- Arrest van 31 mei 2012

31/05/2012 - C.11.0785.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De gerechtelijke reorganisatie vormt één enkele procedure, die aanvangt met het verzoekschrift van de schuldenaar tot opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie en die, in geval van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, eindigt met de beslissing van de rechtbank tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0785.N

1. FORTIS BANK nv, met zetel te 1000 Brussel, Warandeberg 3,

2. KBC BANK nv, met zetel te 1080 Sint-Jans-Molenbeek, Havenlaan 2,

eiseressen,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseressen woonplaats kie-zen,

tegen

1. JLF nv, met zetel te 9700 Oudenaarde, Scheldekant 9,

2. Luc BLOCKEEL, advocaat, als gerechtsmandataris, met kantoor te 9700 Oudenaarde, Deinzestraat 1,

3. Mia DE PLANCKE, als gerechtsmandataris, wonende te 8530 Harelbeke, Gentsesteenweg 46,

verweerders,

4. DESCAMPS S.A.S., vennootschap naar Frans recht, met zetel te 75002 Parijs (Frankrijk), 28 rue d'Aboukir,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Simone Nudelholc, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 1000 Brussel, Keizerslaan 3, waar de verweerster woon-plaats kiest,

5. WEVERIJ JULES CLARYSSE nv, met zetel te 8740 Pittem, Brugsesteen-weg 106,

verweerster, minstens tot bindendverklaring van het arrest opgeroepen partij.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 november 2011.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseressen voeren in hun verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een mid-del aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Artikel 5, vijfde lid, van de wet van 31 januari 2009 betreffende de conti-nuïteit van de ondernemingen (hierna: WCO) bepaalt dat elke belanghebbende kan tussenkomen in de bij die wet bepaalde procedures, overeenkomstig de artike-len 812 tot 814 Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 16 WCO bepaalt dat de procedure van gerechtelijke reorganisatie strekt tot het behouden onder toezicht van de rechter, van de continuïteit van het geheel of een gedeelte van de onderneming in moeilijkheden of van haar activiteiten. Zij laat toe aan de schuldenaar een opschorting toe te kennen met het oog op:

- hetzij het bewerkstelligen van een minnelijk akkoord, overeenkomstig artikel 43;

- hetzij het verkrijgen van het akkoord van de schuldeisers over een reorganisa-tieplan, overeenkomstig de artikelen 44 tot 58;

- hetzij de overdracht onder gerechtelijk gezag toe te staan, aan een of meerdere derden, van het geheel of een gedeelte van de onderneming of haar activiteiten, overeenkomstig de artikelen 59 tot 70.

Artikel 17, §1, WCO bepaalt dat de schuldenaar die het openen van een procedure van gerechtelijke reorganisatie aanvraagt, een verzoekschrift aan de rechtbank richt.

Krachtens artikel 20, eerste lid, WCO wordt ter griffie een dossier van de gerech-telijke reorganisatie gehouden waarin alle elementen met betrekking tot deze pro-cedure en de grond van de zaak voorkomen.

Krachtens artikel 39, eerste lid, WCO kan de schuldenaar op elk ogenblik tijdens de opschorting aan de rechtbank vragen:

1° indien hij de procedure van gerechtelijke reorganisatie heeft aangevraagd om een minnelijk akkoord te verkrijgen en dit niet verwezenlijkbaar lijkt, dat de pro-cedure wordt voortgezet om een reorganisatieplan voor te stellen of om toe te stemmen in een overdracht, onder gerechtelijk gezag, van het geheel of een ge-deelte van de onderneming, in welk geval de procedure met dit doel wordt voort-gezet;

2° indien hij de procedure van gerechtelijke reorganisatie aangevraagd heeft om een reorganisatieplan voor te stellen en dit niet uitvoerbaar lijkt, dat hij principieel kan instemmen met een overdracht, onder gerechtelijk gezag, van het geheel of een gedeelte van de onderneming, in welk geval de procedure met dit doel wordt voortgezet.

Artikel 59, § 1, eerste lid, WCO bepaalt dat de overdracht onder gerechtelijk ge-zag van het geheel of een gedeelte van de onderneming of van haar activiteiten door de rechtbank kan bevolen worden met het oog op het behoud ervan wanneer de schuldenaar ermee instemt in zijn verzoekschrift tot gerechtelijke reorganisatie of later in de loop van de procedure.

Krachtens artikel 62, vierde lid, WCO vraagt de aangewezen gerechtsmandataris bij verzoekschrift op tegenspraak aan de rechtbank de machtiging om te kunnen overgaan tot de voorgestelde verkoop.

Artikel 67, eerste lid, WCO bepaalt dat wanneer de aangewezen gerechtsmandata-ris van oordeel is dat alle voor overdracht vatbare activiteiten overgedragen zijn, en in elk geval voor het einde van de opschorting, hij aan de rechtbank bij ver-zoekschrift vraagt dat zij de procedure van gerechtelijke reorganisatie afsluit of, wanneer het gerechtvaardigd is dat deze voortgezet wordt voor andere doeleinden, dat zij hem ontlast van zijn opdracht.

2. Uit deze bepalingen volgt dat de gerechtelijke reorganisatie één enkele pro-cedure vormt, die aanvangt met het verzoekschrift van de schuldenaar tot opening van een procedure van gerechtelijke reorganisatie en die, in geval van gerechtelijke reorganisatie door overdracht onder gerechtelijk gezag, eindigt met de beslissing van de rechtbank tot sluiting van de procedure van gerechtelijke reorganisatie.

3. Een belanghebbende die tijdens de procedure van gerechtelijke reorganisatie is tussengekomen overeenkomstig de artikelen 812 tot 814 Gerechtelijk Wetboek, heeft voor de gehele duur van deze procedure en ongeacht een wijziging van het doel van die procedure, de hoedanigheid van partij en vermag in de regel tegen de beslissingen van de rechtbank de rechtsmiddelen aan te wenden volgens de in het Gerechtelijk Wetboek voorgeschreven regels en termijnen.

4. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiseressen bij verzoekschrift van 18 juli 2011 de rechtbank van koophandel hebben verzocht om vrijwillig tussen te komen in de procedure van gerechtelijke reorganisatie en dat de rechtbank bij vonnis van 20 juli 2011 hen akte heeft verleend van deze vrijwillige tussenkomst.

5. De appelrechters die oordelen dat de eiseressen niet de hoedanigheid van partij hebben en derhalve geen ontvankelijk hoger beroep konden instellen, omdat zij geen verzoekschrift tot vrijwillige tussenkomst hebben neergelegd na de neer-legging op 12 september 2011 door de gerechtsmandatarissen van het verzoek-schrift op tegenspraak zoals omschreven in artikel 62, laatste lid, WCO, waarbij een nieuwe procedure werd aangevangen, die niet als de voortzetting is te aanzien van "welke andere procedure dan ook", verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Verklaart het arrest bindend voor de tot bindendverklaring opgeroepen partij.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 31 mei 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward For-rier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Wet Continuïteit Ondernemingen

  • Gerechtelijke reorganisatie

  • Procedure

  • Aard

  • Aanvang

  • Einde

  • Overdracht onder gerechtelijk gezag