- Arrest van 1 juni 2012

01/06/2012 - F.10.0092.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het Hof houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord: Dient artikel 2, 3°, 4° en 5°, van de vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen in die zin te worden uitgelegd dat het niet alleen bepaalt dat in de toelichting bij de jaarrekening aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt, maar ook vereist dat, wanneer de aanschaffingsprijs kennelijk niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de betrokken goederen, zodat een vertekend beeld ontstaat van het vermogen van de financiële positie alsook van het resultaat van de onderneming, wordt afgeweken van het beginsel dat activa tegen de aanschaffingswaarde worden geboekt en dat ze onmiddellijk tegen hun wederverkoopwaarde worden geboekt indien deze hun werkelijke waarde blijkt te zijn?

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.10.0092.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

GIMLE nv,

Mr. Reinhold Tournicourt, mr. Frédéric Lettany, mr. Maurice Krings en mr. Martine Eulaerts, advocaten bij de balie van Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 31 maart 2010.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 7 mei 2012 ter griffie een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Sylviane Velu heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 24, 183, 185 en, voor zoveel als nodig, 192, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992;

- de artikelen 3, 4 en 16 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, vervangen door de artikelen 3, 4 en 13 van het koninklijk besluit van 12 december 1983.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst het volgende vast:

"De verweerster werd op 26 november 1998 opgericht door de heer A. S. en me-vrouw B. L., beiden van Zweedse nationaliteit en Engelse verblijfhouders. Het maatschappelijk doel van de verweerster bestaat onder meer in het nemen van participaties in alle vennootschappen en in het beheer van die vennootschappen.

Op 27 november 1998 heeft de verweerster 50 aandelen verworven van de ven-nootschap naar Zweeds recht TV-Shop Europe AB, waarvan de heer S. eveneens de oprichter is, voor een bedrag van 5.000 SEK, zijnde 100 SEK per aandeel. Op 4 januari 1999 heeft de verweerster die zelfde aandelen verkocht aan de vennootschap naar Zweeds recht Electronic Retailing AB, voor een prijs van 17.000.000 SEK, zijnde 340.000 SEK per aandeel.

De verweerster heeft na de verkoop een meerwaarde geboekt van 74.776.696 BEF die zij op grond van artikel 192, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 heeft vrijgesteld.

In haar aangifte in de vennootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2000 heeft de verweerster de beginsituatie vermeerderd met de reserves ten belope van de meerwaarde teneinde de verschuiving van de reserves van het jaar tot passend be-loop te verminderen.

Bij een wijzigingsbericht van 19 november 2002 heeft de administratie geoordeeld dat de meerwaarde die was verkregen bij de verkoop van die aandelen belastbaar was als stijging van de waarde van de activa ten gevolge ‘van een meerwaarde die verkregen is bij de aankoop van de aandelen, dit wil zeggen, ten gevolge van de verdwijning uit de monetaire activa die vervangen werden door aandelen waarvan de werkelijke waarde hoger is dan de betaalde prijs'.

De taxatieambtenaar is uitgegaan van het vermoeden dat de waarde van de aan-delen die vermeld stond in de koopovereenkomst van 4 januari 1999 juist dezelfde waarde heeft als de voornoemde aandelen ten tijde van de aankoop ervan door [de verweerster] op 27 november 1998.

De eerste rechter heeft op het beroep van de verweerster tegen de beslissing van 18 juli 2003, waarbij de door de gewestelijk directeur gemachtigde ambtenaar haar bezwaar had verworpen dat zij had ingediend tegen de aanslag in de ven-nootschapsbelasting voor het aanslagjaar 2000, die te haren name was gevestigd onder artikel 263.574 van het kohier van de gemeente Watermaal-Bosvoorde, de vordering van de verweerster ontvankelijk en gegrond verklaard. Hij heeft de ont-heffing bevolen van de litigieuze aanslag en [de eiser] veroordeeld om alle be-dragen die ten onrechte zijn geïnd op grond van de aanslag waarvan de ontheffing aldus was bevolen, terug te betalen met moratoire interest",

en overweegt het volgende:

"[De eiser] houdt voor het hof [van beroep] terecht staande dat de eerste rechter zich had aangesloten bij zijn standpunt dat de aankooprijs van de aandelen van de vennootschap TV-Shop ondergewaardeerd was en dat de werkelijke aankoopprijs die overeenkwam met de werkelijke waarde van de aandelen, gelijk was aan de verkoopprijs die ontvangen was bij de nagenoeg gelijktijdige verkoop, 38 dagen na aankoop van die aandelen.

De eiser voert bovendien, terecht, aan dat geen enkel objectief gegeven verklaart waarom er een verschil is tussen de waarde van de aandelen op de datum van hun aankoop en de verkoopprijs die 38 dagen later 3.400 keer hoger was.

In deze zaak heeft het echter geen zin om na te gaan, zoals de eiser staande houdt, of de eerste rechter wel terecht beslist had dat de werkelijke waarde van de aandelen op het ogenblik dat ze werden aangekocht, overeenstemde met de in de overeenkomst van wederverkoop bedongen prijs, en of de bescheiden prijs die de verweerster voor de aandelen [had betaald] door de partijen was overeengekomen teneinde de verweerster te bevoordelen.

Het standpunt van de administratie dat het getrouwe financieel beeld als bedoeld in artikel 3 van het jaarrekeningbesluit van 1976, vereist dat 1. er in het geval van verwerving om niet of gedeeltelijk om niet geredeneerd moet worden in termen van vermogenstoename en niet in termen van historische kostprijs aangezien die in casu uiteraard belachelijk laag zou zijn en 2. de om niet gerealiseerde vermogenstoename wordt gewaardeerd tegen werkelijke waarde die dient omschreven te worden als het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld tussen ter zake goed geïnformeerde, onafhankelijke partijen die uit vrije wil een transactie afsluiten, mist immers elke grond. Dat standpunt van de administratie, dat gegrond is op artikel 16 van het voornoemde jaarrekeningbesluit dat, volgens de administratie, [de verweerster] ertoe verplichtte geen rekening te houden met de historische aankoopprijs maar uitsluitend met de werkelijke waarde van de effecten, kan slechts in een ‘uitzonderlijk' geval worden toegepast. Het advies nr. 126/17 van de Commissie voor boekhoudkundige normen waarop [de eiser] zich baseert, ziet in een verrichting die gelijkenissen vertoont met die welke hier wordt bedoeld, een uitzonderingsgeval dat vereist dat de historische kostprijs wordt vervangen door de werkelijke waarde maar, zoals tal van auteurs hebben gezegd, faalt het advies nr. 126/17 van de Commissie voor boekhoudkundige normen naar recht in zoverre de bepalingen van het jaarrekeningbesluit van 8 oktober 1976 alle activa bij de op-name in het vermogen van een onderneming waarderen in verhouding tot de middelen die als tegenprestatie moesten worden afgestaan om ze te verkrijgen. Het voornoemde advies van de commissie is dus louter een verwijzing voor een toekomstig boekhoudrecht maar niet voor het positieve boekhoudrecht (....).

Bovendien houdt de verplichting die, volgens de uitlegging van het jaarrekeningbesluit door de administratie, de ondernemingen zouden hebben om de historische aankoopprijs buiten beschouwing te laten en hem te vervangen door de werkelijke waarde van het goed, geen rekening met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit dat een onderneming de mogelijkheid biedt een getrouw beeld van haar vermogen te geven door in de toelichting bij de jaarrekening ‘aanvullende inlichtingen' te verstrekken, zonder ze daarom te verplichten om af te wijken van de uniforme waarderingsregel volgens de historische kostprijs van alle activa bij hun opname in het vermogen, wat, in het geval van verkrijgingen om niet of gedeeltelijk om niet, komaf maakt met de ‘uitzonderlijke' aard die de onderneming verplicht af te wijken van het beginsel van de aanschaffingsprijs",

en neemt derhalve de volgende beslissing:

"De litigieuze aanslag heeft, zoals de eerste rechter heeft beslist, ten onrechte de meerwaarden van 74.776.696 BEF in aanmerking genomen voor de berekening van de belastbare grondslag".

Grieven

Krachtens artikel 185 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 zijn vennootschappen belastbaar op het totale bedrag van de winst, uitgekeerde dividenden inbegrepen.

Op grond van artikel 183 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, zijn, onder voorbehoud van de in de titel van het wetboek betreffende de vennootschapsbelasting omschreven afwijkingen, wat hun aard betreft, de inkomsten die onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting of daarvan vrijgesteld zijn, dezelfde als die welke in de personenbelasting in aanmerking worden genomen; het bedrag ervan wordt vastgesteld volgens de regels die van toepassing zijn op winst.

Hoewel artikel 24 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de voornaamste bestanddelen van winsten opsomt (waaronder meer bepaald de exploitatiewinst in eigenlijke zin en de verwezenlijkte of uitgedrukte meerwaarden), bevat die bepaling noch enige andere bepaling van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 een omschrijving van het begrip belastbare winst.

Het ontbreken van een begripsomschrijving valt te verklaren door het feit dat de belastbare winst van de ondernemingen - behoudens uitdrukkelijke afwijking van de belastingwet - wordt bepaald overeenkomstig de regels van het boekhoudrecht (Cass., 20 februari 1997) en het staat vast dat, voor het aanslagjaar 2000, de boekhoudkundige regels voor de waardering van de actiefbestanddelen van een onderneming terug te vinden zijn in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen.

Artikel 20 van dat besluit vermeldt de volgende basisregel:

"Onverminderd de toepassing van de artikelen 16, 27, 27bis en 34, wordt elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen.

Onder aanschaffingswaarde wordt verstaan: of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 21, of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 22, of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 23."

Krachtens die bepaling moeten de activa die opgenomen worden in het vermogen van de onderneming, gewaardeerd worden tegen hun aanschaffingswaarde, met dien verstande dat, indien het bewuste actief onder bezwarende titel is verkregen op grond van een koopovereenkomst, de aankoopprijs vermeerderd met de bijkomende kosten, overeenkomstig artikel 21 van voornoemd koninklijk besluit van 8 oktober 1976, in aanmerking moet worden genomen.

Artikel 3 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 luidt echter als volgt: "De jaarrekening moet een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming" en, met toepassing van dat beginsel, bepaalt artikel 16 van het koninklijk besluit het volgende:

"Indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een in dit hoofdstuk (zijnde Hoofdstuk II - Waarderingsregels) bedoelde waarderingsregel niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 3, moet daarvan worden afgeweken ten einde te voldoen aan de in artikel 3 bedoelde verplichting.

Dergelijke afwijking wordt in de toelichting vermeld en verantwoord.

De gewaardeerde invloed ervan op het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming wordt vermeld in de toelichting bij de jaarrekening over het boekjaar waarin de afwijkende waarderingsregel voor het eerst wordt toegepast."

Het betreft hier de afwijkende functie die verbonden is met het beginsel van het getrouwe beeld.

In deze zaak staat het vast dat de administratie zich, zowel voor de rechtbank van eerste aanleg als voor het hof van beroep, op die wettelijke basis (zijnde de gezamenlijke toepassing van de artikelen 3 en 16 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976) gebaseerd heeft om de boeking van de litigieuze activa (zijnde de aandelen van de vennootschap naar Zweeds recht TV-Shop Europe AB) tegen hun aanschaffingsprijs te betwisten.

Het vereiste van het getrouwe beeld bevat eveneens een functie die doorgaans als complementair wordt aangemerkt en waarvan de oorsprong ligt in artikel 4 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, inzonderheid in het tweede lid :

"De jaarrekening wordt opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dit besluit.

Wanneer de toepassing van de bepalingen van dit besluit niet volstaat om te vol-doen aan het bepaalde in artikel 3 moeten aanvullende inlichtingen worden verstrekt in de toelichting.".

Er dient op gewezen dat het voornoemde koninklijk besluit geen enkele regel bevat die het aanvullend karakter (artikel 4, tweede lid) van het beginsel van het getrouwe beeld doet voorgaan op de in dat beginsel vervatte afwijking (artikel 16); uit de bewoordingen zelf van voormeld artikel 16 volgt integendeel dat de toepassing van een afwijking van de waarderingsregels de gelijktijdige verplichting inhoudt om aanvullende inlichtingen te verstrekken in de toelichting.

In dat verband staat het vast dat de verweerster in deze zaak in de toelichting bij haar aangifte geen enkele aanvullende informatie heeft gegeven over de waardering van de aandelen TV-Shop Europe AB bij de aanschaffing ervan (stuk 66 tot 86 van het administratief dossier).

Uit wat voorafgaat, kan dus worden afgeleid dat er in het Belgisch boekhoudrecht een vermoeden bestaat dat de toepassing van de regels van de boekhoudwet ertoe leidt dat er een getrouw beeld wordt gevormd en dat, enerzijds, indien de toepassing van de ene of andere boekhoudkundige norm niet toereikend is opdat de jaarrekening een getrouw beeld zou geven van het vermogen, van de financiële positie en van het resultaat van de onderneming, er aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt in de toelichting, overeenkomstig voormeld artikel 4 van het besluit, en anderzijds, indien de toepassing van een boekhoudkundige norm betreffende de waardering van de bestanddelen van het vermogen van de onderneming geen getrouw beeld van die onderneming kan geven, er dan bovendien, overeenkomstig voormeld artikel 16 van het besluit, moet afgeweken worden van de automatische toepassing van de waarderingsregel die vervat is in het koninklijk besluit van 8 oktober 1976.

Er moet zeker op gewezen worden dat de bewoordingen van artikel 16 van het besluit, namelijk "moet daarvan worden afgeweken", aan die afwijking een dwingend karakter, en geen louter facultatief karakter, geven, maar dat die afwijking evenwel slechts kan worden toegepast "indien in uitzonderingsgevallen blijkt (...)".

Het begrip "uitzonderingsgeval" wordt in de boekhoudwetgeving niet omschreven; we herinneren er evenwel aan dat het beginsel van het getrouwe beeld oorspronkelijk vermeld wordt in de vierde Europese Richtlijn 78/660/EEG van 25 juli 1978 betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (bekend-gemaakt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 14 augustus 1978 - L 222), welke richtlijn in Belgisch recht werd omgezet door de wet van 1 juli 1983 tot wijziging van de boekhoudwet van 17 juli 1975 en door het koninklijk besluit van 12 september 1983 tot wijziging van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976; in het verslag aan de Koning (B.S. 29 september 1983, 11893) vóór dat besluit van 12 september 1983 wordt de omzetting van de richtlijn als volgt toegelicht met betrekking tot het beginsel van het getrouwe beeld:

"Met toepassing van artikel 2, § 3, van de vierde richtlijn wordt in het besluit uitdrukkelijk het beginsel ingelast volgens hetwelk de jaarrekening een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming.

In beginsel zal dit getrouwe beeld worden bereikt door de toepassing van de schema's en de waarderingsregels vastgelegd in het besluit.

Het getrouwe beeld kan soms slechts worden bereikt indien in de toelichting aan-vullende gegevens worden verstrekt (artikel 4, tweede lid). In uitzonderlijke gevallen kan het getrouwe beeld vereisen dat de benaming van de rubrieken (artikel 9, tweede lid) of de voorstelling van de jaarrekening (artikel 10, tweede lid) wordt gewijzigd of dat wordt afgeweken van de in het besluit vastgelegde waarderingsregels (artikel 16, eerste lid) of van vroeger toegepaste waarderingsregels (artikel 17, tweede lid)".

De voornoemde richtlijn omschrijft evenmin wat moet worden verstaan onder "uitzonderingsgeval" maar het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de mogelijkheid gehad om die term als volgt uit te leggen:

"31. Aangezien de richtlijn niet preciseert wat onder „uitzonderingsgevallen" moet worden verstaan, dient deze uitdrukking te worden uitgelegd tegen de achtergrond van het doel van deze richtlijn, volgens hetwelk — zoals in punt 26 van dit arrest is verklaard — de jaarrekening van de betrokken vennootschappen een getrouw beeld moet geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de vennootschap (zie eveneens in die zin reeds aangehaald arrest Tomberger).

32. De in artikel 31, lid 2, van de richtlijn bedoelde uitzonderingsgevallen zijn dus die waarin een afzonderlijke waardering niet een zo getrouw mogelijk beeld van de werkelijke financiële positie van de betrokken vennootschap zou geven" (arrest van 14 september 1999, zaak C-275/97).

De doelstelling van de getrouwe weergave van de vermogenstoestand en financiële positie van een vennootschap is dus een fundamenteel gegeven dat in aanmerking moet worden genomen als men de uitzonderingsregeling toepast.

De leer van het Hof van Justitie ligt in de lijn van de uitlegging van het woord "uitzonderlijk" in de gangbare betekenis ervan, die in de woordenboeken wordt gegeven; volgens Van Dale betekent uitzonderlijk immers "een uitzondering vormend, zoals zich slechts bij uitzondering voordoet" en de antoniemen van "uit-zonderlijk" zijn de volgende woorden: regelmatig, banaal, gewoon, gebruikelijk, gangbaar, normaal.

Uit het onderling verband van de artikelen 3 en 16 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976, die het resultaat zijn van de omzetting naar Belgisch recht van de Europese wetgeving, volgt dat moet worden afgeweken van het beginsel dat activa tegen hun aanschaffingsprijs worden geboekt, wanneer de betaalde prijs kennelijk en objectief niet overeenstemt met de waarde van de bewuste goederen, zodat een vertekend en verkeerd beeld ontstaat van het vermogen, van de financiële positie alsook van het resultaat van de onderneming

Daaruit volgt dat het arrest, dat eerst aanneemt dat "geen enkel objectief gegeven verklaart waarom er een verschil is tussen de waarde van de aandelen op de datum van hun aankoop en de verkoopprijs die 38 dagen later 3.400 keer hoger was", niet naar recht heeft kunnen beslissen dat het "in deze zaak echter geen zin heeft om na te gaan, zoals de eiser staande houdt, of de eerste rechter wel terecht beslist had dat de werkelijke waarde van de aandelen op het ogenblik dat ze werden aangekocht, overeenstemde met de in de overeenkomst van wederverkoop bedongen prijs, en of de bescheiden prijs die de verweerster voor de aandelen [had betaald] door de partijen was overeengekomen teneinde de verweerster te bevoordelen" op grond dat "het standpunt van de administratie dat het getrouwe financieel beeld als bedoeld in artikel 3 van het jaarrekeningbesluit van 1976, vereist dat 1. er in het geval van verwerving om niet of gedeeltelijk om niet geredeneerd moet worden in termen van vermogenstoename en niet in termen van historische kostprijs aangezien die in casu uiteraard belachelijk laag zou zijn en 2. de om niet gerealiseerde vermogenstoename wordt gewaardeerd tegen werkelijke waarde die dient omschreven te worden als het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld tussen ter zake goed geïnformeerde, onafhankelijke partijen die uit vrije wil een transactie afsluiten, immers elke grond mist. Dat standpunt van de administratie, dat gegrond is op artikel 16 van het voornoemde jaarrekeningbesluit dat, volgens de administratie, [de verweerster] ertoe verplichtte geen rekening te houden met de historische aankoopprijs maar uitsluitend met de werkelijke waarde van de effecten, kan slechts in een ‘uitzonderlijk' geval worden toegepast. Het advies nr. 126/17 van de Commissie voor boekhoudkundige normen waarop [de eiser] zich baseert, ziet in een verrichting die gelijkenissen vertoont met die welke hier wordt bedoeld, een uitzonderingsgeval dat vereist dat de historische kostprijs wordt vervangen door de werkelijke waarde maar, zoals tal van auteurs hebben gezegd, faalt het advies nr. 126/17 van de Commissie voor boekhoudkundige normen naar recht in zoverre de bepalingen van het jaarrekeningbesluit van 8 oktober 1976 alle activa bij de op-name in het vermogen van een onderneming waarderen in verhouding tot de middelen die als tegenprestatie moesten worden afgestaan om ze te verkrijgen. Het voornoemde advies van de commissie is dus louter een verwijzing voor een toekomstig boekhoudrecht maar niet voor het positieve boekhoudrecht." (schending van de artikelen 3, 4 en 16 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, van de artikelen 24, 183, 185 en, voor zoveel als nodig, 192, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992).

Om dezelfde redenen als hierboven uiteengezet, schendt het arrest, door te beslissen dat "de verplichting die, volgens de uitlegging van het jaarrekeningbesluit door de administratie, de ondernemingen zouden hebben om de historische aankoopprijs buiten beschouwing te laten en hem te vervangen door de werkelijke waarde van het goed, (bovendien) geen rekening (houdt) met het bepaalde in artikel 4, tweede lid, van het voornoemde koninklijk besluit dat een onderneming de mogelijkheid biedt een getrouw beeld van haar vermogen te geven door in de toelichting bij de jaarrekening ‘aanvullende inlichtingen' te verstrekken, zonder ze daarom te verplichten om af te wijken van de uniforme waarderingsregel volgens de historische kostprijs van alle activa bij hun opname in het vermogen, wat, in het geval van verkrijgingen om niet of gedeeltelijk om niet, komaf maakt met de ‘uitzonderlijke' aard die de onderneming verplicht af te wijken van het beginsel van de aanschaffingsprijs", een tweede maal de artikelen 3, 4 en 16 van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met betrekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, de artikelen 24, 183, 185 en, voor zoveel als nodig, artikel 192, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Het middel

De belastbare winst van ondernemingen wordt vastgesteld overeenkomstig de boekhoudkundige regels, tenzij de belastingwet hiervan uitdrukkelijk afwijkt.

Luidens artikel 3, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 met be-trekking tot de jaarrekening van de ondernemingen, zoals het bestond ten tijde van het geschil, moet de jaarrekening een getrouw beeld geven van het vermogen, de financiële positie en het resultaat van de onderneming.

Krachtens artikel 4 van dat koninklijk besluit, in de voornoemde versie ervan, wordt de jaarrekening opgesteld overeenkomstig de bepalingen van dat besluit; wanneer de toepassing van de bepalingen van dit besluit niet volstaat om te vol-doen aan het bepaalde in artikel 3 moeten aanvullende inlichtingen worden ver-strekt in de toelichting.

Volgens artikel 16, eerste lid, van dat koninklijk besluit, in dezelfde versie ervan, moet, indien in uitzonderingsgevallen blijkt dat de toepassing van een in dit hoofdstuk bedoelde waarderingsregel niet leidt tot nakoming van het bepaalde in artikel 3, daarvan worden afgeweken ten einde te voldoen aan de in artikel 3 be-doelde verplichting.

Overeenkomstig artikel 20 wordt, onverminderd de toepassing van de artikelen 16, 27, 27bis en 34, elk actiefbestanddeel gewaardeerd tegen aanschaffingswaarde en voor dat bedrag in de balans opgenomen, onder aftrek van de desbetreffende afschrijvingen en waardeverminderingen en wordt onder aanschaffingswaarde verstaan: of de aanschaffingsprijs zoals bepaald in artikel 21, of de vervaardigingsprijs zoals bepaald in artikel 22, of de inbrengwaarde zoals bepaald in artikel 23.

De voormelde artikelen 3, eerste lid, 4 en 16, eerste lid, zijn de omzetting naar na-tionaal recht van de artikelen 2, 3°, 4° en 5°, van de vierde richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen. Afde-ling 7, met als opschrift "Waarderingsregels", bepaalt met name in artikel 32 dat de waardering van de posten in de jaarrekening geschiedt overeenkomstig de be-palingen van de artikelen 34 tot en met 42, die zijn gebaseerd op het beginsel van de aanschaffings - of vervaardigingskosten.

Het arrest wijst er eerst op dat de eiser "terecht staande [houdt] dat de eerste rechter zich had aangesloten bij zijn standpunt dat de aankooprijs van de aandelen van de vennootschap TV-Shop ondergewaardeerd was en dat de werkelijke aankoopprijs die overeenkwam met de werkelijke waarde van de aandelen, gelijk was aan de verkoopprijs die ontvangen was bij de nagenoeg gelijktijdige verkoop, 38 dagen na aankoop van die aandelen", overweegt dat "geen enkel objectief ge-geven verklaart waarom er een verschil is tussen de waarde van de aandelen op de datum van hun aankoop en de verkoopprijs die 38 dagen later 3.400 keer hoger was", aanvaardt dat die aandelen tegen hun historische aanschaffingsprijs en niet tegen hun werkelijke waarde moeten worden geboekt en beslist daarna dat de litigieuze aanslag ten onrechte de meerwaarde van 74.776.696 frank in aanmerking heeft genomen voor de berekening van de belastbare basis.

Het middel bekritiseert dat arrest en voert daartoe aan dat de artikelen 3, eerste lid, 4 en 16, eerste lid, van het koninklijk besluit van 8 oktober 1976 niet alleen voorschrijven dat aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt in de toelichting bij de jaarrekening, maar tevens dat moet worden afgeweken van het beginsel dat activa tegen hun aanschaffingsprijs worden geboekt, wanneer zoals hier, de betaalde prijs kennelijk niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de betrokken goederen, zodat een vertekend beeld ontstaat van de het vermogen, van de financiële positie alsook van het resultaat van de onderneming.

Aangezien een vraag wordt opgeworpen over de uitlegging van de artikelen 2, 3°, 4° en 5°, van de vierde richtlijn, dient de in het dictum van dit arrest weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie te worden ge-steld.

Dictum

Het Hof,

Houdt de uitspraak aan tot het Hof van Justitie van de Europese Unie de onderstaande prejudiciële vraag zal hebben beantwoord:

"Dient artikel 2, 3°, 4° en 5°, van de vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, sub g), van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen in die zin te worden uitgelegd dat het niet alleen bepaalt dat in de toelichting bij de jaarrekening aanvullende inlichtingen moeten worden verstrekt, maar ook vereist dat, wanneer de aanschaffingsprijs kennelijk niet overeenstemt met de werkelijke waarde van de betrokken goederen, zodat een vertekend beeld ontstaat van het vermogen van de financiële positie alsook van het resultaat van de onderneming, wordt afgeweken van het beginsel dat activa tegen de aanschaffingswaarde worden geboekt en dat ze onmiddellijk tegen hun wederverkoopwaarde worden geboekt indien deze hun werkelijke waarde blijkt te zijn?"

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Gustave Steffens en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 1 juni 2012 uitgesp-roken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Geert Jocqué en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978

  • Jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen

  • Verschil tussen aanschaffingsprijs en werkelijke waarde van de goederen

  • Boeking

  • Afwijking van het beginsel dat activa tegen aanschaffingsprijs worden geboekt

  • Artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie

  • Prejudiciële vraag

  • Hof van Justitie van de Europese Unie