- Arrest van 25 mei 2012

25/05/2012 - C.10.0557.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het middel dat de schending aanvoert van een wetsbepaling die de rechter, blijkens de door hem vastgestelde feiten, diende toe te passen om over het geschil uitspraak te doen, is niet nieuw.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0557.F

B. C.,

Mr. Alain Foriers, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. C. D.,

Mr. Michèle Grégoire, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. CBC BANK nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 10 mei 2012 van het hof van beroep te Bergen.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert een middel aan:

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikelen 1134 (eerste lid) tot 1137, 1142 tot 1151, 1245, 1315, 1604, 1610, 1611, 1614, 1735, 1797, 1953 en 1994 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 870 van het Gerechtelijk Wetboek;

- algemeen rechtsbeginsel krachtens hetwelk de contractsluitende partij die iemand in haar plaats aanstelt voor de uitvoering van haar contractuele verbintenissen contractueel aansprakelijk is voor de fouten van die persoon; dat beginsel is vastgelegd in de artikelen 1245, 1735, 1797, 1953 en 1994 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 149 van de Grondwet.

Aangevochten beslissing

Het arrest verklaart het hoger beroep van de eiser niet gegrond en bevestigt alle beschikkingen van het beroepen vonnis dat de vordering van de eiser tot toekenning van schadevergoeding niet gegrond had verklaard en ze had afgewezen en dat hem veroordeeld had in de eigen kosten en in de kosten van de verweersters. Het arrest veroordeelt de eiser daarenboven in de kosten van het hoger beroep.

Het bestreden arrest baseert die beslissingen op de volgende redenen:

"Krachtens artikel 1604 van het Burgerlijk Wetboek ‘is de verkoper verplicht aan de koper een zaak te leveren die in overeenstemming is met de overeenkomst'. Te dezen blijkt uit het strafdossier dat de politie-inspecteur Deladrier, die ter plaatse was op het ogenblik van de uitzetting van C. R.:

- gezien heeft dat C. R. de deurklinken aan het verwijderen was;

- de hierboven vermelde schade heeft vastgesteld;

- de hamer heeft gezien waarmee die schade waarschijnlijk is toegebracht.

Krachtens artikel 23 van de toewijzingsvoorwaarden vindt de overgang van de eigendom en van de risico's plaats de dag waarop de openbare toewijzing definitief geworden is, dat is te dezen 4 mei 2009. De aangerichte schade is evenwel niet te wijten aan toeval of overmacht en valt dus niet onder de risicoleer.

Bovendien treedt [de eiser] krachtens artikel 24 van de toewijzingsvoorwaarden pas in het genot van het pand de dag waarop hij de gehele overeengekomen prijs heeft betaald, namelijk de koopprijs en de kosten. Derhalve was [de eiser] op de dag van de beschadigingen, namelijk 5 mei 2009, nog niet in het genot getreden van het pand. De overdracht van het pand is immers gebeurd op het tijdstip van de overhandiging van de sleutels, namelijk 3 juli 2009, dag waarop het saldo van de te betalen prijs werd gekantonneerd. Op die dag was de geleverde zaak niet in overeenstemming met de verkochte zaak.

Het is de plicht van de verkoper, namelijk de failliete vennootschap, vertegenwoordigd door haar curator, de zaak te bewaren tot de levering ervan. In die zin stemt artikel 24 van de toewijzingsvoorwaarden, dat de verkoper aanstelt tot bewaarder van het gebouw tot de koper in het genot ervan treedt, overeen met het gemeen recht. Hoewel de verplichting tot levering een resultaatsverbintenis is, is de verplichting om de zaak te bewaren evenwel een inspanningsverbintenis. Het staat derhalve aan de verkoper te bewijzen dat hij de maatregelen heeft getroffen die eenieder in dezelfde situatie zou hebben getroffen, namelijk dat hij zich als een goed huisvader gedragen heeft.

In dit geval is het een courante en voor het onderhoud van het pand dikwijls nuttige praktijk dat de afgevaardigd bestuurder eventueel voorlopig het pand dat aan de failliete boedel toebehoort blijft bewonen tot de verkoop ervan. De curator heeft bovendien ervoor gezorgd dat de administrateur werd uitgezet tegen de dag volgend op de definitieve toewijzing, dus voor de koper het genot kreeg van het goed. Hoewel uit het strafdossier blijkt dat de bescherming van de gerechtsdeurwaarder de reden was waarom twee politie-inspecteurs aanwezig waren bij de uitzetting van C.R. , toch blijkt nergens uit het dossier dat de curator voor de procedure op de hoogte was of had kunnen zijn van de agressieve aard van de betrokken bestuurder en derhalve te dezen niet als een goed huisvader zou hebben gehandeld door een weerspanning persoon die niet kon aanvaarden dat hij het pand moest ontruimen en die opzettelijk schade kon veroorzaken aan het pand waarvoor hij diende te zorgen tot de levering ervan, in het pand te laten.

[De eiser] verwijt overigens de curator niet dat hij niet zou hebben gehandeld zoals ieder normaal zorgvuldige curator in dezelfde situatie zou hebben gehandeld.

Bij ontstentenis van dat bewijs moet het beroepen vonnis worden bevestigd.

Ten onrechte beroept [de eiser] zich op artikel 1302, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek dat de verplichting tot teruggave van de prijs door de dief invoert ingeval de gestolen zaak tenietgaat, aangezien schade niet gelijkstaat met diefstal van een zaak".

Grieven

Eerste onderdeel

1. Het arrest beslist dat de verkoper van het goed de eigenaar ervan was, namelijk de failliete vennootschap, vertegenwoordigd door haar curator, de eerste verweerster.

Het arrest beslist bovendien dat de verkoper aan de koper een zaak moet leveren die met de overeenkomst in overeenstemming is (artikelen 1604, 1610, 1611 en 1614 van het Burgerlijk Wetboek). Het betreft hier een resultaatsverbintenis zoals het arrest vaststelt.

Het onroerend goed diende geleverd te worden in de staat waarin het zich op het ogenblik van de verkoop bevond (artikel 1614 van het Burgerlijk Wetboek).

Het arrest stelt vast dat de toewijzing definitief geworden is op 4 mei 2009, dag waarop de eiser eigenaar van het verkochte goed is geworden, en dat de schade die C.R. in het pand heeft aangericht niet te wijten is aan toeval of overmacht en veroorzaakt is op 5 mei 2009. Het stelt daarenboven vast dat het pand op 3 juli 2009, namelijk de dag waarop het werd overgedragen, niet in overeenstemming was met de verkochte zaak.

Het arrest verantwoordt derhalve de beslissing waarbij het beroepen vonnis wordt bevestigd niet naar recht. Dat vonnis had de vordering tot schadevergoeding verworpen die de eiser had ingesteld op grond dat de verkoper zijn verplichting tot levering niet was nagekomen (schending van de artikelen 1604, 1610, 1611 en 1614 van het Burgerlijk Wetboek).

2.Het arrest beslist aldus op grond dat de eerste verweerster geen enkele fout had begaan door R., die de schade veroorzaakt heeft, in het pand te laten.

Die verantwoording is onwettig.

Wanneer de persoon die een contracterende partij in haar plaats heeft gesteld om een contractuele verbintenis uit te voeren hierbij een fout begaat, is de contractant zelf contractueel aansprakelijk voor de door die fout aan de medecontractant berokkende schade (algemeen rechtsbeginsel dat in het middel wordt aangegeven en de in het middel aangegeven bepalingen van het Burgerlijk Wetboek waarin dat beginsel is vastgelegd).

Het arrest stelt vast dat de hr. R. in het pand is gebleven om te zorgen voor het onderhoud ervan, het stelt aldus vast dat laatstgenoemde een persoon was voor wie de curator aansprakelijk was in de zin van artikel 1245 van het Burgerlijk Wetboek.

De vraag was niet of de eerste verweerster een "culpa in eligendo" had begaan door de hr. R. in het pand te laten, zoals het arrest blijkbaar zegt, maar enkel of genoemde verweerster niet aansprakelijk moet worden geacht voor de fouten van de hr. R. die zij in haar plaats gesteld had.

Hieruit volgt dat het arrest, dat de eerste verweerster niet aansprakelijk acht, de regels inzake de contractuele aansprakelijkheid voor andermans daad miskent (miskenning van het in het middel aangegeven rechtsbeginsel en schending van de artikelen 1245, 1735, 1797, 1953 en 1994 van het Burgerlijk Wetboek) alsook, bijgevolg, de regels inzake de contractuele aansprakelijkheid (artikelen 1134, eerste lid, 1135 en 1142 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek waarin het is vastgelegd), inzonderheid die met betrekking tot de aansprakelijkheid van de verkoper voor de niet-nakoming van zijn verplichting tot levering (schending van de artikelen 1604, 1610, 1611 en 1614 van het Burgerlijk Wetboek) en van zijn verplichting om te zorgen voor het behoud van de zaak (schending van de artikelen 1136 en 1137 van het Burgerlijk Wetboek).

Tweede onderdeel

1. Zelfs als zou worden aangenomen - quod non - dat de verkoper zich aan de gevolgen van de niet-nakoming van zijn verbintenis om te leveren (resultaatsverbintenis) zou kunnen onttrekken door aan te tonen dat hij zijn voorafgaande verbintenis tot behoud van de zaak (inspanningsverbintenis) wel degelijk is nagekomen, dan nog zou de bewijslast rusten op de verkoper omdat zijn verbintenis tot levering een resultaatsverbintenis is (artikelen 1137, 1147 en 1604 van het Burgerlijk Wetboek).

Het arrest beslist evenwel dat het beroepen vonnis moet worden bevestigd daar de eiser niet bewijst dat de curator niet heeft gehandeld zoals een normaal zorgvuldige curator in dezelfde situatie zou hebben gehandeld.

Het arrest keert aldus op onwettige wijze de bewijslast om (schending van de artikelen 1315 van het Burgerlijk Wetboek en 870 van het Gerechtelijk Wetboek en, voor zoveel nodig, van de artikelen 1137 en 1147 van het Burgerlijk Wetboek, waaruit de gevolgen van de resultaatsverbintenis kunnen worden afgeleid, en van artikel 1604 van het Burgerlijk Wetboek betreffende de verplichting van de verkoper om de zaak te leveren).

De motivering van het arrest over de vraag betreffende de bewijslast is op zijn minst dubbelzinnig.

Het arrest beslist weliswaar op wettige wijze dat het aan de verkoper staat te bewijzen dat hij zijn verbintenis om de zaak als een goed huisvader te behouden wel degelijk is nagekomen, maar het beslist op onwettige wijze dat de eiser (de koper) diende te bewijzen dat de curator niet heeft gehandeld zoals een normaal zorgvuldige curator in dezelfde situatie zou hebben gehandeld.

De draagwijdte van de motivering van het arrest inzake de bewijslast kan bijgevolg niet worden achterhaald; de beslissing is naar recht verantwoord in de ene interpretatie van die motivering, maar is het niet in de andere.

Bijgevolg is de motivering van het arrest op dit punt dubbelzinnig en is het wegens die dubbelzinnigheid niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 van de Grondwet).

2. Het arrest miskent in elk geval de regels inzake de contractuele aansprakelijkheid voor andermans daad waar het beslist dat de eerste verweerster binnen het kader van haar verbintenis om het onroerend goed te behouden niet aansprakelijk is voor de door R. aangerichte schade, op grond dat zij geen fout heeft begaan door hem in het pand te laten wonen, terwijl die overweging terzake niet van belang is daar de curator aansprakelijk is voor de fouten van R. aangezien hij in het verkochte pand is blijven wonen met het oog op het onderhoud ervan (miskenning van het in het middel aangegeven algemeen rechtsbeginsel en schending van de artikelen 1245, 1735, 1797, 1953 en 1994 van het Burgerlijk Wetboek) en miskenning, bijgevolg, van de regels inzake de contractuele aansprakelijkheid (artikelen 1134, eerste lid, 1135 en 1142 tot 1151 van het Burgerlijk Wetboek), inzonderheid die betreffende de aansprakelijkheid van de verkoper voor het behoud van de zaak (schending van de artikelen 1136 en 1137 van het Burgerlijk Wetboek).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel, door de eerste verweerster aangevoerd: het onderdeel is nieuw:

Het arrest vermeldt dat "het een courante en voor het onderhoud van het gebouw dikwijls nuttige praktijk is dat de afgevaardigd bestuurder tot de verkoop eventueel voorlopig blijft wonen in een pand dat tot de failliete boedel behoort om te zorgen voor het onderhoud en het behoud ervan".

Het middel dat de schending aanvoert van een wetsbepaling die de rechter, blijkens de door hem vastgestelde feiten, diende toe te passen om over het geschil uitspraak te doen, is niet nieuw.

De grond van niet-ontvankelijkheid van het onderdeel, door de eerste verweerster aangevoerd: het onderdeel vermengt recht en feit met elkaar:

Het onderzoek van de grond van niet-ontvankelijkheid hangt samen met het onderzoek naar de gegrondheid van het onderdeel.

De gronden van niet-ontvankelijkheid kunnen niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel:

Overeenkomstig artikel 1245 Burgerlijk Wetboek is de schuldenaar van een zekere en bepaalde zaak van zijn schuld bevrijd door de afgifte van de zaak in de staat waarin zij zich ten tijde van de levering bevindt, op voorwaarde dat de beschadiging die zij ondergaan heeft, niet is veroorzaakt door zijn daad of door zijn schuld, noch door die van de personen voor wie hij aansprakelijk is.

Uit die bepaling volgt dat de schuldenaar van een zekere en bepaalde zaak die een persoon in zijn plaats stelt om zijn verbintenis uit te voeren, contractueel aansprakelijk is voor de door de fout van die persoon veroorzaakte schade.

Het arrest stelt vast dat de failliete vennootschap Eurogestion, vertegenwoordigd door haar curator, de eerste verweerster, de contractuele verplichting had het door haar aan de eiser verkochte gebouw te bewaren tot de levering ervan en dat voor die levering in dat pand schade was aangericht door C.R., afgevaardigd bestuurder van die vennootschap die het was blijven bewonen.

Het arrest wijst erop dat "het een courante en voor het onderhoud van het gebouw dikwijls nuttige praktijk is dat de afgevaardigd bestuurder in een gebouw dat tot de failliete boedel behoort eventueel blijft wonen tot het wordt verkocht", dat het niet vaststaat dat de eerste verweerster te dezen in die hoedanigheden "niet als een bonus vir heeft gehandeld door een weerspanning persoon die [...] opzettelijk schade kan veroorzaken aan het pand daar te laten", dat de eiser "de curator bovendien niet verwijt dat hij niet heeft gehandeld zoals ieder normaal zorgvuldig curator in dezelfde situatie zou hebben gehandeld" en dat, bij ontstentenis van dat bewijs, de tegen die verweerster ingestelde rechtsvordering niet gegrond is.

Uit die vermeldingen blijkt dat de eerste verweerster C. R. in het gebouw heeft laten wonen om voor het onderhoud te zorgen en dat zij aldus laatstgenoemde in haar plaats heeft gesteld voor de, althans gedeeltelijke, uitvoering van haar verbintenis tot bewaring van het gebouw.

Het arrest beslist dat de fout van C.R. niet kan leiden tot de contractuele aansprakelijkheid van de eerste verweerster, optredend in die hoedanigheden en verantwoordt aldus zijn beslissing niet naar recht.

In zoverre is het onderdeel gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van het arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de uitspraak daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Brussel.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voorzitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Albert Fettweis, Sylviane Velu en Martine Regout, en in openbare terechtzitting van 25 mei 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden