- Arrest van 8 juni 2012

08/06/2012 - C.11.0735.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het vonnis dat het beroep tegen de administratieve beslissing die een geldboete en een stadionverbod oplegt, ontvankelijk verklaart op grond dat het verzoekschrift noch gemotiveerd noch gedagtekend moest zijn, is onwettig.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0735.N

BELGISCHE STAAT, minister van Binnenlandse Zaken,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

A. D.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de vonnissen in laatste aanleg van de politie-rechtbank te Charleroi van 8 juni 2010 en 24 mei 2011.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan waarvan het eerste als volgt is gesteld.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 31, § 1, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals het gold vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen;

- de artikelen 1034bis tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek, inzonderheid artikel 1034ter, 1° en 4°, van dat wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis van 8 juni 2010 verklaart het beroep ontvankelijk dat de verweerder heeft ingesteld tegen de administratieve beslissing van 9 augustus 2007 die hem een administratieve geldboete van 125 euro en een stadionverbod van drie maanden oplegt, dit om alle redenen die geacht worden hieronder integraal te zijn weergegeven en inzonderheid om de onderstaande redenen:

"(De verweerder) verklaarde in een ondertekend maar niet gedagtekend verzoekschrift dat op 4 september 2007 op de griffie van de rechtbank werd neergelegd ‘hoger beroep aan te tekenen tegen de beslissing van 9 augustus 2007' en voegde bij dat verzoekschrift de kennisgeving die hel op 13 augustus 2007 was gedaan van de administratieve beslissing van P.W., directeur van de FOD Binnenlandse Zaken, algemene directie veiligheids- en preventiebeleid, die was aangesteld krachtens artikel 2 van het koninklijk besluit van 11 maart 1999 tot vaststelling van de regels voor de administratieve procedure ingevoerd bij wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden. Die beslissing verklaarde de toepassing van artikel 23bis van de voornoemde wet bewezen ten laste [van de verweerder] en legde hem een administratieve sanctie op, zijnde een administratieve geldboete van 125 euro en een stadionverbod van drie maanden;

[De eiser] verklaarde [verweerders] beroep niet-ontvankelijk, of op zijn minst nietig, en voerde daartoe aan dat het verzoekschrift niet gedagtekend is, [verweerders] grieven tegen de administratieve beslissing niet vermeldt, zodat het verzoekschrift niet zou beantwoorden aan de in artikel 1034 van het Gerechtelijk Wetboek op straffe van nietigheid vermelde voorschriften, waaraan het, aldus [de eiser], zou moeten voldoen; daaraan voegde [de eiser] toe dat het gelaakte verzuim zijn belangen zou schaden, omdat hij, doordat hij niet wist of [de verweerder] de feiten zelf dan wel de uitgesproken straf betwist, schade zou lijden;

Artikel 31 van de voornoemde wet luidt als volgt:

‘De overtreder die de beslissing van de (in artikel 26, § 1 eerste lid), bedoelde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift, beroep aan bij de politierechtbank.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

Onverminderd de bepalingen in het eerste en tweede lid zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en het buitengewoon hoger beroep';

Hoewel het geen enkele twijfel lijdt dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing zijn op het beroep tegen de administratieve beslissing, zodra het voor de politierechtbank in ingesteld, is het evident dat, gelet op de formulering van het voornoemde derde lid, namelijk dat onverminderd de bepalingen in onder meer het eerste lid, volgens hetwelk het beroep wordt aangetekend bij wege van een verzoekschrift over de vorm en de inhoud waarvan niets wordt gepreciseerd, de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek niet gelden voor dat verzoekschrift en dus evenmin voor de akte waarbij het beroep voor de politierechtbank wordt ingesteld.

Het verzoekschrift moest dus noch gemotiveerd noch gedagtekend zijn maar het moest enkel de uiting bevatten van [verweerders] wil om het beroep dat hij wilde instellen tegen de administratieve beslissing die hem nadeel berokkende, aan de rechtbank voor te leggen.

Daar het verzoekschrift binnen een maand na de kennisgeving van de beslissing ter griffie was neergelegd en duidelijk betrekking had op die beslissing, waarvan een afschrift bij het verzoekschrift was gevoegd, samen met het originele exemplaar van de kennisgeving ervan, is het beroep ontvankelijk."

Grieven

Artikel 31, § 1, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden, zoals het gold vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 april 2007 houdende diverse bepalingen, luidde als volgt:

"De overtreder die de beslissing van de in artikel 26, eerste lid, bedoelde ambtenaar betwist, tekent op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift, beroep aan bij de politierechtbank.

Tegen de beslissing van de politierechtbank staat geen hoger beroep open.

Onverminderd de bepalingen in het eerste en tweede lid zijn de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek van toepassing op het beroep bij de politierechtbank en het buitengewoon hoger beroep."

Artikel 1034bis van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

"Indien de wet afwijkt van de algemene regel die voorziet in een inleiding van de hoofdvorderingen bij dagvaarding, wordt deze titel toegepast op de vorderingen die worden ingeleid bij een verzoekschrift dat aan de tegenpartij ter kennis wordt gebracht, behalve voor de vormen en vermeldingen die worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelijke bepalingen".

Het wordt gevolgd door de artikelen 1034ter tot 1034sexies.

Daaruit volgt dat het verzoekschrift, om rechtsgeldig het in artikel 31, § 1, van de wet van 21 december 1998 bedoelde beroep aanhangig te maken bij de politierechtbank, moet voldoen aan de vormvereisten die worden voorgeschreven door de artikelen 1034ter tot 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek.

Artikel 1034ter van het Gerechtelijk Wetboek luidt als volgt:

"Het verzoekschrift vermeldt op straffe van nietigheid :

1° de dag, de maand en het jaar;

2° de naam, de voornaam, het beroep, de woonplaats van de verzoeker en, in voorkomend geval, zijn hoedanigheid en inschrijving in het handelsregister of ambachtsregister;

3° de naam, de voornaam, de woonplaats en, in voorkomend geval, de hoedanig-heid van de persoon die moet worden opgeroepen;

4° het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering;

5° de rechter voor wie de vordering aanhangig wordt gemaakt;

6° de handtekening van de verzoeker of van zijn advocaat."

Uit het onderling verband tussen artikel 31, § 1, van de wet van 21 december 1998 en artikel 1034ter, 1° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek volgt dat het ver-zoekschrift dat niet gedagtekend is en dat geen korte samenvatting van de middelen van de vordering bevat, een beroep tegen de op grond van de wet van 21 december 1998 opgelegde administratieve sanctie niet rechtsgeldig aanhangig maakt bij de politierechtbank.

Het bestreden vonnis van 8 juni 2010 dat verweerders beroep tegen de administratieve beslissing van 9 augustus 2007 die hem een administratieve geldboete van 125 euro en een stadionverbod van drie maanden oplegt, ontvankelijk verklaart om alle in het middel weergegeven redenen en meer bepaald op grond dat "het verzoekschrift [...] noch gemotiveerd noch gedagtekend [moest] zijn maar het enkel de uiting [moest] bevatten van [verweerders] wil om het beroep dat hij wilde instellen tegen de administratieve beslissing die hem nadeel berokkende, aan de rechtbank voor te leggen", schendt de artikelen 31, § 1, van de wet van 21 december 1998, 1034bis en 1034ter, 1° en 4°, van het Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Krachtens artikel 31, § 1, eerste lid, van de wet van 21 december 1998 betreffende de veiligheid bij voetbalwedstrijden tekent de overtreder die de beslissing van de in artikel 26, § 1 eerste lid, van die wet bedoelde ambtenaar betwist, op straffe van verval binnen een termijn van een maand vanaf de kennisgeving van de beslissing, bij wege van verzoekschrift, hoger beroep aan bij de politierechtbank

Artikel 31, § 1, derde lid preciseert dat de bepalingen van het Gerechtelijk Wet-boek, onverminderd de bepalingen in het eerste lid, van toepassing zijn op het ho-ger beroep bij de politierechtbank.

Artikel 1034bis van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat indien de wet afwijkt van de algemene regel die voorziet in een inleiding van de hoofdvorderingen bij dagvaarding, titel Vbis van het Gerechtelijk Wetboek waarvan dat artikel het eer-ste is, wordt toegepast op de vorderingen die worden ingeleid bij een verzoek-schrift dat aan de tegenpartij ter kennis wordt gebracht, behalve voor de vormen en vermeldingen die worden geregeld door niet uitdrukkelijk opgeheven wettelij-ke bepalingen.

Krachtens artikel 1034ter, 1° en 4°, van dat wetboek bevat het verzoekschrift op straffe van verval de dag, de maand en het jaar alsook het onderwerp en de korte samenvatting van de middelen van de vordering.

Het bestreden vonnis van 8 juni 2010 dat zijn beslissing om het hoger beroep ont-vankelijk te verklaren steunt op de overweging dat "het verzoekschrift [...] noch gemotiveerd noch gedagtekend [moest] zijn", schendt de voornoemde wetsbepa-lingen.

Het middel is gegrond.

De vernietiging van het bestreden vonnis van 8 juni 2010 leidt bovendien tot de vernietiging van het vonnis van 24 mei 2011 dat het gevolg ervan is.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis van 8 juni 2010.

Doet het vonnis van 24 mei 2011 teniet.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde vonnis en van het tenietgedane vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de zaak naar de politierechtbank te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Sylvi-ane Velu, Martine Regout en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 8 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van ad-vocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Voetbalwedstrijden

  • Veiligheid

  • Administratieve geldboete

  • Stadionverbod

  • Beroep tegen de beslissing van de ambtenaar

  • Verzoekschrift