- Arrest van 12 juni 2012

12/06/2012 - P.11.2036.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De wettelijke bewijsregeling wordt niet miskend door de rechter die het bewijs van het misdrijf “misbruik van vermogensgoederen” afleidt uit vermoedens, meer bepaald uit het feit dat op de rekening-courant van de beklaagde die een aansprakelijk orgaan van de vennootschap is, bedragen zijn opgenomen als zijnde door hem aangezuiverd en als een schuldvordering in zijn voordeel, terwijl die beklaagde over de realiteit van die aanzuivering geen verklaring kan geven (1). (1) Zie Cass. 13 maart 1973, AC 1973, 693.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2036.N

N H C N,

beklaagde,

eiser,

die als raadslieden heeft mr. Bernard Leterme, advocaat bij de balie te Kortrijk en mr. Patrick Arnou, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

1. R L,

burgerlijke partij,

2. P T,

burgerlijke partij,

3. AGENCE DEJAEGHER VASTGOED bvba, met zetel te 8500 Kortrijk, Doorniksesteenweg 123,

burgerlijke partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 8 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Raadsheer Alain Bloch heeft verslag uitgebracht.

Eerste advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis waar het de telastlegging B niet bewezen verklaart en de eiser daarvoor vrijspreekt en hem ontslaat van rechtsver-volging zonder kosten.

In zoverre is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en miskenning van het recht op een eerlijk proces: het arrest veroordeelt de eiser voor de telastlegging C en gebruikt daarbij de verklaring die hij op 4 juli 2007 aan de politie aflegde zon-der de bijstand van een raadsman en zonder voorafgaande verwittiging van zijn recht op dergelijke bijstand; dit verhoor werd gebruikt om aan te tonen dat de ge-failleerde VANO bvba haar betalingen zeker al op 1 januari 2002 had gestaakt en haar krediet aan het wankelen was, wat een onontbeerlijk constitutief element is van de telastlegging.

3. Het arrest oordeelt niet alleen zoals in het middel gesteld, maar eveneens dat:

- VANO bvba zich in staking van betaling bevond op 1 januari 2002, ogenblik waarop alle middelen voortvloeiende uit de verkoop van het onroerend patri-monium waren uitgegeven;

- de factuur van AGENCE DEJAEGHER VASTGOED bvba van 2 april 2001 niet betaald werd, waarna er een uitvoerbaar vonnis volgde op 19 september 2002;

- VANO bvba begin 2002 geen commerciële activiteiten, behoudens stockver-koop, meer ontwikkelde, zodat de eiser ongetwijfeld wist dat de schuldeisers niet meer zouden kunnen voldaan worden;

- de zetel van de firma werd overgeplaatst naar een locatie waar ze geen activi-teiten had;

- een groot deel van de omzet werd gerealiseerd door de verkoop van de be-drijfsterreinen, de gebouwen, de installaties, de uitrusting, het bureaumateriaal en het bedrijfsvoertuig; deze gelden werden gebruikt voor een laatste betaling aan de verweerders 1 en 2 op 31 december 2001.

4. Het arrest oordeelt verder: "Al deze vaststellingen tonen afdoende aan dat de vennootschap op 1 januari 2002 haar betalingen had gestaakt en dat haar krediet was gewankeld...." Aldus verantwoordt het de beslissing naar recht.

Het middel dat opkomt tegen een overtollige reden en niet tot cassatie kan leiden, is in zoverre niet ontvankelijk.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: de eiser had in een appelconclusie een afzonderlijk feitelijk middel aangevoerd namelijk dat er geen sprake kon zijn van de voor de ontdraging van vennootschapsgoederen noodzakelijke wetenschap van het betekenisvolle nadeel voor de vermogensbe-langen van de rechtspersoon en van die van zijn schuldeisers of vennoten en ook niet van bedrieglijk opzet, omdat hij bij de verkoop van het voorste gedeelte van het bedrijfsgebouw had gehandeld in overleg met zijn bank die als voorwaarde had gesteld dat met de opbrengst ook zijn persoonlijke lening zou worden afbe-taald; het arrest beantwoordt dat verweer niet.

6. Het arrest (p. 14) oordeelt "In hoofde van de [eiser] kon er immers geen twijfel over bestaan dat de aanwending van vennootschapsrechtelijke middelen voor de vermelde doeleinden, tot gevolg zou hebben dat minstens de [eerste ver-weerder] niet meer zou kunnen worden uitbetaald, nu de vennootschap de facto door de [eiser] zelf op non-actief werd geplaatst, de zetel werd overgebracht naar een locatie waar geen activiteiten meer werden ontwikkeld en de [eiser] een nieuwe activiteit aanvatte met een nieuwe vennootschap."

Aldus beantwoordt het arrest eisers verweer.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

Eerste onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR: het arrest verklaart de eiser schuldig omdat hij het bewijs niet levert dat hij eerder ten voordele van de vennootschap betalingen met eigen middelen heeft gedaan waardoor zijn rekening-courant ten opzichte van de rechtspersoon een schuldvordering in zijn voordeel vertoont; dergelijk bewijs door het ontbreken van verantwoording legt aan de eiser een bewijslast op die strijdig is met het vermoe-den van onschuld.

8. De wettelijke bewijsregeling wordt niet miskend door de rechter die het be-wijs van het misdrijf "misbruik van vermogensgoederen" afleidt uit vermoedens, meer bepaald uit het feit dat op de rekening-courant van de beklaagde die een aansprakelijk orgaan van de vennootschap is, bedragen zijn opgenomen als zijnde door hem aangezuiverd en als een schuldvordering in zijn voordeel, terwijl die beklaagde over de realiteit van die aanzuivering geen verklaring kan geven. Aldus legt de rechter aan die beklaagde geen onrechtmatige bewijslast op en miskent hij geenszins het vermoeden van onschuld.

Het onderdeel faalt naar recht.

Tweede onderdeel

9. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR: het arrest oordeelt dat de bewijsvoering middels een bewijs op grond van niet verstrekte verantwoording inhoudt dat wanneer kasgelden of inventaris-goederen die in de boekhouding vermeld zijn, niet in de onderneming terug te vinden zijn en de bestuurder daarvoor geen verantwoording kan geven, de rechter hieruit het bewijs van de ontdraging van die gelden of goederen kan afleiden; zo-als blijkt uit het arrest, waren die gelden of goederen wel in de onderneming voorhanden vermits zij vermeld zijn in de boekhouding en het staat het openbaar ministerie te bewijzen dat dit niet het geval is; door te oordelen dat de eiser moet aantonen dat hetgeen de boekhouding vermeldt met de werkelijkheid overeen-stemt, keert het arrest de bewijslast om.

10. Het onderdeel is geheel afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefse aanvoering dat de rechter uit het gebrek aan verantwoording door de eiser over de realiteit van de door hem uitgevoerde aanzuiveringen, geen bewijs van de ontdra-ging van vennootschapsgoederen kan afleiden.

Het onderdeel is in zoverre niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, alsook de miskenning van de bewijslast in strafzaken en het vermoeden van onschuld: het bewijs op grond van niet-verstrekte verantwoording levert enkel een vermoeden op dat moet kunnen weerlegd worden; de eiser toont aan dat het door hem gevoerde verweer niet van alle geloofwaardigheid is ontdaan; ten on-rechte legt het arrest de volle bewijslast op de eiser.

12. Het arrest oordeelt: "[de eiser] maakt het niet aannemelijk dat hij over een schuldvordering ten bedrage van minstens 50.446,33 EUR zou beschikt hebben ten aanzien van de bvba VANO".

Het onderdeel komt op tegen de beoordeling van de feiten door de rechter en is mitsdien onontvankelijk.

Vierde onderdeel

13. Het onderdeel voert schending aan van artikel 6.2 EVRM en artikel 14.2 IVBPR, artikel 149 Grondwet en de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwetboek, als-ook de miskenning van de bewijslast in strafzaken en het vermoeden van on-schuld: het arrest is tegenstrijdig waar het enerzijds oordeelt dat de eiser wel dege-lijk het bewijs levert dat een gedeelte van de bedragen die in zijn voordeel voor-komen in zijn rekening-courant, voortkomen uit reële betalingen die hij met eigen gelden ten voordele van de vennootschap heeft gedaan en anderzijds de telastleg-ging A (misbruik van vennootschapsgoederen) voor de volle 50.446,33 euro be-wezen acht en deze som integraal verbeurd verklaart; het arrest houdt aldus geen rekening met het door de eiser aangevoerde bewijs.

14. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat de eiser wordt vervolgd voor het misbruik van vennootschapsgoederen, namelijk 50.446,33 euro, te Wevelgem op 16 januari 2001.

15. Het arrest oordeelt: "Zelfs indien het hof zou aannemen dat alle stortingen en betalingen in de loop van 2000 - die worden opgesomd in besluiten en stukken - te aanzien zijn als zijnde stortingen en betalingen door de beklaagde persoonlijk voor rekening van de vennootschap, dan nog blijkt uit de voorgelegde R/C zaakvoerder per 31 december 2000 en 31 december 2001 dat de daaruit voortvloeiende schuldvordering van de [eiser] opzichtens de bvba VANO door laatstgenoemde reeds werd vereffend middels afname in 2000 van 214.878 BEF (...) en afname in 2001 van 1.481.982 BEF (...)."

16. Anders dan in het middel aangevoerd, houdt het arrest wel degelijk rekening met de door de eiser voorgelegde bewijsstukken. Het arrest stelt vast dat deze stukken geen betrekking hebben op het misbruik van de vennootschapsgoederen op 16 januari 2001.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vierde middel

17. Het middel voert schending aan van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Bur-gerlijk Wetboek en miskenning van de bewijskracht der akten: het arrest oordeelt dat de stukken die de eiser voorlegt geen betrekking hebben op de overdracht van 50.446,33 euro op 16 januari 2001 en dat de eiser voor de daarin vermelde vorde-ringen reeds was vergoed door andere afnames in 2000 en 2001; het arrest miskent de bewijskracht van de voorgelegde stukken doordat het aanneemt dat deze afnames vóór 16 januari 2001 plaatsvonden.

18. Het arrest legt de bedoelde stukken niet uit, maar beoordeelt enkel de be-wijslast ervan.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Vijfde middel

19. Het middel voert schending aan van artikel 211bis Wetboek van Strafvorde-ring: het arrest spreekt, zonder eenparigheid, voor de bewezen verklaarde telast-leggingen een schuldigverklaring uit en een effectieve verbeurdverklaring van 50.466,33 euro; daarentegen heeft het beroepen vonnis een straf en een verbeurd-verklaring met uitstel uitgesproken; het arrest spreekt bijgevolg een zwaardere straf uit en diende met eenparigheid te worden gewezen.

De eiser verzoekt het Hof de volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

"Schendt artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering, dat onder meer be-paalt dat de rechters in hoger beroep eenparig moeten beslissen wanneer zij de straf verzwaren, de artikelen10 en 11 van de Grondwet, indien deze wetsbepaling zo moet worden geïnterpreteerd dat:

- de aldaar opgelegde eenparigheid bij verzwaring van de straf niet is vereist wanneer diegene die in eerste aanleg werd veroordeeld enerzijds tot een volledig met uitstel opgelegde gevangenisstraf van zeven maanden en een evenzeer volledig met uitstel opgelegde geldboete van 2.000,00 euro, en anderzijds tot een eveneens volledig met uitstel opgelegde bijzondere verbeurdverklaring van 50.446,33 euro, nadien in hoger beroep wordt veroordeeld tot een eenvoudige schuldigverklaring en tot een volledig effectieve bijzondere verbeurdverklaring van 50.466,33 euro;

- terwijl de in artikel 211bis van het Wetboek van Strafvordering bepaalde eenpa-righeid wel vereist is wanneer diegene die in eerste aanleg tot identiek dezelfde volledig met uitstel opgelegde straffen werd veroordeeld, nadien in hoger beroep wordt veroordeeld tot dezelfde straffen als in eerste aanleg, met die uitzondering dat nu in hoger beroep één euro van de uitgesproken bijzondere verbeurdverkla-ring effectief wordt opgelegd;

- zodat dit er dan tot leidt dat er ten aanzien van diegene bij wie het werkelijk voelbare gevolg van zijn nieuwe veroordeling in hoger beroep erin bestaat dat hij één euro meer zal dienen te betalen dan na zijn veroordeling in eerste aanleg, wel eenparigheid vereist is, terwijl er ten aanzien van diegene bij wie het werkelijk voelbare gevolg van zijn nieuwe veroordeling in hoger beroep erin bestaat dat hij 50.446,33 euro meer zal dienen te betalen dan na zijn veroordeling in eerste aan-leg, geen eenparigheid vereist is ?"

20. Het is de hoofdstraf die de zwaarte van de straf bepaalt, zonder dat de bij-komende straffen in aanmerking dienen genomen te worden. Er is geen strafver-zwaring wanneer de appelrechter de door de eerste rechter opgelegde hoofdstraf-fen niet meer uitspreekt, maar enkel een eenvoudige schuldigverklaring, ook al behoudt hij voor de bijkomende straf zoals de verbeurdverklaring niet het uitstel van de tenuitvoerlegging ervan die de eerste rechter had verleend.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt naar recht.

21. De prejudiciële vraag gaat uit van die onjuiste rechtsopvatting en betreft geen gelijke rechtstoestanden die de wet ongelijk behandelt noch ongelijke rechts-toestanden die de wet gelijk behandelt.

Er is geen grond tot het stellen van de prejudiciële vraag.

Zesde middel

22. Het middel voert schending aan van de artikelen 42, 3° en 43bis Strafwet-boek: het arrest veroordeelt de eiser tegelijk tot de bijzondere verbeurdverklaring van 50.446,33 euro wederrechtelijk verkregen vermogensvoordelen en tot het be-talen aan de burgerlijke partijen van een daarmee corresponderende schadevergo-eding; aldus veroordeelt het arrest de eiser in feite tot een dubbele verbeurdverkla-ring; ten onrechte brengt het arrest de schadevergoeding die de eiser moet betalen niet in mindering van de verbeurdverklaring waartoe hij wordt veroordeeld.

23. De verbeurdverklaring van vermogensvoordelen is een straf. Een schade-vergoeding beoogt de vergoeding van de burgerlijke partij voor de uit het misdrijf opgelopen schade. De rechter dient bij de begroting met toepassing van artikel 42, 3°, Strafwetboek, van de vermogensvoordelen die uit het misdrijf zijn verkregen, geen aftrek te doen van de schadevergoeding waartoe de beklaagde wordt veroor-deeld.

Het middel faalt naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 116,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 12 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Misdrijf van misbruik van vermogensgoederen

  • Vermoedens