- Arrest van 30 mei 2012

30/05/2012 - P.12.0518.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0518.F

I. W. B.,

II. W. B.,

III. W. B.,

Mr. Victor Hissel, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

1. Mr. Pierre HENRY, curator van de open erfenis van Maria Drexler,

2. D. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen drie arresten met de nummers 511, 523 en 524 van het hof van assisen van de provincie Luik van 16 en 17 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 25 mei 2012 een conclusie neergelegd op de griffie van het Hof.

De eiser heeft op 29 mei 2012, in zijn antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, een nota van antwoord neergelegd.

Op de rechtszitting van 30 mei 2012 heeft raadsheer Pierre Cornelis verslag uitge-bracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het middel van niet-ontvankelijkheid door de eiser aangevoerd tegen de schrifte-lijke conclusie van het openbaar ministerie

De eiser voert aan dat, met toepassing van de artikelen 1105, derde lid, en 1106, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek, waarnaar artikel 420ter Wetboek van Strafvor-dering verwijst, de schriftelijke conclusie van het openbaar ministerie ten minste vijftien dagen voor de zitting op de griffie moet worden neergelegd en een kopie ervan moet worden toegezonden aan de eiser. Hij leidt daaruit af dat de conclusie die buiten die termijn is neergelegd, uit het dossier dient verwijderd te worden.

Die termijn van vijftien dagen, die noch substantieel noch op straffe van nietig-heid is voorgeschreven, kan in bepaalde gevallen niet verenigbaar blijken te zijn met andere regels van de rechtspleging. Wanneer die termijn niet geëerbiedigd wordt, kunnen de partijen nog altijd om verdaging van de zaak verzoeken zodat zij hun opmerkingen kunnen formuleren.

Krachtens artikel 420bis, eerste lid, Wetboek van Strafvordering kan de eiser een memorie indienen tot acht vrije dagen vóór de rechtszitting.

Aangezien de zaak was vastgesteld op 30 mei 2012, kon de eiser tot en met maan-dag 21 mei middelen aanvoeren. Daaruit volgt dat, aangezien de termijn van vijf-tien dagen die in het Gerechtelijk Wetboek is bepaald, onverenigbaar is met de voormelde regel van het strafproces voor het Hof, die termijn hier niet van toepas-sing was.

De wet van 14 november 2000 tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek inzake de tussenkomst van het openbaar ministerie in de procedure voor het Hof van Cassatie en, in burgerlijke zaken, voor de feitenrechters en tot wijziging van de ar-tikelen 420bis en 420ter Wetboek van Strafvordering, heeft tot doel de daarin vermelde bepalingen aan te passen aan de rechtspraak van het Europees Hof, door met name de partijen die een proces voeren voor het Hof van Cassatie de moge-lijkheid te bieden op de conclusie van het openbaar ministerie te reageren.

Aangezien de eiser niet vraagt dat de behandeling van de zaak zou worden ver-daagd, meldt dat hij niet op de rechtszitting zal verschijnen en, nog vóór die rechtszitting, de in artikel 1107 Gerechtelijk Wetboek bedoelde nota neerlegt in zijn antwoord op de conclusie van het openbaar ministerie, waarvan hij vraagt dat die uit het dossier zou worden verwijderd, kan hij niet aanvoeren dat hem door de mededeling van die conclusie op 25 mei 2012 het recht op een eerlijke behande-ling van zijn zaak is ontnomen, met name de mogelijkheid om zowel op de schrif-telijke als op de eventuele mondelinge aanvullende conclusie te antwoorden.

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Vierde middel

De eiser oefent kritiek uit op de praktijk van het openbaar ministerie om monde-linge conclusies te nemen voor het Hof.

In zoverre het middel gegrond is op overwegingen die geen verband houden met de bestreden arresten, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige mist het middel feitelijke grondslag aangezien het op de onjuiste bewering berust dat het openbaar ministerie mondeling conclusie heeft genomen.

Eerste middel

Het middel verwijt het hof van assisen dat het van oordeel was dat het recht van verdediging van de eiser, zoals het met name gewaarborgd wordt door het EVRM niet miskend was, ofschoon de stafhouder van de Orde van advocaten hem de raadsman had ontzegd die hij uitdrukkelijk had gekozen.

Artikel 6.3.c EVRM kent iedere beschuldigde het recht toe om zichzelf te verde-digen of bijstand te hebben van een advocaat.

Noch deze noch enige andere bepaling verlenen de beschuldigde recht op bijstand van meer dan één raadsman wanneer hij voor een hof van assisen verschijnt.

De feitenrechter beoordeelt in concreto de mogelijkheid voor een beschuldigde om zich door een raadsman van zijn keuze te laten bijstaan. Het staat aan het Hof om na te gaan of die rechter, uit zijn vaststellingen, zijn beslissing naar recht heeft kunnen afleiden.

De Orde van advocaten is, in de uitoefening van haar prerogatieven, onafhankelijk ten opzichte van de organen van de rechterlijke macht.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de beslissing van de stafhouder van de Orde van advocaten te Luik, houdt het geen verband met de bestreden arresten en is het mitsdien niet ontvankelijk.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling door de appel-rechters of in zoverre het onderzoek ervan vereist dat feitelijke gegevens worden onderzocht, waartoe het Hof niet bevoegd is, is het eveneens niet ontvankelijk.

In zijn antwoord op de door de eiser neergelegde conclusie stelt het arrest van 16 februari 2012 vast dat één van diens raadslieden, bij een op grond van artikel 473 Gerechtelijk Wetboek door de stafhouder van de Orde genomen ordemaatregel, het verbod kreeg om zijn cliënt verder te verdedigen. Het voegt daaraan toe dat het hof van assisen, zowel door de inhoud van de beslissing als door de verklarin-gen van de tweede raadsman van de eiser de verzekering kreeg dat die advocaat in staat was de eiser alleen te verdedigen, vermits de eiser bevestigde dat hij de aan beide raadslieden afzonderlijk toevertrouwde opdracht niet had gewijzigd. Het arrest preciseert bovendien dat, in de loop van het onderzoek van het voorval in openbare rechtszitting, de raadsman die in het verbod van de stafhouder wordt bedoeld zich bij diens beslissing had neergelegd.

Uit die vaststellingen heeft het hof van assisen naar recht kunnen afleiden dat het recht van verdediging niet was miskend.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert aan dat, aangezien de eiser geen raadsman had die zijn taal sprak en die, voor het grootste deel van de rechtspleging, voor zijn verdediging instond, hij onvoldoende middelen had gekregen ter voorbereiding van zijn verdediging, overeenkomstig artikel 6.3.b EVRM.

In zoverre het middel betrekking heeft op de twee arresten van 17 februari 2012, zonder te preciseren hoe die beslissingen de aangevoerde bepalingen kunnen schenden, is het niet ontvankelijk.

In zoverre het middel artikel 149 Grondwet aanvoert, betoogt het eigenlijk dat een vonnis dat een conclusie niet op afdoende wijze beantwoordt, die bepaling schendt en dus faalt het naar recht.

De feitenrechter beoordeelt in concreto of de persoon tegen wie de strafvordering is ingesteld de voor zijn verdediging noodzakelijke middelen heeft gekregen. Het staat aan het Hof om na te gaan of die rechter, uit zijn vaststellingen, zijn beslis-sing naar recht heeft kunnen afleiden.

In zoverre het middel kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling door de appel-rechters of het onderzoek ervan vereist dat feitelijke gegevens worden onderzocht, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige stelt het arrest van 16 februari 2012 vast, zoals in het antwoord op het eerste middel werd vermeld, dat de tweede raadsman van de eiser heeft verzekerd dat hij in staat is om alleen diens verdediging op zich te nemen. Het oordeelt daarenboven, eensdeels, dat het verbod om te pleiten alleen geldt voor de zitting van het hof, die in het Frans verloopt met behulp van tolken, ingevolge de keuze van de eiser, en anderdeels, dat dit verbod niet geldt voor de contacten bui-ten de zittingszaal, waar de kennis die de advocaat van de taal van de eiser heeft van belang kan zijn.

Het hof van assisen heeft uit die overwegingen, die antwoorden op de conclusie van de eiser, naar recht kunnen afleiden dat het recht van verdediging niet werd miskend, zoals nochtans was aangevoerd.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

Het middel voert aan dat het hof van assisen niet op afdoende wijze heeft geant-woord op het verwijt dat het vermoeden van onschuld was aangetast omdat aan de gezworenen kennis werd gegeven van de brief van de stafhouder waarbij één van de raadslieden van de eiser werd aangemaand zich uit het proces terug te trekken omdat er tegen de eiser vermoedens van pedofilie waren geuit, alsook we-gens de uitleg die de stafhouder daarvan op de rechtszitting had gegeven.

In zoverre het middel betrekking heeft op de arresten van 17 februari 2012, zonder te preciseren op welke wijze die beslissingen de aangevoerde bepalingen schenden, is het niet ontvankelijk.

In zoverre het middel artikel 149 Grondwet aanvoert, betoogt het eigenlijk dat een vonnis dat een conclusie niet op afdoende wijze beantwoordt, die bepaling schendt en dus faalt naar recht.

In zoverre het middel betrekking heeft op de tussenkomst van de stafhouder van de Orde, houdt het geen verband met het bestreden arrest en is het niet ontvanke-lijk.

Voor het overige voert de eiser in een conclusie die hij op 16 februari 2012 had neergelegd aan dat de redenen die de stafhouder te Luik heeft aangevoerd ter rechtvaardiging van zijn bevel een fundamentele aantasting uitmaakten van het vermoeden van onschuld dat hem ten goede moest komen. Wat dat betreft zegt hij dat hij niet vervolgd of in verdenking gesteld was wegens pedofiele handelingen, daar dergelijke feiten ten hoogste en zonder bewezen te zijn, als mogelijke drijfveer van de feiten werden aangevoerd. Die tussenkomst, voerde hij aan, kwam er eigenlijk op neer dat men hem beschouwde als verdacht van en zelfs schuldig aan dergelijke feiten wat de gezworenen alleen maar negatief kon beïnvloeden.

Het arrest van 16 februari 2012 stelt vast dat de gezworenen werden ingelicht over het feit dat dit voorval, wegens de door hen afgelegde eed, geen invloed mocht hebben op de mening die zij zich nog dienden te vormen over de grond van de zaak. Het preciseert dat, wat betreft de eerbiediging van het vermoeden van onschuld van de eiser, hem geen enkel zedenfeit ten laste is gelegd, zodat de over-wegingen van de stafhouder, die geen verband houden met het onderzoek van de zaak, geen uitwerking hebben op de vragen waarop de jury nog dient te antwoor-den.

Om die redenen, die het vermoeden van onschuld niet miskennen en die antwoor-den op de conclusie van de eiser, omkleedt het hof van assisen zijn beslissing re-gelmatig met redenen en verantwoordt ze naar recht.

Het middel kan dienaangaande niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 30 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Frédéric Close, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschre-ven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Artikel 6.3.c

  • Recht op bijstand van een raadsman naar zijn keuze

  • Draagwijdte

  • Beschuldigde voor een hof van assisen