen hun beslissing op de volgende overwegingen:

"Artikel 464 WIB92 dat een verdeling van heffingsbevoegdheid inhoudt tussen de federale overheid en ondermeer de gemeenten en dat blijkens zijn bepalingen voor de erin bedoelde belastingen, ertoe strekt dubbele belasting te vermijden, luidt als volgt:

"De provincies, de agglomeraties en gemeenten zijn niet gemachtigd tot het heffen van:

1. opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft;

2. belastingen op het vee";

[Verweerster] voert middelen aan die door het [hof van beroep] begrepen worden als volgt :

- dat hij als belastingplichtige belast wordt in de bestreden belasting in de hoedanigheid van eigenaar;

- dat de grondslag van de bestreden belasting dezelfde is als die in de personenbelasting;

- dat hij belast wordt omdat de belaste goederen een inkomen voortbrengen door de verhuur;

- dat de eigen fiscale bevoegdheid van de Stad Leuven krachtens artikel 41, 162 en 170 G.W. beperkt wordt door artikel 464 WIB92;

- dat de bestreden belasting een verboden "gelijkaardige" belasting is als bedoeld in artikel 464 WIB92 die dezelfde materie en grondslag belast als de, in dit geval, personenbelasting;

- dat het begrip "grondslag" ruim begrepen moet worden;

- dat een ruim aantal gerechtelijke uitspraken, door hem geciteerd, dezelfde mening is toegedaan;

- dat [verweerster] niet de gebruiker van de verhuurde kamers is;

- dat het onderscheid tussen de eigenaar genoemd als belastingplichtige en de solidaire gehoudenheid met de "verhuurder", betwistbaar is, nu beiden als belastingplichtigen aangemerkt worden.

[Verweerster] neemt blijkens zijn besluiten aanstoot aan het feit dat [eiseres] het aanduiden van de eigenaar als belastingplichtige mits solidaire gehoudenheid van de verhuurder, motiveert onder de redengeving dat het administratief onmogelijk zou zijn de belasting rechtstreeks van de huurders te innen.

In essentie komt de stelling van [verweerster] erop neer dat hij volhoudt dat de bestreden belasting strijdig is met artikel 464 WIB92.

Immers staan de artikelen 162 en 170, § 4, Grondwet een gemeente in beginsel toe belastingen te heffen, voor zover daarop bij wet geen uitzonderingen werden bepaald.

[Verweerster] voert niet aan dat [eiseres] in het algemeen geen heffings-bevoegdheid zou hebben tot het invoeren van belastingen.

Aan zijn uitvoerig betoog over de omvang van de fiscale bevoegdheid van de gemeenten verbindt hij het gevolg, en het middel, dat de bestreden belasting volgens hem artikel 464, 1° WIB92 schendt.

Het komt derhalve gepast voor te onderzoeken of de bestreden belasting, een belasting invoert op de grondslag of het bedrag van - gezien [verweerster] een natuurlijk persoon is - de personenbelasting, die aan die belasting bovendien gelijkaardig is.

Terecht haalt [verweerster] daarbij aan dat de "grondslag" van de geheven belasting, niet verward mag worden met het "belastbaar feit", hetzij het feit dat aanleiding geeft tot het heffen van de belasting.

Het belastbaar feit wordt in het bestreden belastingreglement omschreven als het "in huur geven" van kamers of een woongelegenheid.

Het voorgaande belastingreglement zou volgens de verklaring van partijen gelijkluidend zijn.

Het tarief is (voor dienstjaar 2002) forfaitair bepaald : 75 euro per jaar.

De grondslag blijkt het "aantal slaapkamers" te zijn, die noodzakelijkerwijze "in huur" moeten zijn gegeven, opdat belastbaarheid zou optreden.

Met andere woorden is de grondslag noodzakelijkerwijze de vaststelling dat een "kamer" bedoeld in artikel 2 in het belastingreglement verhuurd werd of, anders gezegd, onder de vorm van een huurcontract, verbintenis omschreven in het Burgerlijk wetboek, ten bezwarende titel, in ruil voor een huurprijs, ter beschikking werd gesteld aan een niet-inwoner.

De belastbare grondslag is derhalve de vaststelling dat het verhuurd onroerend goed een huurinkomen oplevert, zonder dat bij de begroting van de te betalen belasting rekening gehouden wordt met de in werkelijkheid ontvangen huur, nu het tarief forfaitair is.

Het innen van een huurinkomen is immers een noodzakelijke, doch voldoende voorwaarde, om belastbaarheid in de betwiste gemeentebelasting op grond waarvan de betwiste belastingen werden gevestigd, op te leveren.

Het feit dat de omvang van de belaste onroerende goederen, beperkt is tot de "kamers" of "woongelegen(heden)" bedoeld in artikel 1 van het bewuste belastingreglement, en niet, zoals in de personenbelasting, onroerende goederen als bebouwde onroerende goederen in hun geheel beslaat, belet niet dat moet worden vastgesteld dat de bewuste gemeentebelasting, wat de situatie van [verweerster] betreft, gelijkaardig is als die geheven in de personenbelasting.

Krachtens artikel 7, § 1, 2°, WIB92 geeft het in huur geven van onroerende goederen, als belastbaar feit, aanleiding tot het in beginsel opnemen in de belastbare grondslag in de personenbelasting van een belastbaar inkomen, dat afhankelijk van het gebruik van het onroerend goed door de huurder, al dan niet aanleiding geeft tot de begroting van een belastbare grondslag op een forfaitair (kadastraal inkomen) of, uitgaande van een berekening op grond van in werkelijkheid ontvangen huurprijs, belastbaar bedrag.

De verschillende wijze van begroting van een belastbare grondslag tussen die in de personenbelasting en die in de thans betwiste belasting, belet evenwel niet dat de aard van de belasting, meer bepaald de belastbare grondslag zoals bedoeld in art. 464 WIB92, dezelfde is: een belasting geheven op grond van het in huur geven van een onroerend goed in ruil voor het ontvangen van een huurinkomen. Artikel 464 WIB92 stelt immers niet het aanwezig zijn van een in concreto begrote, identieke, belastbare grondslag als voorwaarde voor het verbod voor [verweerster] erin omschreven.

Dit geldt, bij uitbreiding overigens evenzeer indien de verhuurder geen eigenaar is doch slechts verhuurder, gezien artikel 90, 5° WIB92, of indien hij een beroepsmatige verhuurder is, gezien artikel 37 WIB92, of nog, indien ook roerende goederen in de kamer of woongelegenheid verhuurd worden, gezien art. 17, § 1, 3, WIB92. In ieder van die gevallen is de verkregen huur, de belastbare grondslag.

De stelling van [eiseres] dat in de eerste plaats de verhuurder aangeduid wordt als belastingplichtige, belet niet dat dan ook moet worden vastgesteld dat de geheven belasting van gelijke aard is als die geheven in de personenbelasting, gezien voormeld artikel 90, 5°, WIB92.

Dat het doel van de belasting, het dekken van de kosten van [eiseres] is opgelopen door de aanwezigheid van grote groepen studenten in de stad, belet niet dat op grond van het bovenstaande moet worden aangenomen dat de belasting zelf onder het verbod van artikel 464 WIB92 valt, om de redenen hoger aangehaald. Het doel op zich van een gemeentebelasting wordt in artikel 464 WIB92 niet als relevant criterium aangehaald.

Het feit dat de hier bedoelde gemeentebelasting geen in concreto te begroten belastbare grondslag bepaalt, doch deze forfaitair begroot, met name uitsluitend op de vaststelling dat een huurinkomen bestaat, en derhalve de belastbare grondslag telkens begroot op "1", belet niet de vaststelling dat de grondslag van de geheven belasting dezelfde is als die in aanmerking genomen in de personenbelasting, ongeacht de concrete begroting van die grondslag, en derhalve de bestreden belasting gelijkaardig is aan deze thans betwiste belasting.

In tegenstelling tot hetgeen de [eiseres] in haar besluiten voorhoudt, staat de geheven belasting in het geheel niet los van iedere inkomensnotie, nu het verwerven van een huurinkomen in het bewuste belastingreglement wordt aangehaald als onderdeel van het belastbaar feit (cfr. artikel 1 van het belastingreglement, hoger geciteerd).

In tegenstelling tot hetgeen [eiseres] in haar besluiten voorhoudt onder artikel 5, daar waar gesteld wordt dat het losstaan van de belasting van iedere inkomensnotie blijkt uit de opname van artikel 5 in het belastingreglement, nu kosteloze terbeschikkingstelling van kamers of woongelegenheden ook tot belastbaarheid kan leiden, kan dit bij lezing van het belastingreglement zelf, niet worden vastgesteld. Kosteloze ter beschikkingstelling is immers geen huur en artikel 1 stelt alleen het "in huur" geven belastbaar. Evenmin leidt de analyse van artikel 2 van het bewuste belastingreglement of de erin genoemde wooncode tot de vaststelling dat onder het begrip "huur" genoemd in het bewuste, bestreden, belastingreglement, kan worden verstaan dat ook kosteloze terbeschikkingstelling, huur is. Voor zover daarover onduidelijkheid zou blijven bestaan, moet deze op grond daarvan te rijzen twijfel, trouwens uitgelegd worden in het voordeel van [verweerster]. Het bewuste belastingreglement stelt niet het "gebruik" van de verhuurde delen van onroerende goederen belastbaar, in tegenstelling tot hetgeen voorgehouden in de besluiten van [eiseres]. De bestreden belasting is geen belasting of vertoning in vermakelijkheden. Verder is de verwijzing naar andere belastingen, geheven door andere gemeenten, ten aanzien van hiervoor liggende betwisting irrelevant, nu door het hoger beroep precies de strijdigheid met artikel 464 WIB92 werd ingeroepen en het [hof van beroep] gevat is alleen daarover te oordelen.

Het komt derhalve gepast voor de bestreden aanslagen te vernietigen wegens strijdigheid met artikel 464 WIB92 en de vordering van appellante in te willigen.

Het eerste vonnis moet in die zin hervormd worden."

Aangevoerde grief

Krachtens artikel 464, 1°, WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelasting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belasting van de niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft. Uit de wordingsgeschiedenis van deze wetsbepaling en omwille van de door de wetgever gewilde scheiding tussen de lokale belastingen en de rijksbelastingen, moet de gelijkaardigheid van de belastingen worden beoordeeld vanuit de gehanteerde berekeningsgrondslag en vanuit de componenten die deze samenstellen zodat elke belasting die de grondslag of het bedrag van een in-komstenbelasting als belastbaar feit of als berekeningsbasis gebruikt of die gebruik maakt van componenten die rechtstreeks of onrechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelasting bepalen een op grond van artikel 464, 1°, WIB92 verboden gelijkaardige belasting uitmaakt.

Overeenkomstig artikel 7, § 1, 2°, WIB92 geeft het in huur geven van onroerende goederen, als belastbaar feit, aanleiding tot het in beginsel opnemen in de belastbare grondslag in de personenbelasting van een belastbaar inkomen, dat afhankelijk van het gebruik van het onroerend goed door de huurder, al dan niet aanleiding geeft tot de begroting van een belastbare grondslag op een forfaitair (kadastraal inkomen) of, uitgaande van een berekening op grond van de in werke-lijkheid ontvangen huurprijs, belastbaar bedrag. De belastbare grondslag hangt derhalve in dat geval af van de inkomsten van de belastingplichtige.

Uit artikel 1, tweede lid, van het op 18 december 2000 goedgekeurde belastingreglement van eiseres blijkt dat de kosteloze terbeschikkingstelling van om het even welke woongelegenheid aan andere personen dan bloedverwanten in rechte dalende linie tot en met de tweede graad en aanverwanten van de eerste graad van de eigenaar of van de huurder met een inhuurgeving wordt gelijkgesteld. Overeenkomstig artikel 2 van het op 27 augustus 2001 goedgekeurde belastingreglement van eiseres wordt voor de definitie van ondermeer de term "verhuren" verwezen naar het Decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteit- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers en het Decreet van 15 juni 1997 houdende de Vlaamse Woonstcode. Artikel 2 van het Decreet van 4 februari 1997 houdende de kwaliteit- en veiligheidsnormen voor kamers en studentenkamers, definieert ‘verhuur' als een terbeschikkingstelling tegen betaling of om niet waaruit voortvloeit dat het begrip "verhuren" of "in huur geven" uit het op 27 augustus 2001 goedgekeurde belastingreglement van de eiseres niet dient te worden begrepen in de strikte betekenis van huur of in huur geven in de zin van het Burgerlijk Wetboek, maar wel als een ruimer autonoom begrip dat elk feitelijk gebruik of genot ervan omvat ongeacht of dit al dan niet tegen betaling gebeurt. In artikel 5 van het op 27 augustus 2001 goedgekeurde belastingreglement van eiseres wordt verder bepaald, dat de kosteloze terbeschikkingstelling van een kamer of woongelegenheid aan een bloedverwant in dalende linie tot en met de tweede graad en aanverwanten van de eerste graad van de eigenaar van de huurder van de belasting wordt vrijgesteld waaruit a contrario voortvloeit dat de kosteloze terbeschikkingstelling aan andere dan deze personen wel onderworpen is aan de belasting. Uit de samenlezing van al deze bepalingen vloeit derhalve voort dat de belastbare grondslag volgens beide belastingreglementen niet de vaststelling is dat een kamer wordt verhuurd in de zin van het Burgerlijk Wetboek, maar wel de vaststelling dat een kamer feitelijk gebruikt wordt. In strijd met wat de appelrechters oordelen, blijkt derhalve uit deze bepalingen van beide belastingreglementen dat de belastbare grondslag niet afhangt van de vaststelling dat het verhuurd onroerend goed een huurinkomen oplevert en het innen van een huurinkomen een noodzakelijke, doch voldoende voorwaarde is om de be-lastbaarheid in de betwiste gemeentebelasting op te leveren. Hieruit vloeit voort dat, in zoverre de appelrechters oordelen dat (1) de belasting op het in huur geven van kamers en het in huur geven van woningen aan niet-inwoners van de stad gevestigd wordt op het aantal slaapkamers, die noodzakelijkerwijze in huur moeten zijn gegeven opdat belastbaarheid zou optreden, dat (2) de grondslag noodzakelijkerwijze de vaststelling is dat een kamer bedoeld in artikel 2 in het belastingreglement verhuurd werd of, anders gezegd, onder de vorm van een huurcontract, verbintenis omschreven in het Burgerlijk Wetboek, ten bezwarende titel, in ruil voor een huurprijs, ter beschikking werd gesteld aan een niet-inwoner, dat (3) de belastbare grondslag derhalve de vaststelling is dat het verhuurd onroerend goed een huurinkomen oplevert zonder dat bij de begroting van de te betalen belasting rekening gehouden wordt met de in werkelijkheid ontvangen huur, nu het tarief forfaitair is en dat (4) het innen van een huurinkomen een noodzakelijke, doch voldoende voorwaarde is, om belastbaarheid in de betwiste gemeentebelasting op te leveren, de appelrechters de draagwijdte van voormelde bepalingen van beide belastingreglementen miskennen en zodoende de in de hoofding van dit middel aangeduide bepalingen van beide belastingreglementen van eiseres schenden. De appelrechters verantwoorden dan ook niet naar recht hun beslissing dat de door deze beide belastingreglementen geheven belasting op het in huur geven van kamers en het in huur geven van woningen aan niet-inwoners van de stad gevestigd wordt op één van de essentiële bestanddelen die rechtstreeks de grondslag van de personenbelasting bepalen en bijgevolg een bepaling is die gelijkaardig is aan de personenbelasting en aldus strijdig met artikel 464, 1°, WIB92 (schending van artikel 464, 1°, WIB92).

Uit een juiste lezing van de bepalingen van beide belastingreglementen vloeit immers voort dat een belasting gevestigd wordt op forfaitaire basis, namelijk 1.500 BEF, c.q. 75 euro per kamer en per jaar en de belastinggrondslag los staat van elke inkomensnotie. Aldus is deze belasting niet gestoeld op één van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen. Door anders te oordelen schenden de appelrechters dan ook artikel 464, 1°, WIB92.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Krachtens artikel 464, 1°, WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelas-ting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belas-ting van de niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorhef-fing betreft.

2. Een lokale belasting die is gesteund op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verbo-den gelijkaardige belasting.

3. De voor de dienstjaren 2001 en 2002 toepasselijke belastingreglementen van de eiseres voorzien in een forfaitaire belasting die slaat op een bepaald gebruik van een onroerend goed, namelijk zowel de verhuring als de kosteloze terbeschik-kingstelling van een kamer of een woongelegenheid aan niet-inwoners van de stad. De belasting houdt geen verband met het netto-inkomen van het goed en wordt vastgesteld op grond van het aantal slaapkamers.

Deze gemeentelijke belasting gebruikt de grondslag of het bedrag van een inkom-stenbelasting niet als belastbaar feit en is niet gesteund op wezenlijke componen-ten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen. Ze steunt op de bevoegdheid van de gemeente om een bepaald gebruik van onroerende goe-deren te belasten.

4. Deze belastingreglementen vestigen een belasting op een bepaald gebruik van een onroerend goed, los van de werkelijke of vermoede opbrengst ervan, zo-dat deze reglementen niet in strijd zijn met artikel 464, 1°, WIB92.

De appelrechters die anders oordelen, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvanke-lijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest,

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, de raadsheren Eric

Stassijns, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en op de openbare rechtszitting van 24 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van grif-fier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Lokale overheden

  • Recht tot belastingheffing

  • Inkomstenbelastingen

  • Verboden gelijkaardige belasting