- Arrest van 5 juni 2012

05/06/2012 - P.11.0902.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing met redenen moet zijn omkleed, ook als er geen conclusie is, en dat de rechter, op een wijze die beknopt mag zijn, de voornaamste redenen moet vermelden die hem van de schuld of onschuld van de beklaagde hebben overtuigd, zonder dat die noodzakelijk betrekking moeten hebben op alle bestanddelen van het misdrijf; de redengeving kan bestaan in de vaststelling dat de beklaagde de gegrondheid van de strafvordering niet betwist (1). (1) Zie: Cass. 8 juni 2011, AR P.11.0570.F, AC 2011, nr. 391.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.0902.N

E. J. R. V.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Luc Gheysens, advocaat bij de balie te Kortrijk,

tegen

1. F. D.,

burgerlijke partij,

2. M. V.,

burgerlijke partij,

3. J. M.,

burgerlijke partij,

4. K. D.,

burgerlijke partij,

5. G. C.,

burgerlijke partij,

6. H. P.,

burgerlijke partij,

7. J. K.,

burgerlijke partij,

8. L. D.,

burgerlijke partij,

9. P. G.,

burgerlijke partij,

10. M. W.,

burgerlijke partij,

11. L. T., in eigen naam en in zijn hoedanigheid van gedelegeerd bestuurder van NACHTEGAEL nv,

burgerlijke partij,

12. D. V.,

burgerlijke partij,

13. J. C.,

burgerlijke partij,

14. J. O.,

burgerlijke partij,

15. P. G.,

burgerlijke partij,

16. G. O.,

burgerlijke partij,

17. L. S.,

burgerlijke partij,

18. O. B.,

burgerlijke partij,

19. L. D.,

burgerlijke partij,

20. P. F.,

burgerlijke partij,

21. C. D.,

burgerlijke partij,

22. G. V. C.,

burgerlijke partij,

23. C. C.,

burgerlijke partij,

24. G. V.,

burgerlijke partij,

25. C. C.,

burgerlijke partij,

26. P. D.,

burgerlijke partij,

27. G. V.,

burgerlijke partij,

28. M. D,

burgerlijke partij,

29. M. D.,

burgerlijke partij,

30. D. F.,

burgerlijke partij,

31. M. D.,

burgerlijke partij,

32. J. K.,

burgerlijke partij,

33. O. K.,

burgerlijke partij,

34. J. T.,

burgerlijke partij,

35. C. V.,

burgerlijke partij,

36. C. C.,

burgerlijke partij,

37. M. A.,

burgerlijke partij,

38. R. O.,

burgerlijke partij,

39. L. D.,

burgerlijke partij,

40. M. V.,

burgerlijke partij,

41. P. P.,

burgerlijke partij,

42. G. V.,

burgerlijke partij,

43. J. D.,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 14 maart 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verklaart de strafvordering met betrekking tot de heromschreven feiten van de telastleggingen B.I en B.II in hoofde van de eiser niet ontvankelijk en verleent hem ontslag van rechtsvervolging voor de feiten der telastlegging C.

Het tegen die beslissingen gerichte cassatieberoep is bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het arrest is wat betreft de burgerlijke rechtsvorderingen van de verweer-ders bij verstek gewezen.

Het tegen die beslissingen gerichte cassatieberoep, dat is ingesteld tijdens de ge-wone termijn van verzet, is niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van de artikelen 66, 67, 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek: het arrest kon uit de gemaakte vaststellingen niet afleiden dat P. H. dader was van de feiten der telastleggingen A.I.1-4 en A.II en de eiser me-dedader; uit die vaststellingen blijkt integendeel dat de eiser dader was en P. H. zedelijke mededader; het arrest stelt evenwel niet vast dat de eiser heeft ge-handeld met het vereiste bijzonder opzet.

4. Dader is hij die de constitutieve bestanddelen van het misdrijf in zijn per-soon verenigt, inclusief het voor het misdrijf vereiste moreel bestanddeel.

Deelnemer is hij die met opzet aan een misdrijf deelneemt op een bij de wet be-paalde wijze, zonder daarbij het misdrijf in al zijn bestanddelen te plegen.

5. Uit de vaststellingen van het arrest volgt niet dat de eiser alle constitutieve bestanddelen van het misdrijf valsheid in geschriften en gebruik ervan in zich ver-enigt. Het arrest stelt immers niet vast dat de eiser als dader heeft gehandeld met het vereiste bijzonder opzet.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Tweede middel

6. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 EVRM, artikel 149 Grond-wet en de artikelen 193, 196, 197 en 213 Strafwetboek: het arrest is niet regelma-tig met redenen omkleed omdat het met betrekking tot de telastleggingen A.I.1-4 en A.II niets vaststelt omtrent het mogelijk nadeel als bestanddeel: het arrest is bovendien intern tegenstrijdig door enerzijds de eiser schuldig te verklaren aan deze telastleggingen en anderzijds de burgerlijke rechtsvorderingen gesteund op sommige van die telastleggingen af te wijzen wegens de afwezigheid van een oor-zakelijk verband met de gevorderde schadevergoedingen.

7. Het bij artikel 6.1 EVRM gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak houdt in dat de beslissing met redenen moet zijn omkleed, ook als er geen conclusie is. De rechter moet de redenen vermelden die hem van de schuld of onschuld van de beklaagde hebben overtuigd. Hij moet daartoe op een wijze die beknopt mag zijn de voornaamste redenen opgeven, zonder dat die noodzake-lijk betrekking moeten hebben op alle bestanddelen van het misdrijf. De redenge-ving kan bestaan in de vaststelling dat de beklaagde de gegrondheid van de straf-vordering niet betwist.

8. Met een geheel van redenen verklaart het arrest (p. 52-56) de eiser schuldig aan de telastleggingen A.I.1-4 en A.II en vermeldt het aldus de voornaamste rede-nen waarom de appelrechters overtuigd zijn van eisers schuld. Bij afwezigheid van een conclusie met betrekking tot het ontbreken van het bestanddeel mogelijk nadeel, diende het arrest niet uitdrukkelijk te vermelden waarop is gesteund om het bestaan van dat bestanddeel aan te nemen.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

9. Het is niet tegenstrijdig eensdeels de telastleggingen van valsheid in ge-schriften en gebruik bewezen te verklaren en zo het bestaan van het misdrijfbe-standdeel mogelijk nadeel aan te nemen en anderdeels te oordelen dat sommige van de op die telastleggingen gesteunde burgerlijke rechtsvorderingen moeten worden afgewezen bij gebrek aan een oorzakelijk verband met de gevorderde schade.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

10. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 311,06 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 5 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Beslissing over de schuld

  • Verplichting te motiveren

  • Recht op een eerlijk proces