- Arrest van 18 juni 2012

18/06/2012 - C.10.0692.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Ook al leidt de vernietiging van een arrest tot de vernietiging van een ander arrest dat daarvan het gevolg is, maakt het gevolg van een vernietiging t.a.v. de omvang van dat arrest geen middel uit (1). (1) Cass. 14 april 1994, AR 9592, AC 1994, nr. 176.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.10.0692.F

J. B.,

Mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. AG INSURANCE nv,

2. AXA BELGIUM nv,

Mr. Isabelle Heenen, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van 15 januari 2008, 20 april 2009 en 19 april 2010 van het hof van beroep te Bergen.

De zaak is bij beschikking van 23 april 2012 van de eerste voorzitter verwezen naar de derde kamer.

Voorzitter Christian Storck heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht Michel Palumbo heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 1134, 1165, 1168, 1176, 1178, 1179, 1181, 1184 en 1582 van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 8, 9, 10, vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 juni 1992, en 79 van de Hypotheekwet van 16 december 1851;

- de artikelen 1, 20 en 36 (vóór de opheffing ervan bij de wet van 25 juni 1992) van de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel;

- de artikelen 17, § 1 en 4, en 19, § 2, van het koninklijk besluit van 1 februari 1988 betreffende de verzekering tegen brand en andere gevaren, wat de eenvoudige risico's betreft.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden arrest van 19 april 2010 verklaart het hoofdberoep van de verweersters gegrond en het incidenteel beroep van de eiser ongegrond, vernietigt alle beschikkingen van het beroepen vonnis, behalve in zoverre dat vonnis de oor-spronkelijke vordering van de eiser ontvankelijk had verklaard en wat betreft de hem terug te betalen kosten, wijzigt voor het overige het vonnis en doet uitspraak bij wege van nieuwe beschikkingen, waarbij het arrest de verweersters, elk voor de helft, veroordeelt om aan de eiser, voor de verkoopwaarde van het gebouw, een definitief bedrag van 814.684,25 euro te betalen, met inbegrip van de voorlopige veroordelingen die met betrekking tot dat gebouw reeds waren uitgesproken, vermeerderd met de moratoire interest vanaf 13 februari 2010 tot de algehele betaling, van welk bedrag 544.313,55 euro moet worden afgetrokken, vermeerderd met de interest tegen de wettelijke rentevoet vanaf de datum van de uitbetalingen, om de volgende redenen:

"Het hof van beroep moet nog de vergoeding bepalen die aan de eiser verschuldigd is voor de schade aan zijn gebouw, los van de leegstand waarover reeds uitspraak is gedaan;

In dat verband moet nu reeds erop gewezen worden dat de provisionele bedragen, die al zijn toegekend in twee voorgaande arresten, gegrond zijn op hypotheses, respectievelijk van wederopbouw en herstelling van het beschadigde gebouw, die in het licht van de huidige omstandigheden opnieuw onderzocht zullen moeten worden;

In een vorig arrest werd reeds erop gewezen dat de eiser, van zijn verzekeraars, de vergoeding van zijn schade moet vorderen op grond van artikel 4 van de algemene voorwaarden van zijn verzekeringspolis, volgens hetwelk het bedrag van de vergoeding, in geval van wederopbouw, gelijk is aan de nieuwwaarde van het gebouw en, in geval van herstelling van het beschadigde gebouw, gelijk is aan een ander bedrag dat door een complexe berekening bepaald zal worden;

Hetzelfde artikel bepaalt daarenboven dat de schadeloosstelling, bij gebrek aan wederopbouw of herstelling, plaatsvindt 'op grond van de verkoopwaarde van het gebouw, na aftrek van de waarde van het terrein';

Te dezen werd aan de eiser in het arrest van 4 oktober 2004 reeds akte verleend van het feit dat hij definitief afzag van de wederopbouw van zijn in brand gestoken zaak;

De eiser blijft daarentegen schadeloosstelling vorderen op grond van een wedersamenstelling van de waarde van zijn gebouw, door zich te beroepen op de koop, onder opschortende voorwaarde, van flatgebouwen in Oostende, het eerste voor een bedrag van 618.000 euro, op grond van een voorlopige koopovereenkomst van 4 mei 2005, en het tweede voor een bedrag van 825.000 euro, op grond van een voorlopige koopovereenkomst van 25 september 2007;

Er moet gewezen worden op het feit dat de eiser reeds een andere voorlopige koopovereenkomst had gesloten, met name op 8 december 2004, voor de aankoop van een flatgebouw te Koekelberg; die koop is gerechtelijk ontbonden, omdat de huidige procedure de zaak heeft lamgelegd en hij bijgevolg niet in staat was de prijs te betalen;

De vraag is dus of de eiser aanspraak kan maken op de vergoeding die verschuldigd is in geval van herstelling van zijn beschadigde eigendom of dat hij zich moet tevredenstellen met de verkoopwaarde waarop hij, bij gebrek aan wederopbouw of herstelling, krachtens de polis recht heeft;

Zoals deze kamer reeds heeft gepreciseerd in zijn arrest van 15 januari 2008, moet de eiser in dit geval aantonen dat de geplande aankopen ook daadwerkelijk zullen kunnen doorgaan;

Het hof van beroep had in hetzelfde arrest reeds beklemtoond dat te vrezen viel dat de geplande aankopen niet zouden doorgaan, gelet op de vele beslagen onder derden die de schuldeisers van de eiser bij de verzekeraars van laatstgenoemde hadden gelegd;

Nog steeds in hetzelfde arrest had het hof de eiser reeds verzocht toe te lichten hoe hij dacht zijn aankopen te kunnen financieren, aangezien het hof van beroep die beslagen onder derden niet kon betwisten en een hypothecaire schuldeiser evenmin kon verplichten van zijn oorspronkelijke waarborgen af te zien en zijn hypotheek op de pas aangekochte panden over te brengen;

Er moet worden vastgesteld dat de eiser geen gewag maakt van onderhandelingen met zijn hypothecaire schuldeiser en nog minder dat hij met zijn hypothecaire schuldeiser een akkoord heeft bereikt teneinde de geplande aankopen te financieren met de uitgekeerde verzekeringspremies;

Het dient te worden onderstreept dat de naamloze vennootschap Fortis Bank, de hypothecaire schuldeiser, op 4 november 2002 ook derdenbeslag heeft laten leggen op een bedrag van 1.058.830,98 euro, vermeerderd met een bedrag van 212,25 euro per dag te rekenen van 5 oktober 2002 ;

[De eiser bewijst evenmin, door middel van recente stukken, dat de verkopers nog steeds bereid zijn om de authentieke akten te verlijden en hun eigendommen nog niet aan derden hebben verkocht;

In die omstandigheden blijkt niet dat de eiser nog schijn van kans heeft om zijn aankopen te verwezenlijken;

De eiser heeft bijgevolg, overeenkomstig artikel 4 van de algemene voorwaarden van de verzekeringspolis, slechts recht op de verkoopwaarde van zijn gebouw op het ogenblik van het schadegeval, na aftrek van de waarde van het terrein".

Het bestreden arrest van 15 januari 2008 had voordien het debat heropend zodat de eiser uitleg kon verschaffen over de mogelijkheid om zijn onroerend vermogen geheel of gedeeltelijk weder op te bouwen en de partijen het hof van beroep in staat zouden stellen, in voorkomend geval, de werkelijke waarde of de verkoopwaarde van het betrokken pand te schatten, om de volgende redenen:

"Artikel 4, c), van de 'gemeenschappelijke voorwaarden' van de verzekeringsovereenkomst bepaalt met name dat, indien de verzekerde afziet van de wederopbouw van het beschadigde gebouw maar de vergoeding voor de schade aan dat gebouw aanwendt voor de aankopen van een ander gebouw in België, het bedrag van de schade bepaald wordt op grond van de nieuwwaarde van het beschadigde gebouw, voor zover het bedrag dat gebruikt wordt voor de aankoop van het nieuwe gebouw op zijn minst gelijk is aan die nieuwwaarde; indien het bedrag dat aangewend wordt voor de aankoop van het nieuwe gebouw lager is dan de nieuwwaarde van het beschadigde gebouw maar hoger is dan de helft van die nieuwwaarde, is de vergoeding gelijk aan die welke verschuldigd is voor het be-schadigde gebouw, berekend op grond van de nieuwwaarde;

In dit geval wordt niet betwist dat de nieuwwaarde van het verzekerde gebouw 1.060.860 euro bedroeg. De verweersters blijven echter in gebreke enige aanwijzing te geven over de werkelijke waarde en de verkoopwaarde van dat gebouw, hoewel de laatste heropening van het debat hierover handelde;

De eiser vordert voor het hof van beroep thans op grond van voormeld artikel 4, c), en op grond van de onderhandse akten die hij bij zijn dossier voegt, de hierboven bedoelde nieuwwaarde, met name een bedrag van 1.060.860 euro, vermeerderd met een vergoeding voor leegstand, met name 44.472,10 euro, en de interest vanaf 20 november 1990, met name 1.136.490 euro, wat nog neerkomt op een totaalbedrag van 2.241.828,10 euro. Gelet op de betaalde bedragen ter waarde van 544.313,53 euro, en gelet op de interest hierop, zou hij naar eigen zeggen recht hebben op een saldo van 1.606.422,20 euro ;

De door hem aangevoerde onderhandse akten vermelden dat hij nog te bouwen appartementen in Oostende zal kopen tegen de prijs van 825.000 euro (overeenkomst gesloten met de naamloze vennootschap Depoorter Immobiliën) en 618.000 euro exclusief belasting op de toegevoegde waarde (overeenkomst gesloten met de naamloze vennootschap Valerie Invest). In tegenstelling tot wat de maatschappijen beweren in hun conclusies, blijkt niet dat de laatstgenoemde overeenkomst zou zijn ontbonden;

[...] De [verweersters] betogen dat de reeds uitgesproken voorlopige ver-oordelingen hun verplichtingen te boven gaan en beweren dat zij aan de eiser dus niets meer verschuldigd zijn;

Zij betogen dat hun verzekerde alleen voorlopige koopovereenkomsten kan voorleggen die geen uitwerking hebben ten aanzien van derden, temeer daar zij zijn gesloten onder een opschortende voorwaarde die uitgerekend betrekking heeft op de toekenning van de verzekeringsvergoedingen, waarvan de koper beweert dat zij hem verschuldigd zijn. De verkoop van een onroerend goed aan hun verzekerde zou volgens de verweersters hen pas kunnen worden tegengeworpen na overschrijving van de authentieke koopakte;

De overeenkomst zelf bepaalt echter dat de vergoeding betaald wordt 'bij aankoop van het gebouw' (zie artikel 6), wat moet worden begrepen als de datum waarop die verkoop tussen de contracterende partijen plaatsvindt en niet als de datum waarop de authentieke akte wordt overgeschreven;

Daarenboven wordt aangenomen dat de eigenaar van een tegen brand verzekerd gebouw niet verplicht is kosten te maken voor de wederopbouw van zijn pand alvorens de vergoedingen van de verzekeringsmaatschappij te kunnen ontvangen. Er is geen enkele reden waarom dit anders zou zijn wanneer de verzekerde het uitgebrande pand niet wil heropbouwen maar verkiest om zijn onroerend vermogen weder samen te stellen door een ander pand te kopen;

De overeenkomst wordt echter niet te goeder trouw uitgevoerd wanneer de verzekerde alleen maar de wens hoeft te uiten dat hij opnieuw een onroerend vermogen wil samenstellen; dat voornemen kan pas een invloed hebben op het bedrag die de verzekeraar hem in voorkomend geval verschuldigd is als het reali-seerbaar blijkt;

In dit geval valt te vrezen dat de eiser, aangezien er bij de verzekerings-maatschappijen reeds beslag is gelegd op de vergoedingen die zij in voorkomend geval aan de eiser zouden moeten betalen, nooit in staat zal zijn de in de aangevoerde voorlopige koopovereenkomsten bepaalde bedragen te betalen. In elk geval moet worden vastgesteld dat hij geenszins toelicht hoe hij zijn koopplannen denkt te kunnen financieren, gelet op die uitvoerende beslagen. In dat verband is het hof van beroep niet bevoegd om zijn hypothecaire schuldeiser te verplichten van zijn oorspronkelijke waarborgen af te zien en zijn bestaande hypotheek over te brengen op de pas gekochte gebouwen. De eiser dient, maar verzuimt, te bewijzen dat hij een dergelijke oplossing met de schuldeiser heeft onderhandeld. In de huidige staat van de zaak lijkt hij dus geen aanspraak te kunnen maken op een vergoeding die gelijk is aan de nieuwwaarde van het verzekerde gebouw;

De verweersters beweren echter ten onrechte dat zij, bij gebrek aan wederopbouw of herstelling van de eigendom, niets verschuldigd waren. Integendeel, zij waren op zijn minst een vergoeding verschuldigd die overeenkomt met de verkoopwaarde van het gebouw en die, overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst, moest zijn betaald 'binnen de dertig dagen na de afhandeling van het schadegeval';

De partijen hebben geen uitleg verschaft over de interpretatie die aan dat onduidelijke beding moet worden gegeven : kan 'afhandeling' van een schadegeval iets anders betekenen dan de betaling van de verschuldigde vergoeding?

De eiser moet vooral een antwoord geven op de vraag in welke mate hij zijn onroerend vermogen, geheel of gedeeltelijk, weder samen kan stellen en de partijen moeten het hof van beroep in staat stellen, in voorkomend geval, de werkelijke waarde of de verkoopwaarde van het betrokken gebouw te beoordelen;

Bij gebrek aan verduidelijkingen van al die punten, ziet het hof van beroep zich genoodzaakt het debat opnieuw te heropenen".

Het bestreden arrest alvorens recht te doen van 20 april 2009 benoemt de heer J.L., architect, als deskundige en gelast hem om, na alle dienstige inlichtingen te hebben vergaard, zo nodig met de medewerking van de door hem gekozen specialisten, overeenkomstig artikel 962 van het Gerechtelijk Wetboek de partijen en hun raadslieden te horen en de verkoopwaarde en de werkelijke waarde van het beschadigde gebouw gelegen te Edingen, ..., te schatten.

Grieven

Eerste onderdeel

Luidens artikel 1 van de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel, is de verzekering een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich, tegen betaling van een premie, ertoe verbindt de verzekerde schadeloos te stellen wegens de verliezen of schade die deze door onzekere voorvallen of overmacht zou kunnen lijden. Het verhoopte voordeel mag worden verzekerd in de gevallen voorzien bij de wet.

Artikel 20 van die wet bepaalt dat, in elke verzekering, de schadevergoeding in geval van ramp geregeld wordt naar de waarde van het voorwerp op het ogenblik van de ramp.

Luidens artikel 36 van dezelfde wet, vóór de opheffing ervan bij de wet van 25 juni 1992, wordt, in geval van brand in bebouwde eigendommen, de ondergane schade geschat door de vergelijking van de waarde van het gebouw vóór de ramp met de waarde van hetgeen dat dadelijk daarna overblijft.

Volgens artikel 36, tweede lid, wordt zij in geld betaald, tenzij de heropbouw van de gebouwen zelf in de verzekering bedongen is geworden.

In het laatste geval moet de verzekerde op kosten van de verzekeraars herbouwen of herstellen, binnen een tijd die desnoods door de rechter bepaald zal worden; de verzekeraar heeft het recht erover te waken dat de som waartoe hij verbonden is te dien einde aangewend wordt (derde lid van artikel 36).

De partijen kunnen in voorkomend geval overeenkomen dat de schadeloosstelling geschiedt door middel van de aankoop van een vervangingsgoed.

Die mogelijkheid is overigens uitdrukkelijk voorzien in artikel 17 van het koninklijk besluit van 1 februari 1988 betreffende de verzekering tegen brand en andere gevaren, wat de eenvoudige risico's betreft. De eerste paragraaf van dat artikel bepaalt dat, onverminderd de toepassing van de andere bepalingen van dat besluit die een vermindering van de vergoeding toelaten, de vergoeding niet minder mag zijn dan:

- in geval van verzekering tegen nieuwwaarde, 80 pct. van deze waarde na aftrek van slijtage;

- in geval van verzekering tegen aangenomen waarde, deze waarde;

- in de andere gevallen naargelang de bepalingen van de overeenkomst, de verkoopwaarde, de kostprijs, de dagwaarde of de werkelijke waarde,

en voegt in de vierde paragraaf hieraan toe dat indien evenwel de wederopbouwprijs of de vervangingswaarde lager ligt dan de vergoeding voor het beschadigde gebouw, berekend in nieuwwaarde op de dag van het schadegeval, de vergoeding minstens gelijk is aan deze wederopbouw- of vervangingswaarde verhoogd met 80 pct. van het verschil tussen de oorspronkelijk voorziene vergoeding en deze wederopbouw- of vervangingswaarde, verminderd met het slijtagepercentage van het beschadigde gebouw en met de taksen en rechten die zouden verschuldigd zijn op dit verschil na aftrek van de slijtage.

Artikel 19, § 2, van hetzelfde besluit voegt hieraan toe dat, in geval van vervanging in België van het beschadigde gebouw door de aankoop van een ander dat tot hetzelfde gebruik dient, de verzekeraar zich ertoe verbindt de verzekerde, binnen de dertig dagen die volgen op de datum van sluiting van de expertise, een eerste gedeelte uit te betalen dat gelijk is aan de in artikel 17, § 1, bepaalde mi-nimumvergoeding. Het saldo wordt gestort bij het verlijden van de authentieke akte van aankoop van het vervangingsgoed.

Het hof van beroep heeft in zijn arrest van 19 april 2010 te dezen vastgesteld dat de verzekeringspolis in artikel 4 van de algemene voorwaarden van bepaalde dat de vergoeding voor het gebouw, in geval van wederopbouw, berekend werd op grond van de nieuwwaarde, in geval van herstelling, op grond van een andere waarde die op basis van een complexe berekening bepaald zou worden, en, bij gebrek aan wederopbouw of herstelling, op grond van de verkoopwaarde van het gebouw, na aftrek van de waarde van de bouwgrond.

In zijn arrest van 15 januari 2008 preciseerde het hof van beroep wat dat betreft dat artikel 4, c), van de gemeenschappelijke voorwaarden van de verzeke-ringsovereenkomst met name bepaalde dat, indien de verzekerde afzag van de we-deropbouw van het beschadigde gebouw maar de vergoeding voor de schade aan dat gebouw aanwendde voor de aankoop van een ander gebouw in België, het be-drag van de schade bepaald zou worden op grond van de nieuwwaarde van de beschadigde eigendom, voor zover het bedrag dat gebruikt werd voor de aankoop van het nieuwe gebouw op zijn minst gelijk was aan die nieuwwaarde; indien het bedrag dat aangewend werd voor de aankoop van het nieuwe gebouw lager was dan de nieuwwaarde van het beschadigde gebouw maar hoger was dan de helft van dat bedrag, was de vergoeding gelijk aan die welke verschuldigd was voor het beschadigde gebouw en die op grond van de nieuwwaarde berekend werd.

De eiser vroeg om de verzekeraars op grond van voormeld contractueel beding te veroordelen tot betaling van de verzekeringsvergoeding die verschuldigd is in geval van herstelling en voerde daarbij aan dat hij onder opschortende voorwaarde, te weten 'de toekenning van de verzekeringsvergoedingen waarvan de koper beweert dat zij hem verschuldigd zijn', zoals het arrest van 15 januari 2008 preciseert, flatgebouwen in Oostende had gekocht, het eerste voor een bedrag van 618.000 euro, krachtens een voorlopige koopovereenkomst van 5 mei 2005, en het tweede voor een bedrag van 825.000 euro, krachtens een voorlopige koopovereenkomst van 25 september 2007.

Krachtens artikel 1134 van het Burgerlijk Wetboek strekken alle overeenkomsten degenen die deze hebben aangegaan tot wet.

Hoewel overeenkomsten luidens artikel 1165 van datzelfde wetboek alleen gevolgen teweegbrengen tussen de contracterende partijen en derden geen nadeel toebrengen en hun slechts tot voordeel strekken in het geval voorzien bij artikel 1121 van het Burgerlijk Wetboek, belet dit niet dat derden, net als de rechter, die overeenkomsten - zolang zij blijven bestaan - alsook de gevolgen die ze tussen de partijen teweegbrengen, moeten erkennen.

Hieruit volgt een derde, net als de rechter, het bestaan van een onder opschortende voorwaarde gesloten overeenkomst alsook de gevolgen die deze tussen de partijen teweegbrengt, zal moeten erkennen.

Luidens artikel 1168 van het Burgerlijk Wetboek is een verbintenis voorwaardelijk wanneer men deze doet afhangen van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, hetzij door de verbintenis op te schorten totdat de gebeurtenis zal plaatshebben, hetzij door ze teniet te doen, naargelang de gebeurtenis plaatsheeft of niet plaatsheeft.

Artikel 1176 van dat wetboek bepaalt dat wanneer een verbintenis is aangegaan onder voorwaarde dat een gebeurtenis binnen een bepaalde tijd zal plaatshebben, die voorwaarde voor onvervuld wordt gehouden wanneer de tijd verlopen is zonder dat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. Indien er geen tijd bepaald is, kan de voorwaarde altijd vervuld worden en zij wordt eerst geacht onvervuld te zijn, wanneer het zeker geworden is dat de gebeurtenis niet zal plaatshebben.

Volgens artikel 1178 wordt de voorwaarde geacht vervuld te zijn wanneer de schul-denaar die zich onder die voorwaarde verbonden heeft, zelf de vervulling ervan verhinderd heeft.

Luidens artikel 1179 werkt de vervulde voorwaarde terug tot op de dag waarop de verbintenis is aangegaan. Indien de schuldeiser overleden is voordat de voorwaarde vervuld is, gaan zijn rechten op zijn erfgenaam over.

Krachtens artikel 1181 is een verbintenis die onder een opschortende voorwaarde is aangegaan, die welke afhangt ofwel van een toekomstige en onzekere gebeurtenis, ofwel van een gebeurtenis die reeds heeft plaatsgehad, maar aan partijen nog onbekend is. In het eerste geval kan de verbintenis niet uitgevoerd worden dan nadat de gebeurtenis heeft plaatsgehad. In het tweede geval heeft de verbintenis haar gevolgen met ingang van de dag waarop zij is aangegaan.

Uit het geheel van die bepalingen volgt dat een recht onder opschortende voorwaarde ontstaat zodra de overeenkomst wordt aangegaan en dat het blijft bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld, ook al is de uitvoering van de verbintenis opgeschort. De schuldenaar zal zijn verbintenis moeten nakomen zodra de voorwaarde vervuld wordt, zoniet komt hij zijn contractuele verbintenissen niet na.

Zo zal ook de medecontractant zich niet van zijn verplichtingen kunnen bevrijden zolang de voorwaarde niet is vervuld en de termijn hiervoor niet is verstreken, zoniet komt hij zijn contractuele verbintenissen niet na in de zin van artikel 1184 van het Burgerlijk Wetboek, wat een grond tot ontbinding van de overeenkomst is.

In dit geval heeft het hof van beroep uitdrukkelijk vastgesteld dat de eiser twee voorlopige koopovereenkomsten overlegde, die respectievelijk op 5 mei 2005 en 25 september 2007 zijn ondertekend en die betrekking hebben op de aankoop, onder opschortende voorwaarde, van flatgebouwen in Oostende.

Luidens artikel 1582 van het Burgerlijk Wetboek is koop een overeenkomst waarbij de ene partij zich ertoe verbindt om een zaak te leveren en de andere om daarvoor een prijs te betalen.

Aangezien de overeenkomst een opschortende voorwaarde bevat, blijven de rechten die uit de koopovereenkomsten zijn ontstaan, bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld; alleen hun uitvoering is opgeschort.

Daaruit volgt dat het hof van beroep, net als de verzekeraars, het bestaan van die voorlopige koopovereenkomsten moest erkennen, net als de gevolgen die ze tussen de partijen bij de koop teweegbrengen, te weten de overdracht onder opschortende voorwaarde, door de voorlopige koopovereenkomsten, van de eigendom van de betrokken onroerende goederen tegen betaling van de overeengekomen prijs; het hof kan de daadwerkelijke totstandkoming van die overeenkomsten niet in twijfel trekken, aangezien alleen de omstandigheid dat de overeengekomen opschortende voorwaarde niet wordt vervuld, een grond kan zijn om die overeenkomsten niet in aanmerking te nemen.

Het hof van beroep heeft echter niet vastgesteld dat de opschortende voorwaarde niet was vervuld.

Het hof heeft daarenboven al in zijn arrest van 15 januari 2008 zelf erkend "dat de eigenaar van een tegen brand verzekerd gebouw niet verplicht is kosten te maken voor de wederopbouw van zijn pand alvorens de vergoedingen van de ver-zekeringsmaatschappij te kunnen ontvangen; er is geen enkele reden waarom dit anders zou zijn wanneer de verzekerde het uitgebrande pand niet wil heropbouwen maar verkiest om zijn onroerend vermogen weder samen te stellen door een ander pand te kopen".

Het hof van beroep, dat erop wijst dat de eiser zich beroept op de aankoop, onder opschortende voorwaarde, van flatgebouwen in Oostende via twee voorlopige koopovereenkomsten, heeft noch in het arrest van 15 januari 2008 noch in het arrest van 19 april 2010 wettig kunnen beslissen dat de eiser diende te bewijzen dat die aankoop zou kunnen doorgaan, terwijl elk recht dat onder opschortende waarde is overeengekomen, blijft bestaan zolang de voorwaarde niet is vervuld, daar alleen de uitvoering van dat recht opgeschort wordt. Het hof van beroep miskent derhalve de interne gevolgen van elke koopovereenkomst onder opschortende voorwaarde, zolang die voorwaarde blijft bestaan (schending van de artikelen 1134, 1168, 1176, 1178, 1179, 1181, 1184 en 1582 van het Burgerlijk Wetboek) en ook hun tegenstelbaarheid aan derden (schending van artikel 1165 van het Burgerlijk Wetboek) en heeft derhalve niet wettig kunnen beslissen dat de eiser, bij gebrek aan bewijs van het feit dat de voorlopige koopovereenkomsten uitwerking kunnen krijgen, slechts recht had op de verkoopwaarde van zijn gebouw, dat wil zeggen de vergoeding die verschuldigd is wanneer het beschadigde gebouw noch hersteld noch vervangen wordt (schending van de artikelen 1134 van het Burgerlijk Wetboek, 1, 20 en 36, vóór de opheffing ervan bij de wet van 25 juni 1992, van de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel, 17, § 1 en 4, en 19, § 2, , van het koninklijk besluit van 1 februari 1988 betreffende de verzekering tegen brand en andere gevaren, wat de eenvoudige risico's betreft).

Tweede onderdeel

Luidens artikel 1 van de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel, is de verzekering een overeenkomst waarbij de verzekeraar zich, tegen betaling van een premie, ertoe verbindt de verzekerde schadeloos te stellen wegens de verliezen of schade die deze door onzekere voorvallen of overmacht zou kunnen lijden. Het verhoopte voordeel mag worden verzekerd in de gevallen voorzien bij de wet.

Artikel 20 van die wet bepaalt dat, in elke verzekering, de schadevergoeding in geval van ramp geregeld wordt naar de waarde van het voorwerp op het ogenblik van de ramp.

Luidens artikel 36 van dezelfde wet, vóór de opheffing ervan bij de wet van 25 juni 1992, wordt, in geval van brand in bebouwde eigendommen, de ondergane schade geschat door de vergelijking van de waarde van het gebouw vóór de ramp met de waarde van hetgeen dat dadelijk daarna overblijft.

Volgens artikel 36, tweede lid, wordt zij in geld betaald, tenzij de heropbouw van de gebouwen zelf in de verzekering bedongen is geworden.

In het laatste geval moet de verzekerde op kosten van de verzekeraars herbouwen of herstellen, binnen een tijd die desnoods door de rechter bepaald zal worden; de verzekeraar heeft het recht erover te waken dat de som waartoe hij verbonden is te dien einde aangewend wordt (derde lid van artikel 36).

De partijen kunnen evenwel overeenkomen dat de schadeloosstelling geschiedt door middel van de aankoop van een vervangingsgoed, hetgeen bevestigd wordt door artikel 17 van het koninklijk besluit van 1 februari 1988 betreffende de verzekering tegen brand en andere gevaren, wat de eenvoudige risico's betreft. De vierde paragraaf van dat artikel bepaalt met name dat indien de wederopbouwprijs of de vervangingswaarde lager ligt dan de vergoeding voor het beschadigde gebouw, berekend in nieuwwaarde op de dag van het schadegeval, de vergoeding minstens gelijk is aan deze wederopbouw- of vervangingswaarde verhoogd met 80 pct. van het verschil tussen de oorspronkelijk voorziene vergoeding en deze wederopbouw- of vervangingswaarde, verminderd met het slijtagepercentage van het beschadigde gebouw en met de taksen en rechten die zouden zijn verschuldigd op dit verschil na aftrek van de slijtage.

Artikel 19, § 2, van dat besluit voegt hieraan toe dat de verzekeraar, in geval van vervanging in België van het beschadigde gebouw door de aankoop van een ander dat tot hetzelfde gebruik dient, zich ertoe verbindt de verzekerde, binnen de dertig dagen die volgen op de datum van sluiting van de expertise, een eerste gedeelte uit te betalen dat gelijk is aan de in artikel 17, § 1, bepaalde minimumvergoeding. Het saldo wordt gestort bij het verlijden van de authentieke akte van aankoop van het vervangingsgoed.

De verzekeringspolis verwees te dezen in artikel 4 van de algemene voorwaarden uitdrukkelijk naar het geval waarin het goed vervangen werd door de aankoop van een ander goed, wat ook vastgesteld wordt in de bestreden arresten van 15 januari 2008 en 19 april 2010.

Hieruit volgt dat de verzekeraar, in dat geval, zijn verzekeringsverplichting zal nakomen wanneer hij de verzekerde de voor de vervanging bestemde vergoeding betaalt.

Artikel 10 van de hypotheekwet van 16 december 1851, vóór de vervanging ervan bij de wet van 25 juni 1992, bepaalt dat wanneer een onroerend goed, een oogst of roerende goederen zijn verzekerd, hetzij tegen brand, hetzij tegen enig ander onheil, het bedrag dat, in geval van ramp, door de verzekeraar verschuldigd is, indien deze het niet gebruikt voor de herstelling van de verzekerde zaak, aangewend moet worden tot betaling van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, ieder volgens haar rang.

Uit dat artikel blijkt dat de rechten van de hypothecaire of bevoorrechte schuldeiser, in geval van ramp, overgebracht worden op de verzekeringsvergoeding, die in de plaats komt van het goed, tenzij die vergoeding aangewend wordt voor de herstelling van de verzekerde zaak, hetzij door het beschadigde goed te herstellen in de strikte zin van het woord, hetzij door het te vervangen.

Artikel 79 van de hypotheekwet bepaalt in zijn eerste lid dat indien de met hypotheek bezwaarde onroerende goederen teniet zijn gegaan of beschadiging hebben geleden, zodat zij voor de zekerheid van de schuldeiser ontoereikend zijn geworden, deze gerechtigd is de terugbetaling van zijn schuldvordering te eisen en moet dus in dit geval buiten beschouwing worden gelaten.

Hieruit volgt dat indien de verzekeringsvergoeding aangewend wordt voor de herstelling van het verzekerde goed, de verzekeraar niet verplicht kan worden die vergoeding aan de hypothecaire of bevoorrechte schuldeiser uit te betalen.

Zo zullen ook de beslagen die op initiatief van andere schuldeisers bij de verzekeraars zijn gelegd niet kunnen verhinderen dat de verzekeringsvergoeding aangewend wordt voor de aankoop van het vervangingsgoed. Het uitvoerend beslag onder derden doet immers geen voorrangsrecht ontstaan: luidens artikel 9 van de hypotheekwet zijn alleen de voorrechten en hypotheken wettige redenen van voorrang.

Daarenboven bepaalt artikel 8 van de hypotheekwet uitdrukkelijk dat de goederen van de schuldenaar tot gemeenschappelijke waarborg voor zijn schuldeisers strekken en dat de prijs ervan onder hen naar evenredigheid van hun vordering wordt verdeeld, tenzij er tussen de schuldeisers wettige redenen van voorrang bestaan. De schuldeisers die over geen enkel voorrecht of hypotheek op dat goed beschikken, zullen bijgevolg de voorrang van de hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers moeten eerbiedigen, terwijl die laatstgenoemde schuldeisers zelf niet méér rechten hebben dan die welke hun bij wet zijn toegekend.

Welnu, aangezien artikel 10 van de hypotheekwet uitdrukkelijk bepaalt dat het bedrag dat in geval van ramp door de verzekeraar verschuldigd is, slechts aangewend zal worden voor de betaling van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, ieder volgens haar rang, voor zover dat bedrag niet wordt gebruikt voor de herstelling van het verzekerde goed, volgt hieruit dat de hypothecaire of bevoorrechte schuldeisers, in laatstgenoemd geval, geen aanspraak kunnen maken op de vergoeding die voor de herstelling wordt gebruikt en kunnen zij, a fortiori, evenmin aanspraak maken op enig voorrecht. In dat laatste geval zouden zij immers het voormelde artikel schenden.

Het hof van beroep, dat zowel in het arrest van 15 januari 2008 als in het arrest van 19 april 2010 oordeelt dat te vrezen valt dat de eiser, wegens de beslagen bij de verzekeraars, waaronder het uitvoerend beslag van de hypothecaire schuldeiser, nooit in staat zal zijn de in de aangevoerde voorlopige koopovereenkomsten bepaalde bedragen te betalen, en zodoende beslist dat de verzekeraars verplicht zouden zijn de verzekeringsvergoeding te betalen aan de beslagleggende schuldeisers, zelfs als die vergoeding gebruikt werd voor de herstelling van het beschadigde goed, en hieruit afleidt dat het weinig waarschijnlijk was dat de koop zou doorgaan en dat derhalve de voorwaarde om de in geval van herstelling verschuldigde vergoeding te verkrijgen niet was vervuld, verantwoordt zijn beslissing bijgevolg niet naar recht (schending van de artikelen 8, 9, 10, vóór de wijziging ervan bij de wet van 25 juni 1992, en 79 van de hypotheekwet van 16 december 1851, 1, 20 en 36, vóór de opheffing ervan bij de wet van 25 juni 1992, van de wet van 11 juni 1874 houdende de titels X en XI van Boek I van het Wetboek van Koophandel, 17, § 1 en 4, en 19, § 2, van het koninklijk besluit van 1 februari 1988 betreffende de verzekering tegen brand en andere gevaren, wat de eenvoudige risico's betreft).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het door de verweersters tegen het cassatieberoep opgeworpen middel van niet-ontvankelijkheid, in zoverre dat cassatieberoep gericht is tegen het arrest van 20 april 2009: de eiser bekritiseert dat arrest niet:

Uit het middel blijkt dat de eiser alleen kritiek uitoefent op de arresten van 15 ja-nuari 2008 en 19 april 2010.

Hoewel de vernietiging van het eerstgenoemde arrest wellicht zou leiden tot ver-nietiging van het arrest van 20 april 2009, dat het gevolg ervan is, maakt het ge-volg van een vernietiging ten aanzien van de omvang ervan geen middel uit.

Het middel van niet-ontvankelijkheid is gegrond.

Middel

Uit de bestreden arresten van 15 januari 2008 en 19 april 2010 blijkt dat de eiser, verzekerde van de verweersters, vorderde dat de vergoeding waarop hij recht had wegens het verlies van zijn tegen brand verzekerd pand, dat hij niet heeft willen heropbouwen, overeenkomstig artikel 4 van de algemene voorwaarden niet zou worden vastgesteld op de verkoopwaarde van het gebouw, na aftrek van de waar-de van het terrein, maar op de waarde die in de overeenkomst was bepaald in ge-val van herstelling van het goed.

Eerste onderdeel

Het bestreden arrest van 15 januari 2008 stelt vast dat de eiser zich beroept op twee "onderhandse akten ... op grond waarvan hij nog te bouwen appartemen-ten in Oostende zal kopen".

Het bestreden arrest van 15 januari 2008 wijst erop "dat de overeenkomst waarop de tweede akte betrekking heeft niet lijkt te zijn ontbonden" en dat de verweersters "betogen dat hun verzekerde hier: de eiser alleen voorlopige koop-overeenkomsten kan voorleggen die geen uitwerking hebben ten aanzien van der-den, temeer daar zij zijn gesloten onder een opschortende voorwaarde die uitge-rekend betrekking heeft op de toekenning van de verzekeringsvergoedingen, waarvan de koper beweert dat zij hem verschuldigd zijn", terwijl "de verkoop van een onroerend goed aan hun verzekerde zou volgens de verweersters hen pas kunnen worden tegengeworpen na overschrijving van de authentieke koopakte", en beslist vervolgens dat "de verzekeringsovereenkomst zelf echter bepaalt dat de vergoeding betaald wordt ‘bij aankoop van het gebouw', wat moet worden be-grepen als de datum waarop die verkoop tussen de contracterende partijen plaatsvindt en niet als de datum waarop de authentieke akte wordt overgeschre-ven".

Voormeld arrest beslist vervolgens dat "in dit geval te vrezen valt dat [de eiser], aangezien er bij de verweersters reeds beslag is gelegd op de vergoedin-gen die zij in voorkomend geval [aan de eiser] zouden moeten betalen, nooit in staat zal zijn de in de aangevoerde voorlopige koopovereenkomsten bepaalde be-dragen te betalen", dat "het hof [van beroep] niet bevoegd is om zijn hypothecaire schuldeiser te verplichten van zijn oorspronkelijke waarborgen af te zien en zijn bestaande hypotheek over te brengen op de pas gekochte gebouwen" maar dat "[de eiser] dient te bewijzen dat hij een dergelijke oplossing met de schuldeiser heeft onderhandeld" en dat hij "vooral een antwoord moet geven op de vraag in welke mate hij zijn onroerend vermogen weder samen kan stellen".

Het bestreden arrest van 19 april 2010, dat over die kwestie uitspraak doet na de te dien einde bevolen heropening van het debat, beslist dat "er moet worden vastgesteld dat [de eiser] geen gewag maakt van onderhandelingen met zijn hypo-thecaire schuldeiser en nog minder dat hij met zijn hypothecaire schuldeiser een akkoord heeft bereikt teneinde de geplande aankopen te financieren met de uitge-keerde verzekeringspremies", dat "de hypothecaire schuldeiser op 4 november 2002 ook derdenbeslag heeft laten leggen op een bedrag van 1.058.830,98 euro, vermeerderd met een bedrag van 212,25 euro per dag te rekenen van 5 oktober 2002", dat de eiser "evenmin bewijst, door middel van recente stukken, dat de ver-kopers nog steeds bereid zijn om de authentieke akten te verlijden en hun eigen-dommen nog niet aan derden hebben verkocht" en beslist dat "niet blijkt dat [de eiser] nog schijn van kans heeft om zijn aankopen te verwezenlijken".

Uit die redenen volgt dat de bestreden arresten noch het bestaan van de door de eiser voorgelegde voorlopige koopovereenkomsten noch de gevolgen ervan ontkennen en aan de daarin opgenomen opschortende voorwaarde evenmin andere gevolgen toekennen dan de schorsing die waarbij ze de uitvoering van de betrokken verbintenissen. De bestreden arresten gronden hun beslissing op de om-standigheid dat de eiser niet aantoont dat hij in staat zal zijn het beschadigde gebouw te vervangen, daar een hypothecaire schuldeiser aanspraak maakt op de verzekeringsvergoeding en de eiser niet bewijst dat hij met hem heeft onderhandeld.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

Artikel 10, eerste lid, van de hypotheekwet van 16 december 1851, zoals het van toepassing is op het geschil, bepaalt dat wanneer een onroerend goed, een oogst of roerende goederen zijn verzekerd, hetzij tegen brand, hetzij tegen enig ander on-heil, het bedrag dat, in geval van ramp, door de verzekeraar verschuldigd is, indien deze het niet gebruikt voor de herstelling van de verzekerde zaak, aangewend moet worden tot betaling van de bevoorrechte of hypothecaire schuldvorderingen, ieder volgens haar rang.

Uit die bepaling volgt dat de verzekeringsvergoeding, uitgezonderd wanneer de verzekeraar zich het recht heeft voorbehouden die vergoeding te gebruiken voor de herstelling van de verzekerde zaak, in geval van schadegeval de plaats inneemt van de goederen die zijn verzekerd in het voordeel van de schuldeisers die houder zijn van een voorrecht of een hypotheek die op die goederen kunnen worden uit-geoefend, dat die schuldeisers kunnen eisen dat de vergoeding hun gestort wordt en dat zij elke rechtstreeks aan de verzekerde gedane betaling als niet bevrijdend kunnen beschouwen.

Het bestreden arrest van 19 april 2010, dat om de in antwoord op het eerste on-derdeel weergegeven redenen, beslist dat de eiser niet aantoont dat hij zijn voor-nemen om het beschadigde gebouw te vervangen gaat kunnen waarmaken, aange-zien hij geen gewag maakt van enige onderhandeling met zijn hypothecaire schuldeiser, hoewel het bestreden arrest van 15 januari 2008 hem daartoe had aangespoord, verantwoordt naar recht zijn beslissing om de verzekeringsvergoe-ding vast te stellen op de verkoopwaarde van het beschadigde gebouw, na aftrek van de waarde van het terrein.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, derde kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, de raadsheren Didier Batselé, Sylviane Velu, Alain Simon en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 18 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean-Marie Genicot, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Eric Dirix en over-geschreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De afdelingsvoorzitter,

Vrije woorden

  • Middel