- Arrest van 5 juni 2012

05/06/2012 - P.11.2100.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het staat de rechter de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs dat de wet niet uitdrukkelijk uitsluit, te beoordelen in het licht van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan; een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid ervan wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht (1). (1) Zie: Cass. 23 maart 2004, AR P.04.0012.N, AC 2004, nr. 165.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2100.N

C. P. F. J.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Jan Ferlin, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

1. J. V.,

burgerlijke partij,

2. I. V., bus 203,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 22 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Luc Van hoogenbemt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 6 en 8 EVRM en van de Wet Verwerking Persoonsgegevens, evenals miskenning van het recht van verde-diging en de regels omtrent de bewijslast in strafzaken: de appelrechters doen met overname van de redenen van het beroepen vonnis de Antigoontoets betreffende de eventuele bewijsuitsluiting van onregelmatig verkregen bewijs; zij onderzoeken evenwel niet of het recht op een eerlijk proces niet werd miskend op basis van het feit dat de overheid die met de opsporing, het onderzoek en de vervolging van misdrijven is belast of de aangever al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan; aldus is de toets van de toelaatbaarheid van het verzamelde camera-beeldmateriaal niet correct uitgevoerd.

2. In zoverre het middel de Wet Verwerking Persoonsgegevens als geschonden aanwijst, zonder nauwkeurig aan te geven hoe en waardoor de bestreden beslis-sing de bepalingen van die wet schendt, is het onnauwkeurig, mitsdien niet ont-vankelijk.

3. Het staat de rechter de toelaatbaarheid van onrechtmatig verkregen bewijs dat de wet niet uitdrukkelijk uitsluit, te beoordelen in het licht van artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR, rekening houdende met de elementen van de zaak in haar geheel genomen, inbegrepen de wijze waarop het bewijs verkregen werd en de omstandigheden waarin de onrechtmatigheid werd begaan.

Een dergelijk bewijs, behoudens het geval van miskenning van een op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvorm, mag alleen worden geweerd wanneer de bewijsverkrijging is aangetast door een gebrek waardoor de betrouwbaarheid er-van wegvalt of waardoor het recht op een eerlijk proces in gevaar wordt gebracht.

De rechter kan bij zijn oordeel, onder meer, één of geheel van volgende omstan-digheden in afweging nemen: hetzij dat de overheid die met de opsporing, het on-derzoek en de vervolging van misdrijven is belast, al dan niet de onrechtmatigheid opzettelijk heeft begaan, hetzij dat de ernst van het misdrijf veruit de begane on-rechtmatigheid overstijgt, hetzij dat het onrechtmatig verkregen bewijs alleen een materieel element van het bestaan van het misdrijf betreft.

Het feit dat de rechter niet alle, in vorige alinea vermelde omstandigheden in af-weging neemt, maakt als dusdanig zijn oordeel nog niet onregelmatig.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. De appelrechters stellen met overname van de redenen van het beroepen vonnis onaantastbaar vast en oordelen dat:

- de verborgen private camera door de tweede verweerster en haar vriend, die hiervoor niet gemachtigd waren, eind december 2006 geplaatst werd op hun balkon na diverse beschadigingen aan hun beider voertuigen;

- de Wet Verwerking Persoonsgegevens niet voorziet in een autonome nietig-heidssanctie of uitsluiting van bewijsgegevens, verkregen met schending van die wet;

- gelet op de politionele vaststellingen de betrouwbaarheid van het bewijs even-min op welkdanige wijze werd aangetast;

- de camera gericht was op de persoonlijke voertuigen van de tweede verweer-ster en haar vriend zodat de inbreuk op de privacy van de voorbijgangers op de openbare weg uiterst minimaal was;

- de objectieve informatie die kon gedetecteerd worden van de persoon die de banden van de wagens doorprikte, slechts bijkomende randinformatie was zon-der strikt persoonlijk cachet en dit gedurende een korte tijdsspanne;

- de schending van de privacy slechts zeer geringe proporties aannam in verge-lijking met de substantiële materiële schade die door de vastgestelde misdrijven werd toegebracht.

Met die redenen verantwoorden de appelrechters hun beslissing naar recht dat de onrechtmatig verkregen camerabeelden weliswaar verkregen werden in strijd met eisers recht op privacy, maar niet als bewijs uit het debat dienen geweerd te wor-den.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering, evenals miskenning van het recht van verdediging: de appelrechters geven geen enkele bijkomende motivering waarom de door de eerste rechter uitgesproken straf onvoldoende was; er wordt niet louter verwezen naar de motivering van de eerste rechter maar zij wordt ook inhoudelijk overgenomen.

6. De rechter moet krachtens artikel 195 Wetboek van Strafvordering nauw-keurig, maar op een wijze die beknopt mag zijn, de redenen vermelden waarom hij dergelijke straf of dergelijke maatregel oplegt en moet de strafmaat rechtvaardigen voor elke uitgesproken straf.

Geen wetsbepaling schrijft voor dat een afzonderlijke motivering vereist is voor de keuze van de straf en het bepalen van de strafmaat. De maat van iedere straf of van iedere maatregel moet niet met een telkens verschillende motivering worden verantwoord.

Geen wetsbepaling schrijft voor dat de appelrechter, naast de motivering van de door hem uitgesproken straf, in het bijzonder motiveert waarom de door de eerste rechter opgelegde straf ontoereikend is.

Een zwaardere bestraffing op grond van een gelijkluidende motivering als deze van het beroepen vonnis is regelmatig mits de motivering voldoet aan de voor-waarden van de artikelen 195 en 211 Wetboek van Strafvordering.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

7. Voor het overige voldoen de appelrechters met de in het arrest vermelde re-denen aan de bijzondere motiveringsverplichting, bepaald bij artikel 195 Wetboek van Strafvordering.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Derde middel

8. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek, evenals miskenning van de bewijskracht van geschreven stukken: de eiser had in zijn appelconclusie gevraagd de door de eerste verweerder gevorderde materiële schade te herleiden wegens vetustiteit en zijn morele schade evenals de door de tweede verweerster gevorderde morele schade te herleiden tot 1 euro; aldus miskent het arrest dat stelt dat er cijfermatig in eisers conclusie geen bemerkingen worden gemaakt, de bewijskracht "van de stukken van het (straf)dossier".

9. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser voor de eerste rechter en voor de appelrechters een identiek verweer heeft gevoerd over de begroting van de aan de verweerders toekomende schadevergoeding.

10. De appelrechters oordelen dat:

- voor hen "door de raadsman van [de eiser] besluiten werden neergelegd waar-in de aan de eerste rechter voorgelegde middelen en argumenten worden her-nomen. Die besluiten bevatten echter geen grieven tegen de overwegingen van het bestreden vonnis op basis waarvan de eerste rechter tot de juiste conclusie komt dat de middelen van de [eiser], zowel wat de regelmatigheid van de be-wijsgaring als wat betreft de beoordeling ten gronde, niet kunnen worden aan-genomen. Vermits het in besluiten ontwikkelde verweer van de [eiser] reeds volledig en oordeelkundig door de eerste rechter werd beantwoord is het hof (van beroep) niet gehouden om datzelfde verweer nogmaals te ontmoeten."

- "de eerste rechter (...) oordeelkundig (heeft) beslist over de door de [verweer-ders] gevorderde vergoedingen van morele en materiële schade. Cijfermatig werden door de [eiser] in de voor dit hof (van beroep) neergelegde besluiten geen bemerkingen gemaakt."

Uit deze beide overwegingen samen blijkt dat de appelrechters oordelen dat de ei-ser in zijn appelconclusie geen andere cijfermatige bemerkingen heeft gemaakt dan deze die hij heeft aangevoerd voor de eerste rechter.

Aldus miskennen zij de bewijskracht van eisers appelconclusie niet.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

11. Het middel voert schending aan van artikel 2 Burgerlijk Wetboek, artikel 1022 Gerechtelijk Wetboek, de artikelen 162bis en 194 Wetboek van Strafvorde-ring en artikel 8 Tarief Rechtsplegingsvergoeding: de rechtsplegingsvergoeding is vanaf 1 maart 2011 ingevolge de koppeling aan het indexcijfer gestegen met tien punten; de appelrechters vermochten voor de procedure in eerste aanleg die da-teert van 25 maart 2010, aan de tweede verweerster geen rechtsplegingsvergoe-ding toekennen die hoger was dan het basisbedrag van 650 euro.

12. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de eerste rechter de eiser veroordeelde tot betaling van een rechtsplegingsver-goeding van 900 euro aan de tweede verweerster;

- de tweede verweerster in haar appelconclusie een rechtsplegingsvergoeding gevorderd heeft van 900 euro voor de procedure in eerste aanleg en van 990 euro voor de procedure in hoger beroep;

- de eiser geen enkel verweer heeft gevoerd omtrent de begroting van de gevor-derde rechtsplegingsvergoeding.

Aldus blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters verweer heeft gevoerd met be-trekking tot de begroting van de rechtsplegingsvergoeding.

Hij vermag dit verweer niet voor het eerst voor het Hof aan te voeren.

Het middel is niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

13. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 69,66 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 5 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Onrechtmatig verkregen bewijs

  • Toelaatbaarheid

  • Beoordeling door de rechter

  • Uitsluiting