- Arrest van 24 mei 2012

24/05/2012 - F.11.0053.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een lokale belasting die is gesteund op één van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verboden “gelijkaardige belasting” in de zin van artikel 464, 1°, van het WIB92 (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0053.N

STAD BRUSSEL, vertegenwoordigd door het college van burgemeester en sche-penen, met kantoor te 1000 Brussel, Grote Markt 1,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. John Kirkpatrick, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

LIVE NATION bvba, met zetel te 2800 Mechelen, Blarenberglaan 3A;

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de verweerster woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 januari 2011.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 21 maart 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerster werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op, gesteund op het niet overleggen van een beslissing van het college van burgemeester en sche-penen tot het instellen van het cassatieberoep en op het niet overleggen van een machtiging van de gemeenteraad.

2. De eiseres heeft op 30 augustus 2011 een eensluidend afschrift voorgelegd van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 7 april 2011 tot het aantekenen van cassatieberoep tegen het bestreden arrest, alsook een eens-luidend afschrift van de beslissing van de gemeenteraad van de Stad Brussel van 2 mei 2011 die het college van burgemeester en schepenen hiertoe machtigt.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Eerste middel

3. Krachtens artikel 464, 1°, WIB92 zijn de provincies, de agglomeraties en de gemeenten niet gemachtigd tot het heffen van opcentiemen op de personenbelas-ting, op de vennootschapsbelasting, op de rechtspersonenbelasting en op de belas-ting van niet-inwoners of van gelijkaardige belastingen op de grondslag of op het bedrag van die belastingen, uitgezonderd evenwel wat de onroerende voorheffing betreft.

4. Een lokale belasting die is gesteund op een van de wezenlijke componenten die rechtstreeks de grondslag van de inkomstenbelastingen bepalen, is een verbo-den gelijkaardige belasting.

5. De omstandigheid dat de parlementaire voorbereiding van de wet van 24 december 1948 betreffende de gemeentelijke en provinciale financiën doet blijken dat de wetgever gewild heeft dat de belasting op de vertoningen en vermakelijk-heden die voorheen ten behoeve van het Rijk werd gevestigd, wordt overgelaten aan de gemeenten en de provincies, kan niet tot gevolg hebben dat de in artikel 464, 1°, WIB92 uitdrukkelijk vervatte beperking van de belastingbevoegdheid van de lokale overheden, voor niet geschreven wordt gehouden, daar de wetgever niet uitdrukkelijk is afgeweken van de in voormeld artikel 464, 1°, WIB92 en in de bepalingen die haar in de tijd voorafgingen vervatte beperking van de gemeente-lijke heffingsbevoegdheid.

6. De appelrechters stellen vast dat, voor wat het dienstjaar 2003 betreft, al de bestreden heffingen op grond van het voor dat dienstjaar toepasselijke belasting-reglement, de eigenlijke bruto-ontvangsten inzake entreegelden als belastbare grondslag hebben.

7. Op grond van die vaststelling hebben de appelrechters naar recht kunnen oordelen dat de voor dat dienstjaar geheven belastingen strijdig zijn met artikel 464, 1°, WIB92.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

8. Uit de loutere vaststellingen dat het belastbaar feit niet alleen het houden van een concert of vertoning betreft, doch het belastbaar feit slechts aanwezig is zo een toeschouwer een inkomprijs of gelijkgestelde inning betaalt, dat het tarief vast en dus forfaitair is en dat geen belasting verschuldigd is indien de inkomprijs of gelijkgestelde inning kleiner is dan 20 euro, kan niet worden afgeleid dat de be-lastbare grondslag van de litigieuze belasting de inkomprijs of gelijkgestelde in-ning betreft.

9. De appelrechters hebben bijgevolg, op grond van die feitelijke vaststellin-gen, niet zonder schending van artikel 464, 1°, WIB92 kunnen oordelen dat de geheven belastingen strijdig zijn met artikel 464, 1°, WIB92 en het daarin om-schreven verbod van dubbele belasting.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de betwiste aan-slagen in de belasting van de stad Brussel op de vertoningen, vermakelijkheden en gelijkgestelde manifestaties die voor het dienstjaar 2004 werden gevestigd ten las-te van de verweerster.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiseres in de helft van de kosten.

Houdt de overige kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feiten-rechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 406,92 euro en voor de verweerster op 229,68 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué en in openbare rechts-zitting van 24 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aan-wezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Lokale overheden

  • Recht tot belastingheffing

  • Inkomstenbelastingen

  • Verboden gelijkaardige belasting