- Arrest van 5 juni 2012

05/06/2012 - P.12.0107.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het tewerkstellen van werknemers op een wijze dat ze economisch worden uitgebuit is een tewerkstelling die in strijd is met de menselijke waardigheid als bedoeld in artikel 433quinquies, § 1, 3°, Strafwetboek.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0107.N

I

1. K. O. D. O.,

beklaagde,

2. R. S.,

beklaagde,

eisers,

met als raadsman mr. Tanja Van den Bossche, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

1. K. A.,

burgerlijke partij,

2. N. O. O.,

burgerlijke partij,

verweerders.

II

O. O.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Tim De Keukelaere, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

N. O. O., reeds vermeld,

burgerlijke partij,

verweerder.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 13 december 2011.

De eisers I voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eiser II voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Antoine Lievens heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van de cassatieberoepen

1. Met bevestiging van het beroepen vonnis ontslaat het arrest:

- de eiser I.1 van rechtsvervolging voor de telastleggingen C13, C14, C15, E en F;

- de eiseres I.2 van rechtsvervolging voor de telastlegging C12;

- de eiser II van rechtsvervolging voor de telastlegging C15.

In zoverre respectievelijk tegen die beslissingen gericht, zijn de cassatieberoepen bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

Middel van de eisers I

2. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 195 Wetboek van Strafvordering: het arrest beantwoordt eisers' in conclusie ontwik-kelde argumentatie niet met betrekking tot de inkomsten van het gezin; het ant-woordt evenmin op de objectieve gegevens die zich desbetreffende in het dossier bevinden en waarnaar de eisers verwezen hebben; met de redenen die het arrest bevat, geven de appelrechters geen blijk dat ze kennis genomen hebben van de door de eisers aan hun conclusie gevoegde stukken.

3. De rechter hoeft niet te antwoorden op stukken, maar enkel op een in con-clusie verwoord verweer.

In zoverre faalt het middel naar recht.

4. De rechter hoeft niet te antwoorden op argumenten die ter ondersteuning van een verweer zijn aangewend, maar zelf geen afzonderlijk verweermiddel zijn.

5. Met de in het middel vermelde argumenten, beoogden de eisers enkel te ar-gumenteren over hun verweer dat ze niet uit waren op geld en bijgevolg niet schuldig zijn aan mensenhandel.

6. Het arrest oordeelt met eigen redenen en met overname van de redenen van het beroepen vonnis dat:

- de bewering van de eisers niets te maken te hebben met de periode tussen 4 maart tot 26 april 2004, niet in overeenstemming te brengen is met de voor-melde gegevens;

- zonder de hulp van de eisers I, zoals dit blijkt uit de gegevens van het strafdos-sier, het plegen van de feiten niet mogelijk geweest was, ook niet in de periode van 4 maart tot 26 april 2004;

- het arbeidsloon van verweerder I.1 volledig werd gestort op de bankrekening van de eiser I.1 en deze verweerder geen enkele mogelijkheid had om zelf van deze rekening geld af te halen, zodat hij volledig afhankelijk was van het goed-dunken van de eiser I.1 om zijn arbeidsloon te krijgen.

Met die redenen beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

7. Wat de verbeurdverklaring van de vermogensvoordelen betreft, hebben de eisers I geconcludeerd over de becijfering ervan.

8. Het arrest beantwoordt dat verweer met het oordeel dat de vermogensvoor-delen in de oorspronkelijke dagvaarding nauwkeurig berekend werden aan de hand van de beschikbare gegevens van het strafdossier, waaronder deze van het uitgevoerde bankonderzoek en de coherente en geloofwaardige verklaringen van de verweerders I. Het oordeelt ook dat het bedrag van 3.978,74 euro eveneens dient te worden verbeurdverklaard daar de eiser I.1 dat bedrag, zijnde de helft van 7.986,66 euro, ontvangen heeft, zoals blijkt uit de verklaringen van de ver-weerder I.1.

In zoverre mist het middel evenzeer feitelijke grondslag.

Eerste middel van de eiser II

9. Het middel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen van het recht van verdediging en het vermoeden van onschuld: het arrest veroordeelt de eiser op grond van de eenzijdige verklaring van de burgerlijke partij en laat na bijkomende onderzoekshandelingen te bevelen; het weigert eveneens bijkomende stukken die werden neergelegd en die pertinent en van essentieel belang zijn, te beoordelen; het laat na de verklaringen van de eiser II en de verweerder II tegenover elkaar af te wegen.

10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser II om een bijkomend onderzoek heeft verzocht.

In zoverre mist het middel feitelijke grondslag.

11. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

Het middel is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel van de eiser II

12. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 195 Wet-boek van Strafvordering en de artikelen 3 en 8 Probatiewet, gelezen in samenhang met artikel 211 Wetboek van Strafvordering: het arrest weigert de straf geheel of gedeeltelijk met uitstel van de tenuitvoerlegging uit te spreken; die beslissing is niet gemotiveerd; noch het beroepen vonnis, noch het arrest beantwoorden eisers verweer ontwikkeld in zijn conclusie neergelegd op 18 januari 2010.

13. Het arrest oordeelt: "Terecht kende de eerste rechter aan de [eiser II] de gunstmaatregel van enig uitstel van de tenuitvoerlegging van voormelde bestraffing niet toe, gelet op de objectieve ernst der feiten, het bestaan van meerdere slachtoffers en de geruime tijd dat K. A. en N. O. O. in een gelijkaardige positie van lijfeigene ten aanzien van de [eiser II] dienden te werken."

14. De eiser II is vervolgd wegens mensenhandel en mensensmokkel enkel ten aanzien van de verweerder II en niet ten aanzien van de verweerder I.1 (telastleg-gingen A.2 en E).

15. Door aan te nemen dat het beroepen vonnis aan de eiser II de gunstmaatre-gel van enig uitstel van de tenuitvoerlegging van de straf terecht niet toestaat, ge-let op, onder meer, het bestaan van meerdere slachtoffers, en de geruime tijd dat K. A. en N. O. O. in een gelijkaardige positie van lijfeigene ten aanzien van de ei-ser II dienden te werken, is de beslissing niet naar recht verantwoord.

Het middel is gegrond.

Derde middel van de eiser II

16. Het middel voert schending aan van artikel 433quinquies, § 1, 3°, Strafwet-boek: het arrest verklaart de eiser schuldig wegens het misdrijf mensenhandel en oordeelt daartoe dat de verweerder II niet over de mogelijkheid of vrijheid be-schikte om over het loon waarvoor hij voltijds had gewerkt, te beschikken maar dat de eiser hem integendeel als een lijfeigene heeft behandeld; de vermelde wetsbepaling vereist als constitutief bestanddeel dat het aan het werk zetten van de persoon gebeurt in omstandigheden die in strijd zijn met de menselijke waar-digheid, waaronder verstaan wordt dat de arbeidsomstandigheden van de tewerk-gestelde persoon mensonwaardig moeten zijn.

17. Het tewerkstellen van werknemers op een wijze dat ze economisch worden uitgebuit is een tewerkstelling die in strijd is met de menselijke waardigheid als bedoeld in artikel 433quinquies, § 1, 3°, Strafwetboek.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

18. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis, oordeelt het arrest dat:

- de eiser II de verweerder II onmiddellijk na zijn aankomst in België, in de pe-riode van 1 mei 2007 tot 31 januari 2008, tewerk heeft gesteld onder de naam van de eiser II;

- het loon ingevolge de tewerkstelling van de verweerder II op de rekening van de eiser II werd gestort;

- het slachtoffer geen mogelijkheid had om zijn arbeidsloon van de rekening te halen want het was een medebeklaagde die beschikte over de bankkaart en de pincode verbonden aan de rekening;

- ook de stortingen gedaan door de ouders van de verweerder II aan het adres van de eiser II werden gedaan;

- het begrip "menselijke waardigheid" duidt op een kwalitatief niveau van leven dat door het respect van anderen wordt beschermd en een menselijk bestaan waarin basisvoorzieningen zijn verzekerd;

- dit begrip meer inhoudt dan de concrete arbeidsomstandigheden onder de-welke het slachtoffer dient te werken.

19. Met die redenen is de beslissing van het arrest dat de verweerder II werd tewerkgesteld in omstandigheden strijdig met de menselijke waardigheid, naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet aangenomen worden.

20. Voor het overige komt het middel volledig op tegen het onaantastbare oor-deel van de feiten door het arrest of verplicht het tot een onderzoek van feiten waarvoor het Hof niet bevoegd is.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

21. De onwettigheid van de beslissing over de tegen de eiser II uitgesproken straf, tast de wettigheid niet aan van de tegen die eiser uitgesproken schuldigver-klaring.

22. Voor het overige zijn de substantiële of op straffe van nietigheid voorge-schreven rechtsvormen in acht genomen en zijn de beslissingen overeenkomstig de wet gewezen.

Omvang van de cassatie

23. De vernietiging van de beslissing op de tegen de eiser II uitgesproken straf brengt de vernietiging mee van de beslissing waarbij het in hoofde van de eiser II verbeurdverklaarde bedrag van 5.689,64 euro wordt toegewezen aan de verweer-der II .

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het arrest in zoverre het uitspraak doet over de aan de eiser II opgeleg-de straf daarin begrepen de aan de eiser II opgelegde verbeurdverklaring van het vermogensvoordeel en over de bijdrage aan het Slachtofferfonds en in zoverre het, het in hoofde van de eiser II verbeurd verklaarde bedrag van 5.689,64 euro toe-wijst aan de burgerlijke partij, N. O. O..

Beveelt dat melding zal worden gemaakt van dit arrest op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Verwerpt de casssatieberoepen voor het overige.

Veroordeelt de eisers I tot de kosten van hun cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser II tot 2/3 van de kosten en laat de overige kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Bepaalt de kosten in het geheel op 341,58 euro waarvan op elk cassatieberoep 170,79 euro is verschuldigd.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Peter Hoet en Antoine Lievens, en op de openbare rechtszitting van 5 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bij-stand van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Mensenhandel

  • Constitutieve bestanddelen

  • Tewerkstelling in strijd met de menselijke waardigheid