- Arrest van 18 juni 2012

18/06/2012 - S.10.0149.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Nu uit artikel 9 van de wet van 23 april 1998 volgt dat de bijzondere ontslagbescherming voortspruitend uit het lidmaatschap in de Europese ondernemingsraad een einde neemt op de dag waarop het mandaat een einde neemt en uit artikel 29, eerste en tweede lid CAO nr. 62 volgt dat personeelsafgevaardigden in een Europese ondernemingsraad in de regel niet worden verkozen op een lijst van kandidaten, maar aangewezen worden door en onder de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad, is er na het einde van het mandaat als lid van de Europese ondernemingsraad, geen grond voor een verdere ontslagbescherming voortspruitend uit het lidmaatschap in de Europese ondernemingsraad, die gerechtvaardigd zou zijn door de risico’s die een kandidaat bij sociale verkiezingen gedurende een bepaalde periode loopt.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0149.N

A.F.,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

RIETER AUTOMOTIVE BELGIUM nv, met zetel te 3600 Genk, Oosterring 14,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Driekoningenstraat 3, waar de verweerster woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 6 juni 2010.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiser voert in zijn verzoekschrift twee middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 702, 3°, 807 juncto 1042 Gerechtelijk Wetboek;

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek;

- het beschikkingsbeginsel, zoals bevestigd in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond. Met bevestiging van het beroepen vonnis verklaart het de vordering van de eiser tegen de verweerster tot de betaling van het, in hoger beroep verbeterde, bedrag van 89.980,47 euro ongegrond.

De beslissing van het arbeidshof steunt op de volgende overwegingen:

"Volgens [de eiser] is [de verweerster] in toepassing van artikel 17 van de Wet van 19 maart 1991 ingevolge de bescherming die [de eiser] genoot als lid van de Europese ondernemingsraad, loon verschuldigd voor het resterend gedeelte van het mandaat dat liep van 30 oktober 2003 tot 22 juni 2007, en niet slechts tot 8 mei 2004.

[...]

Bij inleidende dagvaarding van 9 november 2004 vordert [de eiser] de veroordeling van [de verweerster] tot betaling van 86.092,42 euro [...]" (bestreden arrest, p. 3, al. 4 en 6);

"2. Het [arbeidshof] dient te oordelen over de vraag of een bijzondere beschermingsvergoeding voor een mandaat in een Belgische ondernemingsraad al dan niet kan samengaan met een vergoeding als plaatsvervangend lid in een Europese ondernemingsraad (ibidem, p. 5, nr. 2);

"8. Met dagvaarding van 22 oktober 2004 vorderde [de eiser] van [de verweerster] de betaling van een bedrag van 86.092.42 euro [...] als loon voor het resterend gedeelte van zijn mandaat van 9 mei 2004 tot en met 22 juni 2007 als vervangend lid van de Europese ondernemingsraad" (ibidem, p. 6, nr. 8);

"[De eiser] benadrukt herhaaldelijk dat zijn vordering enkel betrekking heeft op het saldo van de verschuldigde vergoedingen voortvloeiend uit de bescherming die hij genoot in toepassing van zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad" (ibidem, p. 9, nr. 11.1, in fine);

"16.1. Op grond van artikel 9 van de wet van 23 april 1998 waarin wordt bepaald dat de werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraad genieten van de bijzondere ontslagbescherming bepaald door de wet van 19 maart 1991, is [de eiser] van oordeel dat de beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad kan worden gecumuleerd met die van het mandaat in de Belgische ondernemingsraad" (ibidem, p. 13, nr. 16.1).

1.1. Grieven

1.1.1. De eiser voerde in zijn conclusie voor het appelgerecht het volgende aan:

"Ten onrechte stelt [de verweerster] dat [de eiser] in casu een dubbele beschermingsvergoeding zou vorderen.

De door [de verweerster] geciteerde Cassatierechtspraak dd. 23/3/1981 en 12/6/1989, is niet relevant. Het arrest dd. 23/3/1981 oordeelt over simultaan gevorderde beschermingsvergoedingen voortvloeiend uit een lidmaatschap in de ondernemingsraad en een lidmaatschap van het CPBW. Het arrest dd. 12/6/1989 oordeelt over simultaan gevorderde beschermingsvergoedingen voortvloeiend uit een lidmaatschap van het CPBW en een officieel voorgedragen kandidatuur voor de volgende verkiezingen.

Deze problematiek is in het onderhavige dossier niet aan de orde.

[...]

[De eiser] beroept zich betreffende de door [de verweerster] verschuldigde beschermingsvergoedingen in hoofdorde enkel op deze verschuldigd vanwege zijn lidmaatschap als plaatsvervanger in de Europese ondernemingsraad, zijnde een vergoeding enerzijds gelijk aan 2 jaar loon in toepassing van artikel 16 van de Wet van 19/3/1991, en anderzijds in toepassing van artikel 17 van de Wet van 19/3/1991 als loon tot aan het einde van dit mandaat op 22/6/2007.

[De eiser] vordert aldus enkel het saldo van de verschuldigde beschermingsvergoeding in toepassing van zijn mandaat als plaatsvervanger in de Europese ondernemingsraad.

[De verweerster] betaalde [de eiser] reeds een vergoeding gelijk aan het loon van 2 jaar in toepassing van de bepalingen van artikel 16 van de Wet van 19/3/1991.

[De verweerster] betaalde [de eiser] in toepassing van artikel 17 van de Wet van 19/3/1991 echter slechts loon uit tot 8/5/2004, daarbij verwijzend naar diens bescherming als lid van de Belgische ondernemingsraad en het einde van dit mandaat op 8/5/2004.

Het mandaat van [de eiser] als plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad liep echter pas ten einde op 22/6/2007. De wetgeving voorziet voor dit lidmaatschap ook de bescherming zoals voorzien in de Wet van 19/3/1991.

[De verweerster] is dan ook, buiten de in artikel 16 voorziene vergoeding gelijk aan 2 jaar loon, in toepassing van artikel 17 van de Wet van 19/3/1991 ingevolge de bescherming die [de eiser] genoot als lid van de Europese ondernemingsraad, ook loon verschuldigd voor het resterend gedeelte van het mandaat tot 22/6/2007, en niet slechts tot 8/5/2004" (Syntheseberoepsconclusie, p. 19-20, nr. 5.3);

en:

"Ten onrechte besluit de Arbeidsauditeur dat [de eiser] vergoedingen zou vorderen voortspruitend uit de bescherming van 2 mandaten.

Op geen enkel ogenblik vorderde of ontving [de eiser] enige beschermingsvergoeding tegelijkertijd voortvloeiend uit de bescherming van zijn mandaat in de Belgische ondernemingsraad én zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad. [De eiser] vordert enkel het saldo van de verschuldigde vergoedingen voortvloeiend uit de bescherming die hij genoot in toepassing van zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad.

Op het ogenblik van het ontslag op 29/10/2003 had [de eiser] een mandaat als:

Lid van de Belgische ondernemingsraad

Plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad

Ingeval van ontslag zonder het volgen van de wettelijke regels voorziet de Wet van 19/3/1991 in volgende sancties:

De betaling van, in casu, een vergoeding gelijk aan 2 jaar (artikel 16)

De betaling van het loon tot aan het einde van het mandaat (artikel 17)

Voor de berekening van zijn vordering beroept [de eiser] zich terecht op een vergoeding berekend op basis van het langst lopende mandaat, zijnde dit van plaatsvervanger in de Europese ondernemingsraad (zie Arbh. Brussel 4/12/2007)

Het feit dat [de verweerster] éénzijdig als verantwoording van de reeds door haar betaalde vergoedingen (loon 2 jaar + loon tot 8/5/2004) stelt dat dit vergoedingen zijn voortspruitend uit het mandaat van de Belgische ondernemingsraad, betekent geenszins dat dit ook het geval is en dat de huidige vordering van [de eiser] een andere beschermingsgrond [zou] hebben. Het enige dat uit de handelingen en verklaringen van [de verweerster] terzake kan weerhouden worden is dat zij enerzijds een vergoeding betaalde van 2 jaar loon + loon vanaf het ontslag tot 8/5/2004, hetgeen manifest niet overeenstemt met [de] duurtijd van het mandaat in de Europese ondernemingsraad.

[De eiser] vorderde in casu uitdrukkelijk in hoofdorde enkel de beschermingsvergoedingen voortspruitend uit het mandaat van de Europese ondernemingsraad, waarbij [de eiser] bij de begroting van zijn vordering enkel het reeds betaalde gedeelte (2 jaar loon in toepassing artikel 16, loon tot 8/5/2004) in mindering bracht" (Syntheseberoepsconclusie, p. 20-21, nr. 6).

De eiser herhaalde deze conclusie op uitdrukkelijke wijze voor het appelgerecht in zijn "Repliekconclusie op het op schriftelijk advies van het Openbaar Ministerie dd. 18/11/2009" (p. 2-3, nr. 1).

1.1.2. De eiser voerde aldus in zijn voormelde (sub 1.2.1) conclusies voor het appelgerecht herhaaldelijk op uitdrukkelijke en ondubbelzinnige wijze aan dat hij enkel het saldo van de beschermingsvergoeding van het langstlopende mandaat vorderde, in casu het mandaat in de Europese ondernemingsraad, en helemaal niet van oordeel was dat hij de vergoedingen voortspruitende uit de bescherming van twee mandaten kon cumuleren, in casu die van de mandaten in respectievelijk de Europese ondernemingsraad en de Belgische ondernemingsraad.

1.1.3. Het appelgerecht dat anders oordeelt, namelijk dat "[de eiser] van oordeel [is] dat de beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad kan worden gecumuleerd met die van het mandaat in de Belgische ondernemingsraad" (bestreden arrest, p. 13, nr. 16.1), geeft bijgevolg van die conclusies een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en schendt de bewijskracht van die conclusies (schending van artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek).

Uit de te dezen toepasselijke artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek volgt immers dat de bewijskracht van een akte en deze wetsartikelen worden geschonden door de rechter die van die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is of, anders uitgedrukt, wanneer de rechter beslist dat de akte een verklaring bevat die er niet in staat of dat zij geen verklaring bevat die er wel in staat.

1.1.4. Uit het voorgaande (sub 1.2.1-1.2.2) volgt dat het appelgerecht, door te overwegen dat "2. Het [arbeidshof] dient te oordelen over de vraag of een bijzondere beschermingsvergoeding voor een mandaat in een Belgische ondernemingsraad al dan niet kan samengaan met een vergoeding als plaatsvervangend lid in een Europese ondernemingsraad (bestreden arrest, p. 5, nr. 2), het voorwerp van de vordering van de eiser wijzigt terwijl het dit niet vermocht te doen en bijgevolg de artikelen 702, 3°, 807 juncto 1042 Gerechtelijk Wetboek en het beschikkingsbeginsel, zoals bevestigd in artikel 1138, 2° van dit wetboek, schendt.

1.1.5. De bestreden beslissing, die de vordering van de eiser tegen de verweerster tot betaling van het bedrag van 89.980,47 euro in hoofdsom ongegrond verklaart, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek (supra, nr. 1.1.1-1.1.3), van 702, 3°, 807 juncto 1042 Gerechtelijk Wetboek en het beschikkingsbeginsel, zoals bevestigd in artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek (supra, nr. 1.1.1.-1.1.2. en 1.1.4)).

Tweede middel

Geschonden wetsbepalingen en algemene rechtsbeginsel

- de artikelen 10, 11 en 149 gecoördineerde Grondwet (hierna: Grondwet);

- artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG van 22 september 1994 van de Raad inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (hierna: Richtlijn 94/45/EG);

- artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven (hierna: wet van 20 september 1948);

- artikel 45 van de Collectieve arbeidsovereenkomst 62 van 6 februari 1996 betreffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (algemeen verbindend verklaard bij K.B. 22 maart 1996, B.S. 11 april 1996; hierna: CAO nr. 62);

- de artikelen 7 en 9 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen met een communautaire dimensie of in concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (hierna: wet van 23 april 1998);

- de artikel 1,2 en 17 van de wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden en in de comités voor veiligheid, gezondheid en verfraaiing van de werkplaatsen alsmede voor de kandidaat-personeelsafgevaardigden (hierna: wet van 19 maart 1991);

- de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek;

- artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en het erin neergelegde algemeen rechtsbeginsel, beschikkingsbeginsel genaamd.

Aangevochten beslissing

Het arbeidshof verklaart het hoger beroep van de eiser ongegrond. Met bevestiging van het beroepen vonnis verklaart het de vordering van de eiser tegen de verweerster tot de betaling van het, in hoger beroep verbeterde, bedrag van 89.980,47 euro ongegrond.

Deze beslissing van het arbeidshof steunt op de volgende overwegingen:

"[De eiser] was lid van de Belgische ondernemingsraad vanaf mei 2000. Dit mandaat zou een einde nemen in mei 2004. Daarnaast was hij eveneens lid van de Europese ondernemingsraad van [de verweerster] (Reit) als plaatsvervangend lid. Hij kreeg het mandaat toegewezen in mei 2003.

[...]

Dit mandaat liep ten einde op 22 juni 2007. De wetgeving voorziet voor dit lidmaatschap dezelfde bescherming als voor het lidmaatschap van de Belgische ondernemingsraad" (bestreden arrest, p. 2, derde laatste al; p. 3, al. 3).

"11.1. Volgens de sub 8 inleidende dagvaarding is de rechtsgrond van de vordering van [de eiser] gesteund op artikel 9 van de Wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van de Europese ondernemingsraad en de bepalingen van artikel 17 van de Wet van 19 maart 1991 houdende bijzondere ontslagregeling voor de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraden.

[De eiser] benadrukt herhaaldelijk dat zijn vordering enkel betrekking heeft op het saldo van de verschuldigde vergoedingen voortvloeiend uit de bescherming die hij genoot in toepassing van zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad.

11.2. Overeenkomstig de artikelen 16 en 17 van de Wet van 19 maart 1991 werd aan [de eiser] bij het verbreken van zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003 een forfaitaire vergoeding van 2 jaren loon en het loon tot het einde van zijn mandaat in de Belgische ondernemingsraad (8 mei 2004) volledig uitbetaald, hetgeen niet wordt betwist.

[De eiser] was verkozen bij de sociale verkiezingen in mei 2000, zodat zijn mandaat in de Belgische ondernemingsraad voor de duur van 4 jaar eindigde op 8 mei 2004.

Er wordt niet betwist dat [de eiser] op 2 april 2003 door de Belgische ondernemingsraad aangeduid werd als plaatsvervangend lid van de Europese ondernemingsraad.

Het bestreden vonnis stelt terecht dat [de eiser] voorbijgaat aan het feit dat het mandaat in de Belgische ondernemingsraad het resultaat is van een verkiezing in de onderneming door alle werknemers die daarvoor in aanmerking komen en dat het mandaat in de Europese ondernemingsraad het resultaat is van een aanduiding, - enkel en alleen - door diezelfde leden van de ondernemingsraad.

Artikel 29 van de CAO nr. 62 bepaalt in duidelijke bewoordingen - en in navolging van artikel 1,b) van de bijlage van de richtlijn nr. 94/45/EG - dat de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad worden aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraden.

11.3. [De eiser] argumenteert dat uit de tekst van artikel 29 blijkt dat de uitoefening van een mandaat in de Europese ondernemingsraad geenszins noodzakelijkerwijze gebonden is aan het hebben van een mandaat in de Belgische ondernemingsraad. (P. Humblet, "Het statuut van de leden van de vakbondsafvaardiging", in Actuele Problemen van het arbeidsrecht, nr. 6, M. Rigaux et P. Humblet (eds), Intersentia, 2001, blz. 363-364, nr. 64).

[De verweerster] argumenteert dat [de eiser] verwijst naar de derde situatie in het cascadesysteem van artikel 29 van de CAO nr. 62, met name dat indien er geen aanduiding gebeurd door de ondernemingsraad, het paritair comité de vakbondsafgevaardigden kan machtigen de leden van de Europese ondernemingsraad aan te wijzen. Deze derde situatie bepaalt in artikel 29bis is hier niet van toepassing.

De leden van de vakbondsafvaardiging hebben inderdaad een dubbele hoedanigheid, een zogenaamd "superstatuut" (I. Van Puyvelde, "Cumulatie van statuten en vergoedingen", in Het statuut van de beschermde werknemer, J. Goemans (Ed), Intersentia, 2001, blz. 93).

Dit betekent dat bij ontslag van een dergelijke werknemer de regels van beide beschermingstatuten moeten worden gevolgd, maar dit betekent nog niet dat de beschermingsvergoedingen moeten worden gecumuleerd.

12. Artikel 5.1 van de Overeenkomst inzake de oprichting van een Europese ondernemingsraad van het Rieter-concern (genaamd Reit "Rieter Employee Involvement Team") bepaalt dat de Europese ondernemingsraad is samengesteld uit werknemers die door de werknemersvertegenwoordigers uit hun midden of, bij gebrek aan dergelijke vertegenwoordigers, door de totaliteit van de werknemers uit hun midden worden gekozen of benoemd.

Betreffende de duur van het mandaat bepaalt de Overeenkomst in punt 6.2 dat de leden van de Reit overeenkomstig de regeling die ten grondslag lag aan hun verkiezing of benoeming door die werknemers of werknemersvertegenwoordigers worden afgezet, die ze in Reit hebben afgevaardigd.

Op 27 oktober 2003, vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003, beslisten de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad om het mandaat van [de eiser] als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad te herroepen en te beëindigen met ingang van 27 oktober 2003 overeenkomstig artikel 6 van de Overeenkomst inzake de Reit. Er werd eveneens gezorgd voor de continuïteit in de Europese ondernemingsraad door de aanwijzing van Quatrocchi Antonella als plaatsvervangend lid.

13. [De eiser] - die de Overeenkomst inzake de Reit heeft mede ondertekend - heeft naar het oordeel van het [arbeidshof] alzo zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad verloren met ingang van 27 oktober 2003, zodat hij geen rechten kan laten gelden op een beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad bij het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003.

Aangezien [de eiser] geen deel meer uitmaakte van het personeel van [de verweerster] kon hij zich ook niet meer kandidaat stellen voor de volgende sociale verkiezingen in mei 2004 en kon hij derhalve ook niet meer aangeduid worden in de Europese ondernemingsraad.

Het [arbeidshof] dient op te merken dat ten grondslag aan de Europese ondernemingsraad de Overeenkomst tussen Rieter-concern en het College Bijzondere Onderhandelingen tot instelling van een Europese arbeidsovereenkomst kan worden beschouwd, met een obligatoir en een normatief gedeelte. (R. Blanpain, "Europees Arbeidsrecht", Interuniversitair Centrum voor Arbeidsrecht, Algemene Reeks, nr. 16, Die Keure 2009, nr. 1263, blz. 529-530).

De procedures tot aanwijzing van de Belgische vertegenwoordigers die zitting hebben in de Europese ondernemingsraad vereisen immers dat er een akkoord wordt bereikt onder de plaatselijke afgevaardigden om de Europese vertegenwoordigers aan te wijzen (Advies nr. 1.141 van 6 februari 1996 van de Nationale Arbeidsraad, blz. 5).

Indien de vertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad wordt aangewezen door zijn medeleden in de Belgische ondernemingsraad dan kunnen de leden van de Belgische ondernemingsraad een mandaat in de Europese ondernemingsraad beëindigen en degene die door hen werd aangeduid afzetten.

14.1. [De eiser] verwijst naar de bepalingen van openbare orde, in strijd met de bepalingen betreffende de hiërarchie der rechtsbronnen en de bepalingen en strekking van de Europese richtlijn en stelt dat de beslissing van de ondernemingsraad van 27 oktober 2003 nietig, minstens niet rechtsgeldig tot stand is gekomen en/of zonder gevolg is.

Met verwijzing naar artikel 21 van de Wet van 20 september 1948 houdende organisatie van het bedrijfsleven is [de eiser] van oordeel dat op geen enkele wijze éénzijdig door de ondernemingsraad een mandaat kan worden herroepen.

De vertegenwoordigers van het personeel worden verkozen door de werknemers van de onderneming (artikel 18, eerste lid). Zowel de kiezers en als de afgevaardigden moeten aan bepaalde wettelijke voorwaarden voldoen, zodat hun mandaat een einde neemt volgens de wettelijk bepaalde gevallen opgesomd in artikel 21, § 2.

In casu werd [de eiser] niet verkozen maar aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers, zodat de bepalingen van de Wet van 20 september 1948 hier niet naar analogie kunnen worden toegepast.

Dat de reglementering inzake de instelling en de werking van de ondernemingsraden en de comités een openbare orde karakter hebben wordt niet betwist (Cass. 4 september 1995, J.T.T. 1995, 493 met noot C. Wantiez; Soc. Kron. 1995, 474, met noot H. Funck; Cass. 1 december 1997, Soc. Kron. 1998, 292; Cass. 15 mei 2000, Soc. Kron. 2000, 4444, noot. R.W. 2000/2001, 1237. L. Eliaerts, "Beschermde werknemers" in Bibliotheek Sociaal recht Larcier, nr. 3, 2003, nrs. 121-126, blz. 52-53. D. Votquenne en C. Wantiez, "Beschermde werknemers, 10 jaar toepassing van de wet van 19 maart 1991, Editions de droit social Larcier, nr. 4, 2001, blz. 28-32, nrs. 20-22.).

14.2. Over de vraag of ook de bepalingen betreffende de beschermingsvergoedingen van openbare orde zijn lijkt geen eensgezindheid te bestaan (A. Van Regenmortel, "Sociale verkiezingen en ontslagbescherming, Aard van bepalingen: openbare orde of dwingend recht?", in (ed) J. Goemans, Het statuut van de beschermde werknemer, Intersentia, 2001, blz. 9 t/m 58 W. Van Eeckhoutte, Sociaal Compendium ‘09'/10, Arbeidsrecht met fiscale notities, band 2, Kluwer, nr. 3075, blz. 1513).

De beslissing van 27 oktober 2003 genomen door de Belgische ondernemingsraad werd ondertekend door 6 werknemersvertegenwoordigers, zodat niet zo maar kan worden gesteld dat dit stuk geen bewijswaarde zou hebben. Dat eventuele handtekeningen op dit document onleesbaar zouden zijn of dat geen hoedanigheid der ondertekenaars aangehaald wordt is irrelevant.

Er werd in casu geen geëigende procedure van valsheid in geschriften of schriftonderzoek gevoerd.

Volgens de duidelijke bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek draagt [de verweerster] op dit vlak geen bewijslast.

Volgens [de eiser] zou de beslissing van 27 oktober 2003 geantidateerd zijn omdat [de verweerster] zowel in haar schrijven van 3 november 2003 als van 14 januari 2004 uitdrukkelijk het bestaan van het lidmaatschap van [de eiser] als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad zou hebben erkend.

De wetgeving betreffende de instelling en de werking van de ondernemingsraden is van openbare orde. Door vaststaande cassatierechtspraak wordt aangenomen dat het bewijs door gerechtelijke of buitengerechtelijke bekentenis niet is toegelaten in aangelegenheden van openbare orde.

14.3. De opgeworpen grieven van [de eiser] betreffende de nietigheid of de valsheid van de beslissing van de Belgische ondernemingsraad van 27 oktober 2003 dienen derhalve verworpen, zodat het [arbeidshof] niet kan ingaan op het omschreven bewijsaanbod van [de eiser] met betrekking tot de feiten aangehaald in de beslissing van 27 oktober 2003.

15. Volgens [de eiser] miskennen de arbeidsrechters de hiërarchie der rechtsnormen door te stellen dat de artikelen 5 en 6 van de Europese ondernemingsraadovereenkomst aan de basis zou liggen van de "aanduiding" van de leden van de Europese ondernemingsraad.

Het (arbeidshof) stelt vast er geen automatische koppeling van het mandaat van de Europese ondernemingsraad aan het mandaat in de Belgische ondernemingsraad is, maar veeleer dat de ontslagbescherming voor de Belgische werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraad geënt is (F. Dorsemont, l.c. blz. 14) op de Wet van 19 maart 1991, met andere woorden dat de werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraad van de bijzondere ontslagregeling genieten zoals bepaald in de wet van 19 maart 1991 (artikel 9 van de wet van 23 april 1998).

Dat de vertegenwoordigers van de Europese ondernemingsraad een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers van de Belgische ondernemingsraad is duidelijk omschreven in artikel 10 van de richtlijn 94/45/EG en in artikel 45 van de CAO nr. 62.

Beide bepalingen specificeren dat dit in het bijzonder de deelneming aan de vergaderingen en aan de eventuele voorbereidende vergaderingen en de betaling van hun loon voor de duur dat zij afwezig moeten zijn om hun taak te vervullen.

In de subsidiaire voorschriften wordt uitdrukkelijk aangegeven dat de huishoudelijke uitgaven van de Europese ondernemingsraad worden gedragen door het hoofdbestuur (nr. 7.1 Bijlage subsidiaire voorschriften).

Dienaangaande wordt zeker niet bedoeld dat een bijzondere beschermingsvergoeding in de Europese ondernemingsraad zou kunnen gevorderd worden naast een beschermingsvergoeding in de Belgische ondernemingsraad.

(Het is evident dat de nationale rechter verplicht is het nationale recht richtlijnconform te interpreteren. Steeds moet hij ook voorrang verlenen aan het gemeenschapsrecht.

Wanneer echter een Europese richtlijn zodanig in het Belgische recht werd geïmplementeerd - om niet te zeggen gekopieerd - door middel van een collectieve arbeidsovereenkomst en wetten houdende begeleidende maatregelen is het niet zo duidelijk dat de nationale rechter nog moeten interpreteren.

De richtlijnconforme interpretatie dringt zich op indien er nog geen omzetting of een nog niet volledige uitwerking is gebeurd.

Bovendien heeft de richtlijn slechts een verticale werking in het nationale recht hetgeen betekent dat een particulier zich niet kan beroepen op een richtlijn, in zijn rechtsverhoudingen met een andere particulier. (H.v.J. zaak 152/84, Marshall, 26 februari 1986, Jur. 1986, 723. Zie: O. Wery, "La directive sur les comités d'entreprise européens et sa transposition en droit belge: état de question." J.T.T. 1999, 217).

Het is de nationale norm die uitwerking krijgt, weliswaar geïnterpreteerd aan de hand van de richtlijn) (Conclusie advocaat-generaal van Van Gerven bij arrest Marleasing, H.v.J. 13 november 1990, zaak C-106/98, Jur. 1990, nr. 7. Zie R. Devloo, "Richtlijnconforme interpretatie: bron van recht?" R.W. 1993/1994, 377-382).

16.1. Op grond van artikel 9 van de wet van 23 april 1998 waarin wordt bepaald dat de werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraad genieten van de bijzondere ontslagbescherming bepaald door de wet van 19 maart 1991, is [de eiser] van oordeel dat de beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad kan worden gecumuleerd met die van het mandaat in de Belgische ondernemingsraad.

16.2. De voorbereidende werken van de wet van 23 april 1998 laten geen indicaties tot interpretatie toe.

16.3. Het Hof van Cassatie heeft meermaals geoordeeld dat de weigering tot reïntegratie van een onregelmatig ontslagen werknemer op het ogenblik van zijn ontslag op een dubbele basis (als lid van de ondernemingsraad én het veiligheidscomité (thans comité voor preventie en bescherming op het werk) van de bescherming genoot, één enkel feit uitmaakt dat tezelfdertijd betrekking heeft en zijn effect sorteert op de twee hoedanigheden. Bijgevolg kan zij slechts aanleiding geven tot de betaling van één enkele vergoeding.

Anders beslissingen zou naar het oordeel van het Hof ingaan tegen de wil van de wetgever omdat hij de bescherming van de werknemers, leden van de ondernemingsraad en het veiligheidscomité wil verstevigen niet opdat ze zouden bevoorrecht zijn, maar in het belang van hun functies in de onderneming en ten einde de normale werking van die comités niet te beletten bij onrechtmatige beëindiging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever.

17.1. [De eiser] citeert tenslotte het arrest van het arbeidshof Brussel van 4 december 2007. De belangrijkste motivering luidt:

‘Het [arbeidshof] is van mening dat de samenlezing van de bepalingen van de Europese richtlijn, waaraan uitvoering werd gegeven bij de Wet van 23 april 1998 en de Wet van 19 maart 1991 ertoe leidt dat de vergoeding die toekomt aan de werknemer die werd ontslagen zonder dat de wettelijke procedures werden nageleefd en waarvan de reïntegratie werd geweigerd, naast de forfaitaire vergoeding als voorzien in artikel 16 van de Bijzondere Ontslagregelingswet van 19 maart 1991, de variabele vergoeding behelst voorzien in artikel 17 van die wet, gelijk aan het loon tot het einde van het langst durende mandaat.' (Arbh. Brussel 4 december 2007, J.T.T. 2008, 162).

Het arbeidshof stelt inhoudelijk bij onregelmatig ontslag dat naast de bijzondere be-schermingsvergoeding voor een mandaat in een Belgische ondernemingsraad er ook wettelijke vergoeding bestaat voor een mandaat in een Europese ondernemingsraad.

Uiteindelijk beslist het arbeidshof geen bijkomende vergoeding toe te kennen omdat het mandaat in de Europese ondernemingsraad beëindigd was (op 13 april 2000) als gevolg van een fusie door ondernemingen en dat de beschermingsvergoeding voor het mandaat in de Belgische ondernemingsraad reeds werd uitbetaald in juni 2000. Dit oordeel is in casu niet relevant.

17.2. Het arbeidshof te Antwerpen, afdeling Antwerpen heeft in het arrest van 28 september 2009 (A.R. nr. 2080337, onuitg.) zich evenmin uitgesproken over een samengaan van beschermingsvergoedingen.

De werkneemster had geen enkel mandaat meer in een Belgische orgaan, dus noch in de ondernemingsraad, noch in het comité voor bescherming en preventie op het werk, noch als vakbondsafgevaardigde, zodat het arbeidshof van oordeel was dat de ontslagbescherming als lid van de Europese ondernemingsraad diende uitbetaald te worden. Uit de wettelijke bepalingen valt immers niet af te leiden dat de ontslagbescherming van het lid van de Europese ondernemingsraad wegvalt op het ogenblik dat het mandaat in de ondernemingsraad beëindigd wordt. (Cass. 23 maart 1981, Arr. Cass. 1981, 821; J.T.T. 1981, 202; Soc. Kron. 1981, 71, noot P. Denis. Arbh. Brussel 4 december 2007, J.T.T. 2008, 162 en Arbh. Antwerpen, afdeling Antwerpen, tweede kamer, 28 september 2009, 2080337, niet gepubliceerd; laten geen ander oordeel toe)" (bestreden arrest, p. 8-14, nr. 11.1-17.2).

Grieven

2.1. Eerste onderdeel

Schending van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek.

2.1.1. Uit de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek volgt dat de bewijskracht van een akte en deze wetsartikelen worden geschonden door de rechter die van die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is of, anders uitgedrukt, wanneer de rechter beslist dat de akte een verklaring bevat die er niet in staat of dat zij geen verklaring bevat die er wel in staat.

2.1.2. De te dezen relevante bepalingen van de Overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van de Europese ondernemingsraad van de verweerster, genaamd "Rieter Employee Involvement Team" of in het kort Reit, luiden als volgt:

Artikel 5.1.: "Reit is samengesteld uit werknemers van de in bijlage 1 aangegeven ondernemingen en bedrijven, die door de werknemersvertegenwoordigers uit hun midden of, bij gebrek aan dergelijke vertegenwoordigers, door de totaliteit van de werknemers uit hun midden worden gekozen of benoemd. De verkiezing dan wel benoeming vindt plaats volgens de nationale wetten en/of gebruiken";

Artikel 6.2.: "De leden van de Reit kunnen overeenkomstig de regeling die ten grondslag lag aan hun verkiezing of benoeming door die werknemers of werknemersvertegenwoordigers worden afgezet, die ze in Reit hebben afgevaardigd";

(stuk 1 gevoegd bij onderhavige voorziening; eigen benadrukking).

2.1.3. Het appelgerecht overweegt dat die bepalingen van de overeenkomst als volgt luiden:

"Artikel 5.1 van de overeenkomst inzake de oprichting van een Europese ondernemingsraad van het Rieter-concern (genaamd Reit "Rieter Employee Involvement Team") bepaalt dat de Europese ondernemingsraad is samengesteld uit werknemers die door de werknemersvertegenwoordigers uit hun midden of, bij gebrek aan dergelijke vertegenwoordigers, door de totaliteit van de werknemers uit hun midden worden gekozen of benoemd.

Betreffende de duur van het mandaat bepaalt de overeenkomst in punt 6.2 dat de leden van de Reit overeenkomstig de regeling die ten grondslag lag aan hun verkiezing of benoeming door die werknemers of werknemersvertegenwoordigers worden afgezet, die ze in Reit hebben afgevaardigd" (bestreden arrest, p. 10, nr. 12).

Het appelgerecht laat bijgevolg de laatste zin van artikel 5.1 weg. Op grond van die zin vindt de verkiezing dan wel benoeming plaats volgens de nationale wetten en/of gebruiken.

Het appelgerecht dat deze laatste zin van artikel 5.1 weglaat geeft bijgevolg van deze bepaling een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent de bewijskracht van de overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van Reit (schending van artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek; stuk 1 gevoegd bij de onderhavige voorziening, artikel 5.1).

2.1.4. Het hierboven (sub nr. 2.1.2) geciteerde artikel 6.2 van gezegde overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van Reit verwijst betreffende de afzetting van de leden van de Reit naar de regeling die ten grondslag lag aan hun verkiezing of benoeming. Zoals gezegd, verwijst artikel 5.1 betreffende de verkiezing of benoeming naar de nationale wetten en/of gebruiken (ibidem). Uit de tekst van de artikelen 6.2 en 5.1 blijkt dus dat de afzetting dient plaats te vinden volgens de nationale wetten en/of gebruiken (stuk 1 gevoegd bij de onderhavige voorziening, artikel 5.1 en 6.2).

Op grond van de hierboven aangevochten uitlegging van artikel 5.1. waarbij "de nationale wetten en/of gebruiken" buiten beschouwing worden gelaten, oordeelt het appelgerecht dat op 27 oktober 2003, vóór de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003, de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad beslisten om het mandaat van de eiser als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad te herroepen en te beëindigen met ingang van 27 oktober 2003 overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst inzake de Reit en dat de eiser aldus zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad heeft verloren met ingang van 27 oktober 2003 (bestreden arrest, p. 10, nr. 12-13) en overweegt het: "Indien de vertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad wordt aangewezen door zijn medeleden in de Belgische ondernemingsraad dan kunnen de leden van de Belgische ondernemingsraad een mandaat in de Europese ondernemingsraad beëindigen en degene die door hen werd aangeduid afzetten" (bestreden arrest, p. 11, nr. 13).

Aldus, namelijk door "de nationale wetten en/of gebruiken" buiten beschouwing te laten geeft het appelgerecht van artikel 6.2 juncto 5.1 van de overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van Reit een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan en miskent het de bewijskracht van de overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van Reit (schending van artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek; stuk 1 gevoegd bij de onderhavige voorziening, artikel 6.2. juncto 5.1).

2.1.5. De beslissing van het appelgerecht dat de eiser geen rechten kan laten gelden op een beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad bij het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003 (bestreden arrest, p. 10, nr. 13) en dat de vordering van de eiser tegen de verweerster tot betaling van het bedrag van 89.980,47 euro in hoofdsom ongegrond is, die op deze bekritiseerde uitlegging steunt, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek).

2.2. Tweede onderdeel

Schending van artikel 149 Grondwet.

2.2.1. Het appelgerecht overweegt enerzijds:

- dat de eiser zijn mandaat als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad van de verweerster (Reit) toegewezen kreeg in mei 2003, dat dit mandaat ten einde liep op 22 juni 2007, dat de wetgeving voor dit lidmaatschap dezelfde bescherming voorziet als voor het lidmaatschap van de Belgische ondernemingsraad en "Dat de vertegenwoordigers van de Europese ondernemingsraad een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers van de Belgische ondernemingsraad is duidelijk omschreven in artikel 10 van de richtlijn 94/45/EG en in artikel 45 van de CAO nr. 62" (bestreden arrest, p. 2, derde laatste al; p. 3, al. 3p. 12, nr. 15, al. 3).

Op grond van deze overwegingen neemt het appelgerecht aan dat de leden en plaatsvervangende leden in de Europese ondernemingsraad een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad.

De wijze waarop het mandaat een einde neemt, zoals op limitatieve wijze bepaald in artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948, behoort tot de bescherming en waarborgen van deze leden en werknemersvertegenwoordigers.

Het appelgerecht overweegt anderzijds:

"Het bestreden vonnis stelt terecht dat [de eiser] voorbijgaat aan het feit dat het mandaat in de Belgische ondernemingsraad het resultaat is van een verkiezing in de onderneming door alle werknemers die daarvoor in aanmerking komen en dat het mandaat in de Europese ondernemingsraad het resultaat is van een aanduiding, - enkel en alleen - door diezelfde leden van de ondernemingsraad" (bestreden arrest, p. 9, nr. 11.2, al. 4)

en:

De vertegenwoordigers van het personeel worden verkozen door de werknemers van de onderneming (artikel 18, eerste lid). Zowel de kiezers en als de afgevaardigden moeten aan bepaalde wettelijke voorwaarden voldoen, zodat hun mandaat een einde neemt volgens de wettelijk bepaalde gevallen opgesomd in artikel 21, § 2.

In casu werd [de eiser] niet verkozen maar aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers, zodat de bepalingen van de Wet van 20 september 1948 hier niet naar analogie kunnen worden toegepast" (bestreden arrest, p. 11, nr. 14.1).

Op grond van deze overwegingen neemt het appelgerecht aan dat de leden en de plaatsvervangende leden in de Europese ondernemingsraad die werden aangewezen, zoals in casu de eiser, niet een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad, die werden verkozen, meer bepaald betreffende de beëindiging van het mandaat.

2.2.2. Het is tegenstrijdig enerzijds te overwegen dat de leden en de plaatsvervangende leden wel een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad en anderzijds te overwegen dat de leden en de plaatsvervangende leden niet een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad.

De bestreden beslissing, die de vordering van de eiser tegen de verweerster tot betaling van het bedrag van 89.980,47 euro in hoofdsom ongegrond verklaart en die steunt op deze tegenstrijdige overwegingen is bijgevolg niet regelmatig met redenen omkleed (schending van artikel 149 Gerechtelijk Wetboek).

2.3. Derde onderdeel

Schending van de artikelen 21, § 2, van de wet van 20 september 1948, 45 van de CAO nr. 62, 7 van de wet van 23 april 1998 en - voor zoveel als nodig - 10, 11 Grondwet en 10 van de Richtlijn 94/45/EG.

2.3.1. Krachtens artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG en artikel 45 van de CAO nr. 62 genieten de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad bij het verrichten van hun taak dezelfde rechten en dezelfde bescherming als de leden die de werknemers vertegenwoordigen in de Belgische ondernemingsraad.

Artikel 7 van de wet van 23 april 1998 bepaalt dat het recht dat de regels betreffende het statuut van de werknemersvertegenwoordigers beheerst, het recht is van de Lidstaat waar hun werkgever gevestigd is.

De termen "statuut", "rechten", "bescherming" in die wetsbepalingen behelzen onder meer de beëindiging van het mandaat in de Europese ondernemingsraad.

Artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 bepaalt limitatief de wijzen waarop het mandaat van de personeelsafgevaardigden in de ondernemingsraad een einde neemt.

Deze wetsbepaling is van openbare orde, minstens van dwingend recht. Zij vormt onmiskenbaar een beschermende maatregel ten voordele van de personeelsafgevaardigde in de ondernemingsraad.

Het appelgerecht neemt overigens aan dat niet betwist wordt dat de reglementering inzake de instelling en de werking van de ondernemingsraden een openbare orde karakter hebben (bestreden arrest, p. 11, nr. 14.1, in fine).

2.3.2. Het appelgerecht overweegt dat de eiser zijn mandaat als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad van de verweerster (Reit) toegewezen kreeg in mei 2003, dat dit mandaat ten einde liep op 22 juni 2007, dat de wetgeving voor dit lidmaatschap dezelfde bescherming voorziet als voor het lidmaatschap van de Belgische ondernemingsraad en "Dat de vertegenwoordigers van de Europese ondernemingsraad een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers van de Belgische ondernemingsraad is duidelijk omschreven in artikel 10 van de richtlijn 94/45/EG en in artikel 45 van de CAO nr. 62" (bestreden arrest, p. 2, derde laatste al; p. 3, al. 3, p. 12, nr. 15, al. 3).

Het onderscheid tussen effectief en plaatsvervangend lid is in casu niet ter zake dienend, zoals uit de context van het bestreden arrest blijkt, nu voor beide categorieën te dezen dezelfde bepalingen gelden.

2.3.3. Uit het voorgaande (sub 2.3.1-2.3.2) volgt dat artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 toepasselijk is op de beëindiging van het mandaat van de eiser als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad.

Het feit dat de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad worden verkozen (artikel 18 W. 20 september 1948) terwijl de leden en de plaatsvervangende leden in de Europese ondernemingsraad worden aangeduid of verkozen (artikel 5.1. van de in het eerste onderdeel geciteerde overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van de Reit; artikel 29 CAO nr. 62), doet geen afbreuk aan de toepassing van artikel 21, § 2 van de wet van 20 september 1948 krachtens de artikelen 10 van de Richtlijn 94/45/EG, 45 van de CAO nr. 62 en 7 van de wet van 23 april 1998.

Het appelgerecht dat anders beslist, namelijk dat de vertegenwoordigers van het personeel worden verkozen door de werknemers in de onderneming (artikel 18, eerste lid [W. 20 september 1948]) en dat de eiser niet verkozen maar aangewezen werd door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers, zodat de bepalingen van de wet van 20 september 1948 hier niet kunnen worden toegepast (bestreden arrest, p. 11, nr. 14.1), schendt bijgevolg de voormelde artikelen 21, § 2, van de wet van 20 september 1948, 7 van de wet van 23 april 1998 en 45 van de CAO nr. 62 en interpreteert minstens artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG niet richtlijnconform.

2.3.4. De overeenkomst dd. 23 juni 2003 tot oprichting van de Europese ondernemingsraad van de verweerster, genaamd "Rieter Employee Involvement Team" of in het kort Reit, kan alleszins niet op rechtsgeldige wijze afwijken van artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948, dat zoals gezegd, van openbare orde is, minstens van dwingend recht.

Het appelgerecht dat anders oordeelt, namelijk dat op 27 oktober 2003 de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad beslisten om het mandaat van de eiser als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad te herroepen en te beëindigen met ingang van 27 oktober 2003 overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst inzake de Reit, dat de eiser alzo dit mandaat heeft verloren met ingang van 27 oktober 2003 en dat indien de vertegenwoordiger in de Europese ondernemingsraad wordt aangewezen door zijn medeleden in de Belgische ondernemingsraad de leden van de Belgische ondernemingsraad dan een mandaat in de Europese ondernemingsraad kunnen beëindigen en degene die door hen werd aangeduid afzetten (bestreden arrest, p. 10-11, nr. 12-13), schendt bijgevolg de artikelen 21, § 2, van de wet van 20 september 1948, 7 van de wet van 23 april 1998 en 45 van de CAO nr. 62 en interpreteert minstens artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG niet richtlijnconform.

Dergelijke herroeping of afzetting is immers geen door artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 bepaalde wijze van beëindiging van het mandaat.

2.3.5. De voormelde bepalingen van artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG, 45 van de CAO nr. 62 en 7 van de wet van 23 april 1998 maken geen onderscheid naargelang de leden of de plaatsvervangende leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen dan wel verkozen werden.

Hieruit volgt dat artikel 21, § 2, van de wet van 20 september 1948 zowel toepasselijk is op de verkozen als op de aangewezen leden en plaatsvervangende leden van de Europese ondernemingsraad.

Het appelgerecht dat anders beslist, namelijk dat in casu de eiser niet verkozen maar aangewezen werd door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers, zodat de bepalingen van de wet van 20 september 1948 hier niet naar analogie kunnen worden toegepast (bestreden arrest, p. 9, nr. 11.2, al. 4, p. 11, nr. 13, in fine en 14.1), schendt bijgevolg de artikelen 21, § 2 van de wet van 20 september 1948, 7 van de wet van 23 april 1998 en 45 van de CAO nr. 62.

Uit het voorgaande volgt dat het appelgerecht aldus minstens artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG niet richtlijnconform interpreteert en op zijn allerminst een onverantwoord onderscheid maakt tussen de werknemersvertegenwoordigers die worden verkozen en de leden en plaatsvervangende leden van de Europese ondernemingsraad die worden aangeduid (schending van artikel 10 en 11 Gerechtelijk Wetboek).

De in artikel 10 Grondwet vervatte regel van de gelijkheid van de Belgen en de in artikel 11 Grondwet neergelegde regel van non-discriminatie in het genot van de aan de Belgen erkende rechten en vrijheden houden immers in dat eenieder die zich in dezelfde toestand bevindt op dezelfde wijze wordt behandeld, maar sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover voor het criterium van onderscheid een objectieve en redelijke verantwoording bestaat; het bestaan van een dergelijke verantwoording moet beoordeeld worden met betrekking tot het doel en de gevolgen van de maatregel; het gelijkheidsbeginsel is ook geschonden wanneer vaststaat dat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel geen redelijk verband van evenredigheid bestaat.

2.3.6. Besluit

De aangevochten beslissing van het appelgerecht dat de eiser geen rechten kan laten gelden op een beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad bij het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003 (bestreden arrest, p. 10, nr. 13) en dat de vordering van de eiser tegen de verweerster tot betaling van het bedrag van 89.980,47 euro in hoofdsom ongegrond is, die op de hierboven (2.3.1-2.3.5) bekritiseerde redenen steunt, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van de artikelen 21, § 2, van de wet van 20 september 1948, 45 van de CAO nr. 62, 7 van de wet van 23 april 1998 en - voor zoveel als nodig - 10, 11 Grondwet en niet richtlijnconforme interpretatie artikel 10 Richtlijn 94/45/EG).

2.4. Vierde onderdeel

Schending van de artikelen 1319, 1320, 1322 Burgerlijk Wetboek en 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en het erin neergelegde algemeen rechtsbeginsel beschikkingsbeginsel genoemd

2.4.1. Krachtens het algemeen rechtsbeginsel betreffende de autonomie der procespartijen, ook beschikkingsbeginsel genoemd, sturen in burgerlijke zaken alleen de partijen het proces.

Op grond van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek staat er geen herroeping van het gewijsde open maar enkel, tegen de beslissingen in laatste aanleg, voorziening in cassatie wegens overtreding van de wet indien er uitspraak gedaan is over niet gevorderde zaken of er meer werd toegekend dan er gevraagd was.

Uit deze rechtsregels volgt dat de rechter geen betwisting mag opwerpen waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten.

2.4.2. De verweerster erkende in haar conclusie voor het appelgerecht dat de eiser op 27 oktober 2003 deel uitmaakte van de Belgische ondernemingsraad, dat zonder een formele vergadering van de ondernemingsraad samen te roepen de werknemersvertegenwoordigers op 27 oktober 2003 samen kwamen om een einde te stellen aan het mandaat van de eiser, dat de handtekeningen op het litigieuze document dd. 27 oktober 2003 deze zijn van de leden van de ondernemingsraad met uitzondering van de eiser zelf (Syntheseberoepsbesluiten, p. 13, al. 1-3). Zij bevestigde aldus de stelling die de eiser in zijn conclusie voor het appelgerecht poneerde (Syntheseberoepsconclusie, p. 14, drie laatste al., p. 15, al. 1-2).

Het appelgerecht neemt trouwens aan dat de eiser op 27 oktober 2003 deel uitmaakte van de Belgische ondernemingsraad (bestreden arrest, p. 2, derde laatste en laatste al., p.3, al. 1).

2.4.3. Uit de respectieve conclusies van de partijen voor het appelgerecht blijkt dus dat zij uitdrukkelijk de betwisting uitsloten omtrent de punten dat de litigieuze "Beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de Ondernemingsraad" gedateerd op 27 oktober 2003 (1) niet werd genomen door de Belgische ondernemingsraad en (2) niet werd genomen door alle leden van deze ondernemingsraad, meer bepaald niet door de eiser.

Het appelgerecht dat anders oordeelt, namelijk dat deze beslissing werd genomen "door de Belgische ondernemingsraad" (bestreden arrest, p. 12, al. 1) schendt bijgevolg het beschikkingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1138, 2° Gerechtelijk Wetboek en deze wetsbepaling. Op grond hiervan beslist het appelgerecht dat niet zo maar kan worden gesteld dat dit stuk geen bewijswaarde zou hebben (ibidem).

Door te oordelen dat de litigieuze beslissing werd genomen door "de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad" (ibidem, p. 10, nr. 12; idem als op p. 5, nr. 5), hetgeen impliceert alle werknemersvertegenwoordigers, schendt het appelgerecht bijgevolg het beschikkingsbeginsel zoals neergelegd in artikel 1138, 2° Gerechtelijk Wetboek en deze wetsbepaling.

2.4.4. De litigieuze "Beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de Ondernemingsraad" gedateerd op 27 oktober 2003 luidt als volgt:

"Beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de Ondernemingsraad

De ondertekenende werknemersvertegenwoordigers, die zitting hebben in de Ondernemingsraad van Rieter Automotive Belgium nv, hebben bij meerderheid beslist om het mandaat van A.F. als plaatsvervangend lid in de Reit, dit is de Europese Ondernemingsraad van Rieter, te herroepen en te beëindigen met ingang van 27 oktober 2003 overeenkomstig artikel 6 van de overeenkomst dd. 23 juni 2003 inzake de Reit.

Vanaf 28 oktober 2003 wordt Quattrocchi Antonella aangewezen als plaatsvervangend lid in de Reit, en dit, behoudens herroeping overeenkomstig voormeld artikel 6, tot op het tijdstip van de vernieuwing van de Reit in juni 2007.

Opgemaakt op 27 oktober 2003 te Genk

[zes handtekeningen]"

(stuk 2 gevoegd bij de onderhavige voorziening).

Dit stuk vermeldt dat het een "Beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de Ondernemingsraad" is doch niet dat het een "beslissing genomen door de Belgische ondernemingsraad" is.

Het appelgerecht dat anders oordeelt, namelijk dat deze beslissing werd genomen "door de Belgische ondernemingsraad", geeft bijgevolg van deze akte een uitlegging die onverenigbaar is met de bewoordingen ervan zodat het de bewijskracht van deze akte miskent (schending artikel 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek).

Uit de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek volgt immers dat de bewijskracht van een akte en deze wetsartikelen worden geschonden door de rechter die van die akte een uitlegging geeft die met de bewoordingen ervan onverenigbaar is of, anders uitgedrukt, wanneer de rechter beslist dat de akte een verklaring bevat die er niet in staat of dat zij geen verklaring bevat die er wel in staat.

2.4.5. Besluit: De bestreden beslissing van het appelgerecht dat de eiser zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad heeft verloren met ingang van 27 oktober 2003, zodat hij geen rechten kan laten gelden op een beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad bij het beëindigen van zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003 (bestreden arrest, p. 10, nr. 12-13), die op de hierboven (sub 2.4.1 - 2.4.4) bekritiseerde overwegingen steunt, is bijgevolg niet naar recht verantwoord (schending van artikel 1138, 2°, Gerechtelijk Wetboek en het erin neergelegde algemeen rechtsbeginsel beschik-kingsbeginsel genoemd (supra, nr. 2.4.1 - 2.4.3) en van de artikelen 1319, 1320 en 1322 Burgerlijk Wetboek (supra, nr. 2.4.4).

5. Vijfde onderdeel

Schending van artikel 149 Grondwet.

2.5.1. De eiser voerde in ondergeschikte orde, indien het appelgerecht zou oordelen dat aan het mandaat van de eiser in de Europese ondernemingsraad een geldig einde zou kunnen gesteld zijn op 27 oktober 2003, in zijn conclusie voor het appelgerecht het volgende aan:

"5.2.1.1. Ondergeschikt : behoud van de bescherming tengevolge kandidatuur

Zelfs indien het [appelgerecht] zou oordelen dat aan het mandaat van [de eiser] in de Europese Ondernemingsraad éénzijdig, zonder opgave van reden, en zonder dat [de eiser] daar zelfs maar kennis van had of aan hem aangekondigd werd, een geldig einde zou kunnen gesteld zijn op 27/10/2003, quod non, dan nog doet dit geen afbreuk aan het feit dat [de eiser] ontslagbescherming geniet op basis van zijn kandidatuur voor de Europese ondernemingsraad.

Het Grondwettelijk Hof oordeelde met [zijn] arresten van 23/1/2002 (arrest nr. 19/2002) en 8/11/2006 (arrest nr. 167/2006) dat het einde van het mandaat en de daaraan verbonden bescherming, niet de bijzondere ontslagbescherming die aan de 'kandidaten' toegekend wordt, doet eindigen. In dat geval zou de werknemersafgevaardigde immers discriminerend behandeld worden in vergelijking met de niet verkozen kandidaten die geen mandaat hebben om in te leveren en dus hun bescherming niet kunnen verliezen.

[De eiser] is van oordeel dat hetzelfde principe dient toegepast te worden op de werknemersvertegenwoordigers in de Europese Ondernemingsraad.

De Europese richtlijn 94/95 EEG van de Raad van 22/09/1994 bepaalt in artikel 10, lid 1 dat éénzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten worden toegekend als in het nationaal recht.

"De leden van de bijzondere onderhandelingsgroep, de leden van de Europese ondernemingsraad en de werknemersvertegenwoordigers die hun taak in het kader van artikel 6, lid 3 vervullen, genieten bij het verrichten van hun taak éénzelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgeving en/of gebruiken in het land waar zij hun dienstbetrekking hebben."

Deze richtlijn werd omgezet in de Belgische rechtsorde via artikel 9 van de wet van 23 april 1998 (houdende begeleidende maatregelen m.b.t. de instelling van een Europese Ondernemingsraad).

Uit het gegeven dat de werknemersafgevaardigden in de Europese Ondernemingsraad aangewezen worden (cfr. artikel 29 CAO 62 dd. 6/2/1996), volgt geenszins dat dit éénzijdig en tegen hun wil zou zijn, en veronderstelt aldus in eerste instantie dat zij zich voor dit mandaat kandidaat stellen. Dit volgt bovendien ook uit de bepalingen van artikel 9 van de Wet van 23/4/1998 waarin een bescherming toegekend wordt die loopt vanaf de 30ste dag voorafgaand aan de aanwijzing !

Niets sluit bovendien uit dat er niet meerdere kandidaten kunnen zijn voor dit mandaat.

De aanwijzing van vertegenwoordigers kan tevens wel degelijk als verkiezing gelden.

[De eiser] verwijst hierbij naar het reeds eerder geciteerde arrest van het arbeidshof te Brussel dd. 4/12/2007 (J.T.T. 2008, 162):

"Het Hof deelt de opvatting niet dat de in artikel 17 van de Wet van 19 maart 1991 voorziene vergoeding niet kan toegepast worden omdat B. in zijn Europees mandaat niet werd verkozen.

B. wijst er terecht op dat ook het aanwijzen door stemming van vertegenwoordigers als verkiezing kan gelden.

Bovendien spreekt artikel 9 van de Wet van 23 april 1998, die in een gelijkaardige bescherming voorziet als die van de Wet van 19 maart 1991 wel degelijk van een bescherming die loopt vanaf de dertigste dag voorafgaand aan de aanwijzing en die eindigt de dag waarop het mandaat een einde neemt."

[De eiser] is dan ook van oordeel dat hij - conform de richtlijn 94/95 EEG en een richtlijnconforme interpretatie van artikel 9 van de Wet van 23 april 1998 - zijn bescherming behield, zelfs in het geval dat het [appelgerecht] tot het besluit zou komen dat het mandaat in de Europese Ondernemingsraad een einde zou genomen hebben op 27/10/2003" (Syntheseberoepsconclusie, p. 15-16, nr. 5.2.1.1).

2.5.2. De eiser voerde aldus op omstandige wijze aan, steunend op de arresten van het (thans) Grondwettelijk Hof van 23 januari 2002 (arbitragehof nr. 19/2002) en 8 november 2006 (arbitragehof nr. 167/2006) dat zelfs indien het appelgerecht zou oordelen dat het mandaat van de eiser in de Europese ondernemingsraad op regelmatige wijze werd beëindigd door de beslissing van 27 oktober 2003, dit geen afbreuk doet aan het feit dat hij ontslagbescherming genoot ingevolge zijn kandidatuur voor zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad (Syntheseberoepsbesluiten, p. 15, nr. 5.2.1.1).

Het appelgerecht antwoordt niet op de voormelde conclusie van de eiser zodat het artikel 149 Grondwet schendt op grond waarvan het bestreden arrest met redenen omkleed dient te zijn.

De bestreden beslissing die de vordering van de eiser tegen de verweerster tot betaling van het bedrag van 89.980,47 euro in hoofdsom ongegrond verklaart, is bijgevolg niet regelmatig gemotiveerd (schending van artikel 149 Gerechtelijk Wetboek).

2.6. Zesde onderdeel

Schending van de artikelen 45 van de CAO nr. 62, 7, 9 van de wet van 23 april 1998, 1, 2, 17 van de wet van 19 maart 1991 en voor zoveel als nodig 10 en 11 Grondwet en niet richtlijnconforme interpretatie van artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG

2.6.1. Het appelgerecht overweegt dat de eiser zijn mandaat als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad van de verweerster (Reit) toegewezen kreeg in mei 2003, dat dit mandaat ten einde liep op 22 juni 2007, dat de wetgeving voor dit lidmaatschap dezelfde bescherming voorziet als voor het lidmaatschap van de Belgische ondernemingsraad en "Dat de vertegenwoordigers van de Europese ondernemingsraad een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen moeten genieten als de werknemersvertegenwoordigers van de Belgische ondernemingsraad is duidelijk omschreven in artikel 10 van de richtlijn 94/45/EG en in artikel 45 van de CAO nr. 62" (bestreden arrest, p. 2, derde laatste al; p. 3, al. 3, p. 12, nr. 15, al. 3).

2.6.2. Krachtens artikel 45 van de CAO nr. 62 genieten de in België tewerkgestelde leden van de Europese ondernemingsraad bij het verrichten van hun taak dezelfde rechten en dezelfde bescherming als de leden die de werknemers vertegenwoordigen in de Belgische ondernemingsraad.

Artikel 7 van de wet van 23 april 1998 bepaalt dat het recht dat de regels betreffende het statuut van de werknemersvertegenwoordigers beheerst, het recht is van de Lidstaat waar hun werkgever gevestigd is.

Op grond van artikel 9 van deze wet van 23 april 1998 genieten onder anderen de werknemersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraden en hun vervangers van de bijzondere ontslagregeling bepaald door de wet van 19 maart 1991 en is deze bijzondere regeling op hen van toepassing voor elk ontslag dat plaatsvindt in een periode die aanvangt de dertigste dag voorafgaand aan hun aanwijzing en die eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt.

Voor de toepassing van de voormelde wetsbepalingen gelden de volgende principes:

- de wet garandeert voor de kandidaten de bijzondere bescherming zonder een onderscheid te maken naargelang zij al dan niet verkozen zijn en zonder te bepalen dat die bescherming definitief wordt opgeheven wanneer zij afgevaardigde worden (Grondwettelijk Hof 23 januari 2002, arrest nr. 19/2002);

- de artikelen 21, § 2 van de wet van 20 september 1948, 1 en 2 van de wet van 19 maart 1991, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, elke bescherming tegen ontslag verliest, schenden de artikelen 10 en 11 Grondwet (Grondwettelijk Hof 8 november 2006, arrest nr. 167/2006).

- dezelfde bepalingen, in die zin geïnterpreteerd dat de afgevaardigde, wanneer hij zijn mandaat neerlegt, de bescherming tegen ontslag die de personen genieten die in de wet "kandidaten" worden genoemd, niet verliest, schenden de artikelen 10 en 11 Grondwet niet (ibidem).

Uit het voorgaande volgt dat deze principes eveneens gelden voor het plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad wiens mandaat volgens het appelgerecht werd herroepen, zoals in casu de eiser.

2.6.3. Het appelgerecht dat anders oordeelt, namelijk dat de eiser zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad heeft verloren met ingang van 27 oktober 2003, zodat hij geen rechten kan laten gelden op een beschermingsvergoeding (onderzochte arrest, p. 10, nr. 13, al. 1) en dat de vordering van de eiser tegen de verweerster tot betaling van het bedrag van 89.980,47 euro in hoofdsom ongegrond is, schendt bijgevolg de artikelen 45 van de CAO nr. 62, 7, 9 van de wet van 23 april 1998, en voor zoveel als nodig 10 en 11 Grondwet en niet richtlijnconforme interpretatie van artikel 10 van de Richtlijn 94/45/EG.

Door aldus te oordelen schendt het appelgerecht de artikelen 1, 2 en 17 van de wet van 19 maart 1991 op grond waarvan de verweerster aan de eiser het loon moet betalen voor het nog resterende gedeelte van de periode tot het einde van zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad, dat liep tot 22 juni 2007.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het arrest wijst de vordering af van de eiser tot betaling van een bedrag van 86.092,42 euro als loon voor het resterende gedeelte van zijn mandaat van 9 mei 2004 tot en met 2 juni 2007 als vervangend lid van de Europese ondernemings-raad omdat de eiser wegens het verlies van zijn mandaat in de Europese onderne-mingsraad met ingang van 27 oktober 2003, geen rechten kan laten gelden op een beschermingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad bij het beëin-digen van zijn arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003.

2. De overwegingen van het arrest in verband met de vraag of de bescher-mingsvergoeding als lid van de Europese ondernemingsraad kan worden gecumu-leerd met de beschermingsvergoeding op grond van een mandaat in de Belgische ondernemingsraad, zijn geen redenen waarop de beslissing noodzakelijk steunt en dienvolgens ten overvloede gegeven.

Het middel kan niet tot cassatie leiden en is bijgevolg niet ontvankelijk.

Tweede middel

Eerste onderdeel

3. Door bij zijn omschrijving van wat artikel 5.1 van de overeenkomst van 23 juni 2003 tot oprichting van de Europese ondernemingsraad van de verweerster bepaalt, slechts een deel van de inhoud van dit artikel te vermelden, geeft het ar-rest geen uitleg van die bepaling noch van de overeenkomst, zodat het de bewijs-kracht van die overeenkomst niet miskent.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

4. Het onderdeel komt in wezen op tegen de beslissing van het arbeidshof dat artikel 21, § 2, Bedrijfsorganisatiewet niet naar analogie kan worden toegepast op het mandaat van aangewezen leden en plaatsvervangende leden in de Europese ondernemingsraad en voert aldus in werkelijkheid een onwettigheid aan.

Het onderdeel dat enkel artikel 149 Grondwet als geschonden aanwijst, is niet ontvankelijk.

Derde onderdeel

5. Krachtens artikel 7 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire di-mensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, is het recht dat de regels betreffende het statuut van de werknemersvertegenwoordigers beheerst, het recht van de lidstaat waar hun werkgever gevestigd is.

6. Artikel 10, eerste lid, van richtlijn 94/45/EG van 22 september 1994 inzake de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in onder-nemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raad-pleging van de werknemers, zoals hier van toepassing, (hierna: Richtlijn 94/45/EG), bepaalt dat de leden van de Europese ondernemingsraad bij het ver-richten van hun taak een zelfde bescherming en vergelijkbare waarborgen genieten als de werknemersvertegenwoordigers bij of krachtens de nationale wetgeving of gebruiken in het land waar zij hun dienstbetrekking hebben. Luidens het tweede lid van dit artikel, betreft dit in het bijzonder het deelnemen aan de vergaderingen van de Europese ondernemingsraad en de betaling van het loon van de leden die behoren tot het personeel van de onderneming met een communautaire dimensie, voor de duur dat zij van het werk afwezig moeten zijn om hun taak te vervullen.

Deze bepaling van de richtlijn is in vergelijkbare bewoordingen overgenomen in artikel 45 van de collectieve arbeidsovereenkomst nr. 62 van 6 februari 1996 be-treffende de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire dimensie ter informatie en raadpleging van de werknemers (hierna: CAO nr. 62).

Artikel 10 Richtlijn 94/45/EG en artikel 45 CAO nr. 62 hebben betrekking op de bescherming van de leden van de Europese ondernemingsraad bij het verrichten van hun taak en niet op de wijze waarop hun mandaat een einde neemt.

7. Het onderdeel dat hierop berust dat uit artikel 10 Richtlijn 94/45/EG en arti-kel 45 CAO nr. 62 volgt dat artikel 21, § 2, Bedrijfsorganisatiewet van toepassing is op de leden en plaatsvervangende leden in de Europese ondernemingsraad, zo-dat buiten het geval van ernstige tekortkoming uitgesproken door de arbeidsge-rechten, de werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de onderne-mingsraad geen einde kunnen stellen aan het mandaat van het door hen aangewe-zen lid van de Europese ondernemingsraad, faalt naar recht.

8. In zoverre het onderdeel aanvoert dat het arrest, door te oordelen dat artikel 21, § 2, Bedrijfsorganisatiewet niet van toepassing is op de aangewezen leden en plaatsvervangende leden van de Europese ondernemingsraad, een onverantwoord onderscheid zou maken tussen de voornoemde leden, enerzijds, en de verkozen werknemersvertegenwoordigers, anderzijds, en daardoor de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, maar niet aangeeft in welk opzicht dit onderscheid onver-antwoord zou zijn, is het niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

9. Uit de appelconclusies van de partijen blijkt dat er tussen de partijen enkel overeenstemming was over het feit dat er op 27 oktober 2003 geen formele verga-dering van de Belgische ondernemingsraad plaatsvond. De verweerster voerde in conclusies aan dat dit evenwel niet vereist was voor de afzetting van een lid van de Europese ondernemingsraad door leden van de Belgische ondernemingsraad, dat de werkgeverszijde hierbij niet betrokken dient te worden en dat om die reden de werknemersvertegenwoordigers op 27 oktober 2003 samenkwamen om een einde te stellen aan het mandaat van de eiser, zodat de handtekeningen op het do-cument deze zijn van de leden van de ondernemingsraad met uitzondering van de eiser zelf.

10. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt dat het bedoelde document, gedateerd op 27 oktober 2003, vermeldt dat het een "Beslissing van de werknemersvertegenwoordigers in de ondernemingsraad" betreft en door zes per-sonen ondertekend is.

11. Het arrest stelt vast dat op 27 oktober 2003, voor de beëindiging van de ar-beidsovereenkomst op 29 oktober 2003, de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische ondernemingsraad beslisten het mandaat van de eiser als plaatsvervan-gend lid in de Europese ondernemingsraad te herroepen en te beëindigen met in-gang van 27 oktober 2003 en dat de beslissing van 27 oktober 2003 genomen door de Belgische ondernemingsraad ondertekend werd door zes werknemersverte-genwoordigers.

12. Aldus werpt het arrest geen betwisting op waarvan de partijen bij conclusie het bestaan hebben uitgesloten, noch miskent het de bewijskracht van het bedoel-de stuk.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Vijfde onderdeel

13. De eiser voerde voor de appelrechters aan dat, indien het appelgerecht zou oordelen dat de beslissing van 27 oktober 2003 het mandaat van de eiser regelma-tig beëindigt, dit geen afbreuk doet aan het feit dat hij ontslagbescherming genoot ingevolge zijn kandidatuur voor zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad.

14. Het arrest beantwoordt dit verweer met de reden dat de eiser niet werd ver-kozen, maar door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegen-woordigers werd aangewezen, zodat de bepalingen van de Bedrijfsorganisatiewet hier niet naar analogie kunnen worden toegepast.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Zesde onderdeel

15. Krachtens artikel 9 van de wet van 23 april 1998 houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een Europese ondernemingsraad of van een procedure in ondernemingen of concerns met een communautaire di-mensie ter informatie en raadpleging van de werknemers, genieten de werkne-mersvertegenwoordigers in de Europese ondernemingsraden en hun vervangers van de bijzondere ontslagregeling bepaald door de Wet Ontslagregeling Perso-neelsafgevaardigden. Deze bijzondere regeling is op hen van toepassing voor elk ontslag dat plaatsvindt in een periode die aanvangt de dertigste dag voorafgaand aan hun aanwijzing en die eindigt de dag waarop hun mandaat een einde neemt.

Uit deze bepaling volgt dat de bijzondere ontslagbescherming voortspruitend uit het lidmaatschap in de Europese ondernemingsraad een einde neemt op de dag waarop het mandaat een einde neemt.

16. Krachtens artikel 29, eerste en tweede lid, CAO nr. 62, worden de leden van de Europese ondernemingsraad aangewezen door en onder de in België tewerkgestelde werknemersvertegenwoordigers die zitting hebben in de ondernemingsraden en, bij gebrek aan akkoord onder die vertegenwoordigers, door de meerderheid daarvan.

Hieruit volgt dat personeelsafgevaardigden in een Europese ondernemingsraad in de regel niet worden verkozen op een lijst van kandidaten, maar aangewezen wor-den door en onder de werknemersvertegenwoordigers in de Belgische onderne-mingsraad.

Bijgevolg is er, na het einde van het mandaat als lid van de Europese onderne-mingsraad, geen grond voor een verdere ontslagbescherming voortspruitend uit het lidmaatschap in de Europese ondernemingsraad, die gerechtvaardigd zou zijn door de risico's die een kandidaat bij sociale verkiezingen gedurende een bepaalde periode loopt.

17. De appelrechters stellen vast dat werknemersvertegenwoordigers in de Bel-gische ondernemingsraad op 27 oktober 2003, dit is voor de beëindiging van de arbeidsovereenkomst op 29 oktober 2003, beslisten het mandaat van de eiser als plaatsvervangend lid in de Europese ondernemingsraad met onmiddellijke ingang te herroepen en te beëindigen. Zij oordelen, zonder miskenning van de in het on-derdeel aangevoerde wettelijke bepalingen en richtlijnconform, dat de eiser aldus zijn mandaat in de Europese ondernemingsraad met ingang van 27 oktober 2003 verloren heeft, zodat hij geen rechten kan laten gelden op een beschermingsver-goeding als lid van de Europese ondernemingsraad bij het beëindigen van zijn ar-beidsovereenkomst op 29 oktober 2003.

Het onderdeel kan niet worden aangenomen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 162,67 euro en voor de verweerster op 295,46 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit waarnemend eerste voorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lie-vens, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2012 uitgesproken door afdelings-voorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Europese ondernemingsraad

  • Personeelsafgevaardigde

  • Bijzondere ontslagbescherming

  • Einde