- Arrest van 4 juni 2012

04/06/2012 - C.10.0208.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst is geen vordering tot vrijwaring in de zin van artikel 2257 B.W. (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0208.N

TRAVHYDRO nv, met zetel te 6001 Marcinelle, avenue Emile Rousseau 40,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

KBC VERZEKERINGEN nv, met zetel te 3000 Leuven, Prof. Roger Van Overstraetenplein 2,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de verweerster woonplaats kiest,

in aanwezigheid van

1. AXA BELGIUM nv, met zetel te 1170 Watermaal-Bosvoorde, Vorstlaan 25,

2. T.D.V.,

3. K.B.,

partijen opgeroepen in bindendverklaring van het arrest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 12 juni 2008 en 2 april 2009.

De zaak is bij beschikking van de voorzitter van 3 april 2012 verwezen naar de derde kamer.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft op 2 april 2012 een conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel bekritiseert het oordeel van de appelrechters in het tussenarrest van 12 juni 2008 dat de vordering van de eiseres tegen de verweerster gesteund is op subrogatie, maar voert niet aan dat dit oordeel een weerslag heeft op de wettig-heid van de beslissing in het eindarrest van 2 april 2009 dat de vordering van de eiseres tegen de verweerster verjaard is, noch bekritiseert het deze beslissing.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

2. Krachtens artikel 86, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst geeft de aansprakelijkheidsverzekering de benadeelde een eigen recht tegen de verzeke-raar.

Krachtens artikel 34, § 2, eerste lid, Wet Landverzekeringsovereenkomst verjaart de vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verze-keraar heeft krachtens artikel 86 van deze wet door verloop van vijf jaar, te reke-nen vanaf het schadeverwekkend feit of, indien er misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Indien de benadeelde bewijst dat hij pas op een later tijdstip kennis heeft gekregen van zijn recht tegen de verzekeraar, begint, krachtens artikel 34, § 2, tweede lid, van dezelfde wet, de termijn pas te lopen vanaf dat tijdstip, maar verstrijkt hij in elk geval na verloop van tien jaar, te rekenen vanaf het schadeverwekkend feit, of indien er een misdrijf is, vanaf de dag waarop dit is gepleegd.

Artikel 2257, eerste en derde lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de verjaring niet loopt ten aanzien van een vordering tot vrijwaring, zolang de uitwinning niet heeft plaatsgehad.

3. De vordering die voortvloeit uit het eigen recht dat de benadeelde tegen de verzekeraar heeft krachtens artikel 86 Wet Landverzekeringsovereenkomst is geen vordering tot vrijwaring in de zin van artikel 2257 Burgerlijk Wetboek.

4. De subrogatie in de rechten van de benadeelde heeft tot gevolg dat de inde-plaatsgestelde de vordering van de benadeelde uitoefent met al haar kenmerken en toebehoren. Daaruit volgt tevens dat voor de indeplaatsgestelde de verjaringster-mijn van de rechtstreekse vordering tegen de aansprakelijkheidsverzekeraar aan-vangt op het ogenblik waarop zij voor de benadeelde begint te lopen.

5. Het onderdeel dat aanvoert dat de vordering die een in solidum veroordeelde aansprakelijke, bij subrogatie in de rechten van de benadeelde, tegen de verzekeraar van een medeaansprakelijke instelt, een vordering tot vrijwaring is in de zin van artikel 2257 Burgerlijk Wetboek zodat de verjaring niet kan beginnen lopen vooraleer de betrokken aansprakelijke door de benadeelde is aangesproken tot betaling, berust op een onjuiste rechtsopvatting.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel voert aan dat de door de eiseres op 28 oktober 2002 ingestel-de vordering tegen de verweerster tijdig was ingesteld in zoverre zij betrekking heeft op de bedragen die de eiseres aan Kevin Baeyens dient uit te betalen, omdat de verjaring van de rechtstreekse vordering die Kevin Baeyens tegen de verweer-ster had kunnen instellen, geschorst was tot aan zijn meerderjarigheid op 26 maart 2001.

7. De appelrechters beslissen in het tussenarrest van 12 juni 2008 dat de min-derjarigheid van Kevin Baeyens de verjaring van de rechtstreekse vordering niet schorst.

Het onderdeel dat niet gericht is tegen het tussenarrest, kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 910,67 euro en voor de verweerster op 171,24 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Koen Mestdagh, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 4 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Ria Mortier, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Eigen recht van de benadeelde tegen de verzekeraar

  • Aard