- Arrest van 14 juni 2012

14/06/2012 - D.11.0020.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De voorzitter van de Nationale Raad en een rechtskundig assessor treden op als vertegenwoordiger van het beroepsinstituut om de eindbeslissing van de Kamer van Beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars voor het Hof van Cassatie te brengen.

Arrest - Integrale tekst

Nr. D.11.0020.N

BEROEPSINSTITUUT VAN VASTGOEDMAKELAARS, met zetel te 1000 Brussel, Luxemburgstraat 16b,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

M. V.W.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 149, bus 20, waar de verweerder woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de beslissing van de kamer van beroep van het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars van 28 juli 2011.

Raadsheer Beatrijs Deconinck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Guy Dubrulle heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De verweerder werpt een middel van niet-ontvankelijkheid op: het cassatie-beroep wordt ingesteld door "het Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars" terwijl artikel 9, §7, van de Kaderwet van 3 augustus 2007 betreffende de dienstverle-nende intellectuele beroepen bepaalt dat het cassatieberoep wordt ingesteld door de betrokkenen of door de voorzitter van de Nationale Raad samen met een rechtskundig assessor.

2. Hoewel krachtens de artikelen 702 en 703 Gerechtelijk Wetboek, de identi-teit van de rechtspersonen in een akte van rechtspleging voldoende wordt om-schreven door hun benaming, rechtskarakter en maatschappelijke zetel, treden die rechtspersonen slechts geldig in rechte op door hun bevoegde organen.

Krachtens artikel 9, §7, eerste lid, van de vermelde Kaderwet van 3 augustus 2007 kunnen de door de uitvoerende kamers of de verenigde uitvoerende kamers in laatste aanleg gewezen beslissingen, de eindbeslissingen van de kamers van beroep of van de verenigde kamers van beroep door de betrokkenen of door de voorzitter van de Nationale Raad samen met een rechtskundig assessor voor het Hof van Cassatie worden gebracht wegens schending van de wet of wegens schending van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen.

De voorzitter van de Nationale Raad en een rechtskundig assessor treden aldus op als vertegenwoordiger van het beroepsinstituut om de eindbeslissing van de Ka-mer van Beroep van het Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars voor het Hof van Cassatie te brengen.

3. Hoewel het cassatieberoep en het exploot tot betekening zijn opgemaakt ten name van "Beroepsinstituut van Vastgoedmakelaars", blijkt uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan dat de beslissing hiertoe genomen werd door de daartoe bij wet aangeduide bevoegde personen.

4. Het recht op een eerlijk proces wordt niet geschonden noch komt de onpar-tijdigheid en de onafhankelijkheid van de kamer van beroep van de eiser in het gedrang doordat de eiser als beroepsinstituut opkomt tegen beslissingen die door een van zijn kamers van beroep zijn gewezen.

Het middel van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Eerste onderdeel

5. De bestreden beslissing oordeelt niet dat het Hof geen wettigheidstoezicht kan uitoefenen.

Het onderdeel mits feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

6. Het onderdeel vraagt een onderzoek van de studieduur en de studieomvang van de postacademische opleiding die de verweerder heeft gevolgd en nodigt het Hof aldus uit tot een onderzoek van feiten waartoe het niet bevoegd is.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

7. Het onderdeel voert in werkelijkheid geen motiveringsgebrek aan maar een onwettigheid.

In zoverre het onderdeel artikel 149 Grondwet als geschonden aanwijst, is het niet ontvankelijk.

8. Het behoort de kamer van beroep om nauwgezet in feite de gelijkwaardig-heid van de diploma's te onderzoeken en te beoordelen. Het Hof gaat alleen na of de kamer van beroep uit de feiten en omstandigheden die zij vaststelt, geen gevol-gen trekt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen wor-den verantwoord.

De kamer van beroep stelt vast dat de inhoud van de lessencycli van de postaca-demische opleiding "Vastgoedrecht voor de Vastgoedpraktijk" grosso modo over-eenstemt met de lessencycli van gegradueerde in vastgoed.

De kamer van beroep verantwoordt aldus naar recht haar beslissing dat de beide diploma's als gelijkwaardig te beschouwen zijn in de zin van artikel 5, § 1, 1°, b), koninklijk besluit van 6 september 1993.

Het onderdeel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 912,90 euro en voor de verweerder op 260,70 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck, Alain Smetryns en Koen Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 14 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal Guy Dubrulle, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Vastgoedmakelaar

  • Beroepsinstituut van vastgoedmakelaars

  • Cassatieberoep

  • Eiser

  • Vertegenwoordiging