- Arrest van 15 juni 2012

15/06/2012 - C.11.0120.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

De partij die aanvoert dat de dagvaarding haar betekend had moeten worden op haar verblijfplaats in België en niet op haar woonplaats in het buitenland, zoals dat is gebeurd, moet bewijzen dat zij op het ogenblik van de betekening een verblijfplaats had in België en dat de betekenende partij daarvan op de hoogte was of had moeten zijn.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0120.F

M. D.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

G. F.,

Mr. Pierre Van Ommeslaghe, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van 30 augustus 2010 van het hof van beroep te Brussel.

Advocaat-generaal André Henkes heeft op 22 mei 2012 een conclusie neergelegd ter griffie.

Afdelingsvoorzitter Albert Fettweis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

De door de verweerder tegen dit onderdeel opgeworpen grond van niet-ontvankelijkheid: het onderdeel heeft geen belang:

De overweging van het arrest volgens welke "[de eiser] daarentegen geen enkel objectief gegeven aanvoert dat kan aantonen dat [de verweerder] niet bij zijn dochter en zijn echtgenote zou zijn blijven wonen zoals in 1999", kan niet worden gescheiden van de voorgaande overweging dat "uit de door [de eiser] overgelegde stukken blijkt dat hij de verblijfplaats [van de verweerder]" in België in 1999, ge-legen te Waver, ... , "wel degelijk kende", aangezien dit het adres was waarop een gerechtsdeurwaarder "op 13 april 1999 [aan de verweerder] in eigen persoon een dagvaarding heeft overhandigd", en kan evenmin worden gescheiden van de daaropvolgende overweging dat "hij de identiteit van de echtgenote kende [...] en dus makkelijk haar adres had kunnen opsporen [...] in Grez-Doiceau of omstre-ken, teneinde [in juni 2002] de gedinginleidende akte op de verblijfplaats en niet op het adres van een woonplaats in de Democratische Republiek Congo te doen betekenen".

De grond van niet-ontvankelijkheid kan niet worden aangenomen.

Gegrondheid van het onderdeel

Krachtens artikel 40, vierde lid, Gerechtelijk Wetboek, is de betekening in het buitenland ongedaan indien de partij op wier verzoek ze verricht is, de verblijf-plaats van degene aan wie betekend wordt, in België kende.

Luidens artikel 870 van datzelfde wetboek moet iedere partij het bewijs leveren van de feiten die zij aanvoert.

Bijgevolg moet de verweerder, die aanvoerde dat de dagvaarding hem betekend had moeten worden op zijn verblijfplaats in België en niet op zijn woonplaats in het buitenland, zoals dat is gebeurd, bewijzen dat hij op het ogenblik van de bete-kening in 2002 een verblijfplaats had in België en dat de eiser daarvan op de hoogte was of had moeten zijn.

Het arrest, dat oordeelt dat de eiser de verblijfplaats, in België, van de verweerder in juni 2002 kende, op grond dat aangetoond is dat de eiser de verblijfplaats, in 1999, van de verweerder bij zijn dochter en zijn echtgenote te Waver, ..., kende en dat "de [verweerder] die verblijfplaats daarna verlaten heeft", en dat "[de eiser] [...] geen enkel objectief gegeven aanvoert dat kan aantonen dat [de verweerder] niet bij zijn dochter en zijn echtgenote in België was blijven wonen [in 2002] zoals in 1999, zodat hij het adres had kunnen vinden, aangezien hij de identiteit van de echtgenote kende", en de verweerder ontslaat van de verplichting om aan te tonen dat hij op het ogenblik van de betekening een verblijfplaats had in België en dat de eiser die verblijfplaats kende of had moeten kennen, keert onwettig de bewijslast om en schendt bijgevolg artikel 870 Gerechtelijk Wetboek.

Het onderdeel is gegrond.

Overige grieven

Er bestaat geen grond tot onderzoek van het tweede onderdeel, dat niet kan leiden tot ruimere cassatie.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dat arrest het hoger beroep ont-vankelijk verklaart, het verzet met bevestiging van het beroepen vonnis ontvanke-lijk verklaart en de vordering van de verweerder tot betaling van schadevergoe-ding ongegrond verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door afde-lingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Didier Batselé, Martine Regout, Mireille Delange en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 15 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advo-caat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Beatrijs Deconinck en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Gekende verblijfplaats in België

  • Bekendheid

  • Bewijslast