- Arrest van 29 mei 2012

29/05/2012 - P.12.0878.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Noch artikel 6.3.c E.V.R.M., zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, noch de artikelen 2bis en 16, §2, Voorlopige Hechteniswet, verplichten de onderzoeksgerechten onmiddellijk het bevel tot aanhouding op te heffen alleen om reden dat de verdachte door de politie of de onderzoeksrechter werd gehoord zonder bijstand van een raadsman vooraleer een bevel tot aanhouding lastens hem werd verleend.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0878.N

M G M,

inverdenkinggestelde, aangehouden,

eiser,

met als raadsman mr. Leslie Roelants, advocaat bij de balie te Antwerpen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwerpen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 11 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6 EVRM, meer in het bijzonder miskenning van het recht op bijstand van een raadsman, zoals bepaald in artikel 6.3.c EVRM, en het recht op een eerlijk proces: de eiser gaf van bij aanvang van zijn arrestatie te kennen dat hij de bijstand van een raadsman wenste; aan dit verzoek werd geen gevolg gegeven zodat hij niet door een onafhankelijke vertrouwenspersoon kon worden geïnformeerd over zijn rechten en meer bepaald over zijn zwijgrecht en het recht zichzelf niet te beschuldigen; tevens was geen overleg mogelijk teneinde na te gaan of voorwaarden konden worden voorgesteld aan de onderzoeksrechter met het oog op een invrijheidstelling onder voorwaarden dan wel of het aangewezen was bijkomende onderzoekshandelingen voor te stellen; evenmin kon de raadsman van de eiser erop toezien dat diens rechten niet miskend werden tijdens de verhoren door politie en onderzoeksrechter; hierdoor werd eisers recht van verdediging op onherstelbare wijze aangetast; de eiser diende dan ook in vrijheid te worden gesteld.

2. In zoverre het onderdeel het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

3. Artikel 6.3.c EVRM, zoals uitgelegd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, verplicht de onderzoeksgerechten niet onmiddellijk het bevel tot aanhouding op te heffen alleen om reden dat de verdachte door de politie of de onderzoeksrechter werd gehoord zonder bijstand van een raadsman vooraleer een bevel tot aanhouding lastens hem werd verleend. Ook de artikelen 2bis en 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet voorzien niet in die verplichting.

Het feit dat op die manier verhoren werden afgenomen, is op zichzelf geen wettelijk beletsel voor de voortgang van het gerechtelijk onderzoek en de eventuele verlenging van de dwangmaatregelen die ermee gepaard gaan.

Het onderdeel faalt in zoverre naar recht.

4. Artikel 6 EVRM heeft in beginsel enkel betrekking op de uitoefening van het recht van verdediging voor de vonnisgerechten die ten gronde uitspraak doen over de schuld of onschuld van een beklaagde, maar niet voor de onderzoeksgerechten die enkel oordelen over de handhaving van de voorlopige hechtenis van een verdachte.

Ter gelegenheid van de beoordeling van de handhaving van de voorlopige hechtenis door het onderzoeksgerecht kan de verdachte detentievervangende maatregelen of bijkomende onderzoeksverrichtingen voorstellen.

Voor de feitenrechter zal de beklaagde met de bijstand van zijn advocaat alle verklaringen die hij nodig acht, kunnen afleggen en zijn eerder afgelegde verklaringen kunnen verduidelijken, vervolledigen of intrekken. Het zal dan aan de feitenrechter staan om, in het licht van het geheel van het proces, na te gaan of de bewijswaarde van alle hem voorgelegde gegevens aangetast is door het enkele feit dat bepaalde verklaringen tijdens het onderzoek afgelegd werden zonder de bijstand van een advocaat en, in voorkomend geval, te beslissen tot de niet-toelaatbaarheid of de uitsluiting van deze bewijsmiddelen.

Artikel 6 EVRM ontneemt de onderzoeksgerechten die uitspraak moeten doen over de eventuele handhaving van de voorlopige hechtenis, evenwel niet de rechtsmacht te onderzoeken of de aangevoerde schending alsnog van aard is het voeren van een eerlijk proces te verhinderen.

Bij de beoordeling of het recht op een eerlijk proces van een verdachte onherstelbaar is miskend ingevolge het gebrek aan bijstand van een raadsman bij zijn verhoren door de politie ter gelegenheid van zijn vrijheidsberoving of door de onderzoeksrechter vooraleer een bevel tot aanhouding werd verleend, kan onder meer rekening gehouden worden met het feit dat het gebrek aan bijstand het gevolg was van overmacht.

5. Het arrest oordeelt dat het gebrek aan bijstand van een raadsman te wijten was aan overmacht en dat uit de inhoud van het bevel tot aanhouding blijkt dat de ernstige aanwijzingen van schuld ten laste van de eiser niet gegrond zijn op zijn verklaring, afgelegd zonder bijstand van een raadsman, maar op de vaststellingen bij heterdaad door de verbalisanten.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht zonder eisers recht op een eerlijk proces te miskennen.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2bis en 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet: de eiser had geen afstand gedaan van zijn recht op bijstand van een raadsman en integendeel uitdrukkelijk opgave gedaan van zijn gekozen raadsman; de onderzoeksrechter diende niet alleen eisers opmerkingen maar ook die van zijn raadsman te horen alvorens een bevel tot aanhouding uit te vaardigen; vermits de eiser geen bijstand van een raadsman of voorafgaandelijk overleg met een raadsman of de permanentiedienst heeft gekregen, noch uitdrukkelijk afstand deed van zijn recht op bijstand, diende hij in vrijheid te worden gesteld; er was immers niet voldaan aan de voorwaarden om van overmacht te kunnen spreken; bij gebrek aan ministerieel besluit tot regeling van de vergoeding van prestaties van de advocaten in het kader van voormelde bijstand, is het niet onvoorzienbaar dat onvoldoende advocaten bereid zijn zich in te schrijven voor de permanentiedienst; er was ook voldoende tijd om eisers raadsman te contacteren, wat echter niet is gebeurd; de appelrechters oordelen dan ook ten onrechte dat er zich een situatie van overmacht voordeed.

7. De rechter beoordeelt in feite of de aangevoerde omstandigheden een geval van overmacht uitmaken. Het Hof is alleen bevoegd om te onderzoeken of de rechter uit de omstandigheden die hij in aanmerking neemt, al dan niet wettig overmacht heeft kunnen afleiden.

8. In zoverre het onderdeel opkomt tegen de onaantastbare beoordeling van de feiten door de rechter of het Hof verplicht tot een onderzoek van feiten, waarvoor het niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

9. Het arrest oordeelt dat:

- uit het proces-verbaal van verhoor van 24 april 2012 van de onderzoeksrechter blijkt dat voorafgaand aan het verhoor toepassing werd gemaakt van de Salduz-applicatie en dat desondanks geen raadsman is verschenen;

- uit het dossier niet blijkt dat de eiser opgave had gedaan van meester L. Roelants bij de politiediensten.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht dat het gebrek aan bijstand van een raadsman te wijten was aan overmacht.

10. Het oordeelt verder dat ingevolge de situatie van overmacht de argumentatie inzake de afwezigheid van afstand van het recht op vertrouwelijk overleg met een advocaat of van de bijstand van een advocaat tijdens het verhoor ter zake niet dienend is.

Aldus verantwoordt het arrest zijn beslissing naar recht dat er geen schending is van de artikelen 2bis en 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet.

11. Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

12. Voor het overige faalt het onderdeel om de in het antwoord op het eerste onderdeel vermelde redenen naar recht.

Derde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de appelrechters beantwoorden eisers verweer over de schending van de artikelen 2bis en 16, § 2, Voorlopige Hechteniswet enkel met de reden dat artikel 6 EVRM niet van toepassing is inzake voorlopige hechtenis en het oordeel dat er sprake is van overmacht; dergelijke motivering kan zeker niet als een voldoende antwoord worden beschouwd.

14. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing voor de onderzoeksgerechten die geen uitspraak doen over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

15. Uit het antwoord op het eerste en tweede onderdeel blijkt dat de appelrechters met de redenen die zij opgeven, eisers verweer beantwoorden.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing

16. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 53,99 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samengesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 29 mei 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Voorafgaand verhoor door politie en onderzoeksrechter

  • Gebrek aan bijstand van advocaat