- Arrest van 7 juni 2012

07/06/2012 - C.11.0498.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Een dagvaarding stuit de verjaring van de vordering die ze inleidt en van de vordering die virtueel daarin begrepen is; de eis tot betaling van een hoofdsom stuit hierdoor de verjaring van de eis tot betaling van de interest op die som (1). (1) Zie Cass. 12 jan. 2010, AR P.09.1266.N, AC 2010, nr. 20; zie ook Cass. 8 mei 2006, AR S.5.0005.F, AC 2006, nr. 259.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0498.N

G.V.T.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

H.D.T.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 2 maart 2011.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

1. Artikel 2277, vierde lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt dat interesten van ge-leende sommen, en, in het algemeen, al hetgeen betaalbaar is bij het jaar of bij kortere termijnen, verjaren door verloop van vijf jaren.

Krachtens artikel 2244 Burgerlijk Wetboek stuit een dagvaarding de verjaring van de vordering die ze inleidt en van de vordering die virtueel daarin begrepen is. De eis tot betaling van een hoofdsom stuit hierdoor de verjaring van de eis tot beta-ling van de interest op die som.

De stuiting van de verjaring door een dagvaarding duurt, behoudens anderslui-dende wetsbepaling, voort tijdens het gehele geding, dit is tot op de dag van de uitspraak van het vonnis of arrest dat een einde maakt aan het geding.

Het vonnis of arrest dat een provisie toekent aan de eiser, een onderzoeksmaatre-gel beveelt en de zaak naar de bijzondere rol verzendt, maakt geen einde aan het geding.

2. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat:

- de verweerder in zijn dagvaarding van 14 maart 1995 terugbetaling van de helft van de aankoopprijs van de voertuigen vorderde zonder interest op dat bedrag;

- de rechtbank van koophandel te Gent bij zijn vonnis van 10 november 1995 de eiser veroordeelde tot een provisie, de overlegging van stukken beval en de zaak naar de bijzondere rol verzond;

- het hof van beroep te Gent in zijn arrest van 24 april 1998 het vonnis van 10 november 1995 bevestigde.

3. Door te oordelen dat de rechtsmacht van de rechter niet uitgeput was wat betreft de interest, verantwoordt de appelrechter zijn beslissing dat de stuiting van de verjaring van de interest is blijven lopen na 24 april 1998, naar recht.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

4. De appelrechter wijst de vordering van de verweerder af voor zover deze betrekking heeft op het saldo van 4.957,87 euro, te vermeerderen met de interest.

5. In zoverre het onderdeel schending aanvoert van artikel 2247 Burgerlijk Wetboek omdat het vonnis van 10 november 1995 bevestigd door het arrest van 24 april 1998, het bedrag van 4.957,87 euro heeft afgewezen, heeft het geen be-lang en is het mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

6. Met zijn oordeel dat uit het feit dat de verweerder geen incidenteel beroep instelde en dat er door het hof van beroep uitspraak werd gedaan over de in beide aanleggen gevallen kosten, niet kan worden afgeleid dat er ten nadele van de ver-weerder enig onderdeel van zijn vordering werd afgewezen, geeft de appelrechter een uitleg van het arrest van 24 april 1998 die met de bewoordingen ervan niet onverenigbaar is en miskent hij evenmin het gezag van gewijsde van dit arrest en van het vonnis van 10 november 1995.

Het onderdeel mist in zoverre feitelijke grondslag.

7. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, oordeelt de appelrechter niet dat de verweerder opnieuw kon aanvoeren dat de voertuigen werden aangekocht voor het totaal bedrag van 78.086,46 euro, maar enkel dat de verweerder niet aanneme-lijk maakt dat hij de voertuigen tegen een andere prijs heeft aangekocht.

Het onderdeel berust in zoverre op een onjuiste lezing van het arrest en mist mits-dien feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 739,40 euro en voor de verweerder op 149,04 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 7 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bij-stand van griffier Kristel vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Dagvaarding

  • Omvang van de stuiting

  • Grenzen