- Arrest van 12 juni 2012

12/06/2012 - P.11.1991.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 30, § 1 en § 2 (oud), Milieuvergunningsdecreet volgt dat het aanvangspunt van de termijn waarbinnen het proces-verbaal aan de overtreder ter kennis moet worden gebracht niet noodzakelijk de dag is waarop de feiten worden vastgesteld (1). (1) Zie de concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1991.N

I

E O Y M V,

beklaagde,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiser woonplaats kiest.

II

VERDOS nv, voor wie optreedt, mr. Laurent Balcaen, in zijn hoedanigheid van lasthebber ad hoc,

beklaagde,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eiseres woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 28 oktober 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest isgehecht, twee middelen aan.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft op 1 juni 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verleent ontslag van rechtsvervolging voor bepaalde telastleggin-gen.

In zoverre daartegen gericht is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 30, § 2 en 32, § 2 Milieuvergunningsdecreet: het arrest oordeelt ten onrechte dat de processen-verbaal opgesteld op grond van het Milieuvergunningsdecreet tijdig werden toegezonden aan de overtreders en bijzondere bewijswaarde hebben; daarbij laat het de termijn van toezending van vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding, ingaan vanaf de dag waarop de onderzoekers in staat zijn alle bestanddelen van het misdrijf met zekerheid te kennen en er geen twijfel meer bestaat omtrent de identiteit van de overtreder; nochtans bepaalt het decreet zelf wanneer de termijn voor toezending aanvangt, met name de vaststelling van de overtreding, en mag daarvan niet worden afgeweken om opzoekingen te doen over de bestanddelen van het misdrijf of de identiteit van de overtreder.

2. Artikel 30, § 1 en § 2 (oud), Milieuvergunningsdecreet bepaalt: "§ 1. Binnen de hen overeenkomstig artikel 29 toegewezen bevoegdheden, kunnen de bur-gemeester en de in artikel 29 bedoelde ambtenaren, mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen geven.

§ 2. Zij stellen de overtredingen vast door middel van processen-verbaal die be-wijskracht hebben tot het tegendeel bewezen is. Een afschrift van het proces-verbaal wordt bij aangetekend schrijven ter kennis gebracht van de overtreder binnen de vijf werkdagen na de vaststelling van de overtreding."

De decreetgever bepaalt aldus niet wat er moet verstaan worden onder "de va-ststelling van de overtreding" en ook niet het aanvangspunt van de termijn van vijf werkdagen om het proces-verbaal ter kennis te brengen.

3. Uit deze bepalingen volgt dat het aanvangspunt van de termijn waarbinnen het proces-verbaal aan de overtreder ter kennis moet worden gebracht niet noodzakelijk de dag is waarop de feiten worden vastgesteld. De toezichthoudende ambtenaren die een algemene opdracht van toezicht hebben voor de aangelegenheden geregeld in het Milieuvergunningsdecreet en in het bijzonder de bevoegdheid hebben om mondelinge of schriftelijke raadgevingen, aanmaningen en bevelen te geven, mogen wachten totdat zij in staat zijn alle bestanddelen van het misdrijf met zekerheid te kennen en er geen twijfel meer bestaat over de identiteit van de overtreder, alvorens over te gaan tot het opstellen van het proces-verbaal en de kennisgeving ervan aan de overtreder binnen de vijf werkdagen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

4. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbaar oordeel van de rechter over de aanvang van de termijn van vijf dagen waarbinnen van het proces-verbaal kennis moest worden gegeven, is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 36, § 2, Mestdecreet 1991: het arrest oordeelt ten onrechte dat de processen-verbaal opgesteld op grond van het Mestdecreet 1991 tijdig werden toegezonden aan de overtreders en bijzondere bewijswaarde hebben; daarbij laten zij de termijn van toezending van veertien da-gen na de vaststelling van de overtreding, ingaan vanaf de dag waarop de onder-zoekers in staat zijn alle bestanddelen van het misdrijf met zekerheid te kennen en er geen twijfel meer bestaat omtrent de identiteit van de overtreder; nochtans be-paalt het decreet zelf wanneer de termijn voor toezending aanvangt, met name de vaststelling van de overtreding, en mag daarvan niet worden afgeweken om op-zoekingen te doen over de bestanddelen van het misdrijf of de identiteit van de overtreder.

6. Artikel 36, § 2, Mestdecreet 1991 (oud) bepaalt: "De in artikel 35 bedoelde ambtenaren zijn bevoegd om in geval van overtreding proces-verbaal met bewijs-kracht tot het tegendeel bewezen is, op te stellen... Op straffe van nietigheid moet een afschrift van het proces-verbaal ter kennis van de overtreder gebracht worden binnen veertien dagen na de vaststelling van de overtreding."

De decreetgever bepaalt niet wat er moet verstaan worden onder "de vaststelling van de overtreding" en ook niet het aanvangspunt van de termijn van veertien da-gen om het proces-verbaal ter kennis te brengen.

7. Uit deze bepalingen volgt dat het aanvangspunt van de termijn waarbinnen het proces-verbaal aan de overtreder ter kennis moet worden gebracht niet noodzakelijk de dag is waarop de feiten worden vastgesteld. De toezichthoudende ambtenaren die een algemene opdracht van toezicht hebben voor de aangelegenheden geregeld in het Mestdecreet 1991 mogen wachten totdat zij in staat zijn alle bestanddelen van het misdrijf met zekerheid te kennen en er geen twijfel meer bestaat over de identiteit van de overtreder, alvorens over te gaan tot het opstellen van een proces-verbaal en de kennisgeving ervan aan de overtreder binnen de veertien dagen.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

8. In zoverre het onderdeel opkomt tegen het onaantastbare oordeel van de rechter over de aanvang van de termijn van veertien dagen waarbinnen van het proces-verbaal kennis moet worden gegeven, is het niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 30, § 2, en 32, § 2, Milieuvergunningsdecreet en artikel 36, § 2, Mestdecreet 1991: het arrest geeft de omstandigheden niet aan die voor gevolg hebben dat het proces-verbaal niet eerder kon worden opgesteld; het stelt niet vast dat alle bestanddelen van het misdrijf en de identiteit van de overtreder niet eerder vaststonden.

10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser voor de appelrechters heeft aangevoerd dat niet vaststaat dat de bestanddelen van het misdrijf voor de datum van het proces-verbaal niet eerder gekend waren.

Het onderdeel is nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 62, § 6, 1°, 5° en 7°, VLAREM I: het arrest veroordeelt de eisers op basis van een monsterneming van minder dan twee liter; de vormvereiste van artikel 62, § 6, VLAREM I, is weliswaar niet op straffe van nietigheid voorgeschreven, maar werd opgelegd met de bedoeling de intrinsieke waarde van het bewijs te waarborgen; het arrest dat de onregelmatigheid van de monsterneming vaststelt, past dan ook ten onrechte de Antigoon-toets toe, stelt vast dat de betrouwbaarheid van het bewijs niet is aangetast en het eerlijk proces is gevrijwaard, om te besluiten dat het bewijs mag worden aangewend.

12. De omstandigheid dat een bewijselement op onrechtmatige wijze werd ver-kregen, heeft in de regel slechts tot gevolg dat de rechter, bij het vormen van zijn overtuiging, dat gegeven rechtstreeks noch onrechtstreeks in aanmerking mag nemen:

- hetzij wanneer de naleving van bepaalde vormvoorwaarden voorgeschreven wordt op straffe van nietigheid;

- hetzij wanneer de begane onrechtmatigheid de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast;

- hetzij wanneer het gebruik van het bewijs in strijd is met het recht op een eerlijk proces.

13. De naleving van de bepalingen inzake de monsterneming (artikel 62, § 6, 1°, VLAREM I, zoals hier toepasselijk) is niet op straffe van nietigheid voorgeschre-ven.

14. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis (ro 68 tot 77) oorde-elt het arrest dat de bemonstering niet voldeed aan de wettelijke voorschriften van artikel 62, § 6, 1°, VLAREM I, zoals hier toepasselijk, maar ook dat de be-trouwbaarheid van de genomen stalen door de onregelmatigheid geenszins is aan-getast en dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces evenmin in het gedrang komen. Op die grond weigert het arrest het onregelmatig bewijs te weren.

Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest oordeelt enerzijds, met overname van de redenen van de eerste rechter, dat het proces-verbaal niet binnen vijf werkdagen ter kennis werd gebracht en bijgevolg geen bijzondere bewijswaarde heeft; anderzijds oordeelt het dat de vermelding in het proces-verbaal dat de eerste eiser werd ingelicht dat de monsters voor tegenexpertise ter beschikking bleven, bewijskracht heeft tot bewijs van het tegendeel; minstens is de beslissing tegenstrijdig.

16. Met overname van de redenen van het beroepen vonnis oordeelt het arrest (ro 16 van het arrest en ro 73 van het beroepen vonnis) dat het proces-verbaal van bemonstering niet tijdig werd toegezonden aan de overtreder binnen vijf werkda-gen, zoals voorgeschreven door artikel 62, § 6, 5°, VLAREM I. Het voegt daaraan toe dat daar minstens geen bewijs van voorligt, maar dat toch in de betrokken pro-cessen-verbaal uitdrukkelijk melding wordt gemaakt van het feit dat de eiser I werd ingelicht dat de monsters voor contra-analyse ter beschikking zouden ge-houden worden overeenkomstig artikel 62, § 6, 7° VLAREM I en dat deze ver-melding wettelijke bewijswaarde heeft tot bewijs van het tegendeel.

17. Met het gebruik van de termen "de betrokken processen-verbaal", geven de appelrechters aan dat er behalve het eigenlijke proces-verbaal van bemonstering nog andere processen-verbaal zijn die met de bemonstering verband houden en waarin melding wordt gemaakt van het feit dat de eiser I werd ingelicht over de mogelijkheid een contra-analyse te laten uitvoeren.

18. Het is niet tegenstrijdig enerzijds vast te stellen dat een proces-verbaal niet tijdig werd toegezonden en anderzijds vast te stellen dat de vermeldingen van een of meer andere processen-verbaal wettelijke bewijswaarde hebben.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

19. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 149,68 euro waarvan de eiser I en de eiseres II elk 74,84 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 12 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Milieuvergunningsdecreet

  • Vaststelling der overtredingen

  • Proces-verbaal

  • Kennisgeving aan overtreder

  • Tijdstip