- Arrest van 12 juni 2012

12/06/2012 - P.12.0573.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Uit artikel 60 Strafwetboek volgt dat de rechter indien hij voor meerdere wanbedrijven onderscheiden straffen oplegt, hij in voorkomend geval de hoofd- en bijkomende straffen moet herleiden tot het dubbele van het maximum dat is bepaald voor het wanbedrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, behoudens in geval de wet anders bepaalt (1). (1) Zie Cass. 26 maart 1973, AC 1973, 746 en Cass. 18 okt. 2011, AR P.11.0500.N, AC 2011, nr. 554.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0573.N

G R L N B,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Raan Colman, advocaat bij de balie te Dendermonde,

tegen

1. T B,

burgerlijke partij,

2. J D D,

burgerlijke partij,

3. G S,

burgerlijke partij,

4. M S,

burgerlijke partij,

5. J V D B,

burgerlijke partij,

6. J S,

burgerlijke partij,

7. R-A D D,

burgerlijke partij,

8. E V H,

burgerlijke partij,

9. J L,

burgerlijk partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Dendermonde van 18 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Raadsheer Peter Hoet heeft verslag uitgebracht.

Eerste Advocaat-generaal Marc De Swaef heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest verwijst de zaak voor verdere afhandeling van de burgerlijke rechtsvorderingen naar de eerste rechter. Dit is geen eindbeslissing noch een uit-spraak in een der gevallen bedoeld in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Straf-vordering.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep voorbarig en mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste middel

2. Het middel voert schending aan van artikel 6.1 en 6.3.c EVRM en misken-ning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het bestreden vonnis houdt geen rekening met de omstandigheid dat de eiser niet werd bijge-staan door een advocaat bij zijn eerste verhoor; door het gebrek aan bijstand van een advocaat is eisers recht van verdediging miskend en moet de strafvordering onontvankelijk worden verklaard.

In ondergeschikte orde verzoekt de eiser de volgende prejudiciële vragen te stellen aan het Grondwettelijk Hof:

- "Schendt artikel 16, § 2 van de Wet op de Voorlopige Hechtenis het grondwettelijk legaliteitsbeginsel zoals verwoord in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens in zoverre zij worden geïnterpreteerd in die zin dat een persoon die onder dreiging staat te worden aangehouden geen bijstand verkrijgt van een raadsman ?"

- "Schendt artikel 16, § 2 van de Wet op de Voorlopige Hechtenis (artikel zoals in voege voor 1 januari 2012) de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenlezing met het artikel 6 van het EVRM en artikel 14 IVBPR voor zover dat een persoon die onder dreiging staat van zijn vrijheid te worden beroofd in het gerechtelijk arrondissement Dendermonde zich kan laten bijstaan door een raadsman vanaf 1 januari 2012 (en reeds vroeger sinds oktober 2011) terwijl een persoon die onder dreiging staat van zijn vrijheid te worden beroofd in het gerechtelijk arrondissement Dendermonde zich niet kan laten bijstaan door een raadsman indien de feiten voordeden voor 1 januari 2012, niettegenstaande de directe werking van de Salduz-doctrine ?"

3. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eiser dit verweer heeft gevoerd voor de appelrechters.

Het middel is nieuw en mitsdien niet ontvankelijk.

4. De prejudiciële vragen dienen bijgevolg niet te worden gesteld.

Tweede middel

5. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65 Strafwetboek, alsmede miskenning van het algemene rechtsbeginsel houdende het recht van verdediging.

6. In geen enkel van zijn onderdelen preciseert het middel hoe en waardoor het bestreden vonnis het recht van verdediging miskent.

In zoverre is het middel in elk van zijn onderdelen onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

7. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis ten onrechte oordeelt dat de verschillende misdrijven gepleegd op 10 oktober 2010 geen collectief misdrijf wegens eenheid van opzet opleveren op grond dat het vluchtmisdrijf tot doel had de eerder gepleegde misdrijven te verbergen; het opzet eerder gepleegde misdrij-ven te verbergen is bij vluchtmisdrijf geen constitutief bestanddeel.

8. Het bestreden vonnis oordeelt dat het vluchtmisdrijf voorwerp van de telast-legging B erop gericht was de eerder gepleegde misdrijven te verbergen door het plegen van een nieuw misdrijf. Met die redenen oordeelt het bestreden vonnis niet dat het opzet de eerder gepleegde misdrijven te verbergen een constitutief be-standdeel is van het vluchtmisdrijf, maar wel dat met dit opzet de eiser de bedoe-ling had zich te onttrekken aan de dienstige vaststellingen over de eerder gepleeg-de overtredingen op het Wegverkeersreglement en de Wegverkeerswet.

In zoverre berust het onderdeel op een onjuiste lezing van het bestreden vonnis en mist het feitelijke grondslag.

9. Uit de vaststelling dat eisers opzet was zich te onttrekken aan de dienstige vaststellingen, vermag het bestreden vonnis af te leiden dat er geen eenheid van opzet bestaat tussen de telastlegging B en de overige bewezen verklaarde telast-leggingen.

In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.

Tweede onderdeel

10. Het onderdeel voert aan dat het bestreden vonnis oordeelt dat er geen een-heid van opzet bestaat tussen de telastlegging C (een voertuig besturen spijts ver-val) en de overige telastleggingen, maar nalaat die beslissing te motiveren.

11. Met de redenen die het bevat (ro 6.1, 46ste en 47ste blad) legt het bestreden vonnis uit waarom voor die telastlegging C geen eenheid van opzet kan worden aangenomen met de telastlegging H.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

12. Voor het overige dient het bestreden vonnis bij afwezigheid van daartoe strekkende conclusie niet nader te motiveren waarom het oordeelt dat er geen eenheid van opzet bestaat met de overige feiten.

In zoverre kan het onderdeel niet worden aangenomen.

Derde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 65 Strafwetboek, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging: het Hof dient na te gaan of de rechter uit de door hem vastge-stelde feiten naar recht al dan niet eenheid van opzet heeft kunnen afleiden; het bestreden vonnis aanvaardt eenheid van opzet met betrekking tot de telastleggin-gen I, M, N, O, P en Q, alsmede met betrekking tot de telastleggingen J, K en L, en spreekt voor de telastlegging H een aparte straf uit; het bestreden vonnis moti-veert niet waarom niet al deze feiten, die nochtans op dezelfde dag werden ge-pleegd, niet door eenheid van opzet zijn verbonden.

14. Het middel preciseert niet hoe en waardoor het bestreden vonnis eisers recht van verdediging miskent.

In zoverre is het middel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

15. De rechter oordeelt in feite, en derhalve op onaantastbare wijze, over het be-staan van de eenheid van opzet dat het collectief misdrijf oplevert. Het Hof gaat enkel na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden aangenomen.

16. De omstandigheid dat meerdere misdrijven op dezelfde dag werden ge-pleegd, betekent niet dat zij daarom de opeenvolgende en voortgezette uitvoering van hetzelfde misdadig opzet zijn.

Het middel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt in zoverre naar recht.

17. Met de in het bestreden vonnis vermelde redenen (ro 6.1) motiveert het be-streden vonnis regelmatig zijn beslissing in verband met de toepassing van artikel 65, eerste lid, Strafwetboek op de in het middel aangehaalde bewezen verklaarde misdrijven, en verantwoordt het deze beslissing naar recht.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve middel

Geschonden wetsbepalingen

- artikel 60 Strafwetboek.

18. Artikel 60 Strafwetboek bepaalt dat bij samenloop van verscheidene wanbe-drijven alle straffen samen worden opgelegd, zonder dat zij evenwel het dubbele van het maximum van de zwaarste straf mogen te boven gaan.

19. Uit die bepaling volgt dat de rechter indien hij voor meerdere wanbedrijven onderscheiden straffen oplegt, hij in voorkomend geval de hoofd- en bijkomende straffen moet herleiden tot het dubbele van het maximum dat is bepaald voor het wanbedrijf waarop de zwaarste straf is gesteld, behoudens in geval de wet anders bepaalt.

20. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor de telastleggingen:

- A, D, E, F en G tot een hoofdgevangenisstraf van 5 jaar;

- B tot een hoofdgevangenisstraf van 4 jaar;

- C tot een hoofdgevangenisstraf van 9 maand;

- H tot een hoofdgevangenisstraf van 3 maand;

- J, K en L tot een hoofdgevangenisstraf van 6 maand,

hetzij in het totaal 9 jaar en 18 maand hoofdgevangenisstraf.

21. Het maximum van de zwaarste straf voor deze wanbedrijven wordt bepaald door de op de telastlegging A toepasselijke artikelen 418 en 419, tweede lid, Strafwetboek en bedraagt 5 jaar hoofdgevangenisstraf. De appelrechters die de door hen voor de voormelde wanbedrijven uitgesproken hoofdgevangenisstraffen niet herleiden tot het dubbel van het maximum van 5 jaar hoofdgevangenisstraf, schenden artikel 60 Strafwetboek.

22. Het bestreden vonnis veroordeelt de eiser voor de telastleggingen:

- B tot een vervangende vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van 30 dagen;

- C tot een vervangende vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van 30 dagen;

- H tot een vervangende vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van 30 dagen;

- I, M, N, O, P en Q tot een vervangende vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig van 30 dagen,

hetzij in het totaal voor 120 dagen vervangende vervallenverklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig.

Artikel 69bis Wegverkeerswet bepaalt het maximum van een vervangend verval van het recht tot het besturen van een motorvoertuig op 1 maand. De appelrechters die de voor deze in de wegverkeerswet bepaalde wanbedrijven uitgesproken ver-vangende vervallen tot het recht van het besturen van een motorvoertuig niet her-leiden tot het dubbel van het maximum van 1 maand, schenden artikel 60 Straf-wetboek.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering voor het overige

23. De hierboven vastgestelde onwettigheid tast de wettigheid niet aan van de schuldigverklaring noch van de uitgesproken straffen in zoverre zij onder meer het maximum van 10 jaar hoofdgevangenisstraf en 2 maand vervangende vervallen-verklaring van het recht tot het besturen van een motorvoertuig niet overtreffen.

24. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn voor het overige in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof

Vernietigt het bestreden vonnis in zoverre het totaal van de uitgesproken hoofd-gevangenisstraffen de 10 jaar hoofdgevangenisstraf te boven gaat en in zoverre het totaal van de uitgesproken vervangende vervallen van het recht tot het bestu-ren van een motorvoertuig de 2 maanden te boven gaat.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Veroordeelt de eiser in de vier vijfden van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige vijfde ten laste van de Staat.

Zegt dat er geen reden is tot verwijzing.

Bepaalt de kosten op 238,95 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit raadsheer Paul Maffei, als waarnemend voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 12 juni 2012 uitgesproken door waarnemend voorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van eerste advocaat-generaal Marc De Swaef, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden