- Arrest van 1 juni 2012

01/06/2012 - F.11.0082.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

In zoverre artikel 114 van de wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bijzondere maatregelen voor de openbaarheid voorschrijven, leggen ze geen beperkingen op aan de verplichtingen van de belastingadministratie op grond van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek (1). (1) Cass. 27 april 2012, AR F.11.0027.F en concl. O.M., niet-gepubliceerd.


Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0082.F

BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

tegen

1. M. A.,

2. G. C.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Bergen van 7 oktober 2010.

Raadsheer Gustave Steffens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert een middel aan.

Eerste middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek;

- artikel 114 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof;

- artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur.

Aangevochten beslissingen

Het arrest stelt eerst het volgende vast:

"De eerste rechter heeft het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 371 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

(...) Aangezien de door artikel 376, § 1, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbe-lastingen 1992 op straffe van verval voorgeschreven termijn verstreken is, is het niet langer mogelijk een beroep te doen op de procedure van ambtshalve ontheffing, zodat de vordering op dat punt niet-gegrond dient te worden verklaard.

De eerste rechter heeft er terecht aan herinnerd dat de Belgische Staat net als de particulieren onderworpen is aan de gemeenrechtelijke regels betreffende de burgerrechtelijke aansprakelijkheid overeenkomstig de artikelen 1382 en volgende van het Burgerlijk Wetboek.

De [verweerders] dienen het bewijs te leveren van het bestaan van een fout, van een schade die onderscheiden is van die welke voortvloeit uit de betwiste aanslag en van een oorzakelijk verband tussen de schade en de fout.

De fout kan bestaan in een daad of een verzuim die een miskenning oplevert van een wettelijke verplichting om op een welbepaalde wijze iets te doen of niet te doen.

Er kan eveneens sprake zijn van een fout wanneer de overheid tekortgekomen is aan haar algemene zorgvuldigheidsplicht, los van elke schending van de wet of van de reglementen.

Het komt erop aan de fout van de administratieve overheid te beoordelen op grond van het criterium van een normaal zorgvuldige en omzichtige persoon die in dezelfde omstandigheden verkeert (M. Eloy, Annales de Droit de Liège, 1986, 546)",

en overweegt als volgt

"Het is aannemelijk dat [de eiser] daags na de uitspraak van het arrest van het Arbitragehof niet in staat was om elke betrokken belastingplichtige concreet in te lichten, wat impliceerde dat elk geval apart moest worden onderzocht om na te gaan of het aan de voorwaarden voor een eventuele vrijstelling voldeed.

Dat neemt echter niet weg dat [de eiser], doordat hij geen ambtshalve ontheffing van de litigieuze aanslagen heeft verleend, verzuimd heeft de toestand te regulariseren van de belastingplichtigen die te veel belastingen hadden betaald en daarom overeenkomstig artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 aanspraak konden maken op de ambtshalve ontheffing .

[De eiser] heeft niets gedaan om een algemene informatiecampagne te lanceren of enige maatregel genomen - zoals het versturen van een toelichting bij de belastingaangifte of een persbericht - waardoor de betrokken hun rechtsmiddelen hadden kunnen instellen, hoewel hij wel degelijk wist dat een bepaald aantal belastingplichtigen op onwettige wijze waren belast en hij toegeeft dat het arrest van het Arbitragehof dat gewezen is op een prejudiciële vraag een afdoend bevonden nieuw feit is in de zin van artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992.

Nochtans waren positieve stappen mogelijk, zoals blijkt uit het initiatief van het ministerie van Financiën om een boek uit te geven dat de belastingplichtigen in-formeert over de nieuwe belastingregeling voor vergoedingen wegens blijvende ongeschiktheid ingevolge arbeidsongeval of beroepsziekte. Dat boek werd uitgegeven in 2000, dus te laat voor de [verweerders], voor wie de termijn om een verzoekschrift tot ontheffing in te dienen, verstreek op 31 december 1999.

De onzorgvuldigheid van de Belgische Staat is een fout in de zin van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek zonder welke de door de verweerders aangevoerde schade zich niet zou hebben voorgedaan.

De [verweerders] kan geen enkele fout worden aangewreven omdat zij niet tijdig administratief beroep zouden hebben ingesteld aangezien niet bewezen is dat zij te gelegener tijd kennis hebben gekregen van het arrest van het Arbitragehof van 9 december 1998, dat een nieuw feit vormde op grond waarvan zij een overbelasting hadden kunnen melden en aldus een ontheffing hadden kunnen verkrijgen",

en beslist dat "de eerste rechter, bij ontstentenis van nietigverklaring of ontheffing van de litigieuze aanslag, op goede gronden beslist heeft dat de schade van de [verweerders] naar behoren hersteld zal worden door de toekenning van een schadevergoeding die overeenstemt met het bedrag van de ontheffing waarop zij op grond van het arrest 132/98 van het Arbitragehof van 9 december 1998 recht hadden, ten belope van de belasting die ten onrechte is geheven op de rentes die [de verweerder] in 1996 had ontvangen als vergoeding voor een blijvende ongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of een beroepsziekte zonder dat de getroffene inkomsten heeft moeten derven, vermeerderd met de compensatoire interest en vervolgens met gerechtelijke interest tegen de opeenvolgende wettelijke rentevoeten te rekenen vanaf de ontvangst van die rentes".

Bijgevolg "bevestigt [het arrest] het [beroepen] vonnis" dat beslist had om "met toepassing van artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek, de Belgische Staat te veroordelen om aan de [verweerders] als schadevergoeding het bedrag te betalen van de belasting op de rente van 553.112 BEF die de belastingplichtigen ter vergoeding van een blijvende ongeschiktheid ten gevolge van een arbeidsongeval of van een beroepsziekte hadden ontvangen voor het jaar 1996 (aanslagjaar 1997 - kohierartikel 779.801.007)".

Grieven

Artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat elke daad van de mens waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, degene door wiens schuld de schade is ontstaan, verplicht deze te vergoeden en artikel 1383 van dat wetboek preciseert dat eenieder aansprakelijk is niet alleen voor de schade welke hij door zijn daad, maar ook voor die welke hij door zijn nalatigheid of onvoorzichtigheid heeft veroorzaakt.

Uit die artikelen valt af te leiden dat de steller van een daad, van een nalatigheid of van een onvoorzichtigheid slechts aansprakelijk kan worden gesteld voor zover zijn daad of zijn verzuim een fout oplevert.

Opdat er sprake kan zijn van een fout, moet het bewijs worden geleverd van het bestaan van een onrechtmatige daad of verzuim, d.w.z. de miskenning van een verplichting of van een verbintenis die is opgelegd door de rechtsorde, meer bepaald, de wet, het reglement of een algemene voorzichtigheids- en omzichtig-heidsnorm.

In dat verband kan de daad, de nalatigheid of de onvoorzichtigheid, ook al is die bewezen, slechts als een fout worden aangemerkt waarvoor de dader aansprakelijk is, indien hij zich niet heeft gedragen als een normaal vooruitziend, zorgvuldige en omzichtige persoon die in dezelfde omstandigheden verkeert.

Om na te gaan of er in deze zaak sprake is van een fout van de belastingadministratie moet dus worden bekeken welke wettelijke opdrachten die administratie heeft wanneer zij de belastingplichtigen informatie moet geven over een beslissing van het Grondwettelijk Hof opdat zij eventueel op grond van die beslissing een beroep kunnen instellen.

Artikel 114 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 luidt echter als volgt:

"De arresten gewezen op beroepen tot vernietiging en op prejudiciële vragen, worden in hun geheel of bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad bekend gemaakt door toedoen van de griffier. Het uittreksel bevat de overwegingen en het beschik-kende gedeelte.

Het Hof draagt zorg voor de bekendmaking ervan in een officiële verzameling."

In dat verband zegt het Grondwettelijk Hof: "de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is het officiële middel waarmee de wetgever de daadwerkelijke toegang waarborgt tot de wettelijke normen en de arresten van het (Grondwettelijk) (H)of waarin de geldigheid van die normen wordt getoetst. De datum van bekendmaking van een arrest in het Belgisch Staatsblad is bijgevolg de datum waarop de burgers worden geacht van dat arrest kennis te hebben genomen".

De administratie is bovendien slechts verplicht de burger te informeren over de mogelijkheden om zich tot de rechter te wenden wanneer het om haar beslissingen of haar administratieve handelingen met een individuele strekking gaat, en dit overeenkomstig artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, dat meer bepaald de "actieve" openbaarheid regelt.

De wetgever, die de bevoegdheid heeft om af te wijken van een ongeschreven algemeen beginsel door in een welbepaalde aangelegenheid regelgevend op te tre-den, heeft dat dus wel degelijk gedaan om een regeling uit te werken voor de ver-eiste openbaarheid van de arresten van het Grondwettelijk Hof en voor de vereiste informatie aan de burger over hun beroepsmogelijkheden voor de rechter, zodat geen enkele algemene voorzichtigheids- en zorgvuldigheidsnorm de eiser, in beginsel, ertoe kan dwingen anders te handelen dan door de voormelde wetsbepalingen is voorgeschreven. Het arrest bevat trouwens geen enkele overweging op grond waarvan in deze zaak een afwijking van dat beginsel ge-rechtvaardigd kan worden.

Noch de wet, noch enig rechtsbeginsel gebiedt de administratieve overheid de bekendmaking van de arresten van het Grondwettelijk Hof in het Belgisch Staats-blad en in de door de wet vastgelegde officiële verzameling aan te vullen met een specifieke informatie of om de belastingplichtige op de hoogte te brengen van de eventuele beroepsmogelijkheden die de belastingplichtige heeft op grond van de uitspraak van dergelijke arresten.

Aangezien de administratie geen bijzondere zorg moet besteden aan het openbaar maken van een arrest van het Grondwettelijk Hof of aan de mededeling van de rechtsgevolgen ervan, begaat zij geen enkele fout of nalatigheid, in de zin van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek wanneer zij, zoals hier, geen maatregelen neemt om de belastingplichtigen te informeren over de fiscale gevolgen van een arrest van het Grondwettelijk Hof dat ingaat tegen voordien gevestigde aanslagen.

Aldus heeft het arrest, uit de vaststelling dat de [eiser] "niets [heeft] gedaan om een algemene informatiecampagne te lanceren of enige maatregel genomen - zoals het versturen van een toelichting bij de belastingaangifte of een persbericht - waardoor de betrokken hun rechtsmiddelen hadden kunnen instellen, hoewel hij wel degelijk wist dat een bepaald aantal belastingplichtigen op onwettige wijze waren belast en hij toegeeft dat het arrest van het Arbitragehof dat gewezen is op een prejudiciële vraag een afdoend bevonden nieuw feit is in de zin van artikel 376 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992", niet naar recht kunnen afleiden dat [de eiser] een fout heeft begaan, en miskent het bijgevolg het wettelijke begrip fout en nalatigheid (schending van de artikelen 1382 en 1383 van het Burgerlijk Wetboek en, voor zoveel als nodig, 114 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Uit artikel 114 van de wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof volgt dat de arresten gewezen op beroepen tot vernietiging en op prejudiciële vragen, in hun geheel of bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt door toedoen van de griffier en dat voornoemd hof ook zorg draagt voor de bekendma-king ervan in een officiële verzameling en een afschrift meedeelt aan de rechtscol-leges die erom verzoeken.

Krachtens artikel 2, 4°, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur vermeldt elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmoge-lijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen; bij ontstentenis neemt de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang.

In zoverre die bepalingen bijzondere maatregelen voor de openbaarheid voor-schrijven, leggen ze geen beperkingen op aan de verplichtingen van de eiser op grond van de artikelen 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek.

Het middel faalt naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Sylviane Velu, Martine Regout, Gustave Steffens en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 1 juni 2012 uitgesp-roken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van Erwin Francis en overgeschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Belastingadministratie

  • Arrest van het Grondwettelijk Hof

  • Geen informatiemaatregelen aan de belastingplichtigen

  • Verplichting van de fiscus