- Arrest van 18 juni 2012

18/06/2012 - S.10.0153.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Alleen de feitenrechter kan, uit het oogpunt van het toepasselijke nationale recht, de nodige feitelijke en juridische verificaties verrichten teneinde te beoordelen of een nationale regeling volgens welke werkgevers de arbeidsovereenkomsten en werkroosters van deeltijdwerknemers dienen te bewaren en openbaar te maken ertoe leidt dat deeltijdwerknemers minder gunstig worden behandeld dan voltijdwerknemers in een vergelijkbare situatie of, zo er sprake is van een dergelijk verschil in behandeling, indien wordt vastgesteld dat het zijn rechtvaardiging vindt in objectieve redenen en niet verder gaat dan ter bereiking van de daarmee nagestreefde doelstellingen noodzakelijk is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. S.10.0153.N

DELTA MOTORS nv, met zetel te 3630 Maasmechelen, Nijverheidslaan 36,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de eiseres woon-plaats kiest,

tegen

RIJKSDIENST VOOR SOCIALE ZEKERHEID, openbare instelling, met ze-tel te 1060 Sint-Gillis, Victor Hortaplein 11,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de verweerder woonplaats kiest,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het arbeidshof te Antwerpen van 9 september 2009.

Raadsheer Koen Mestdagh heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Ria Mortier heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Het middel voert schending aan van de artikelen 288, derde lid, en 291.1 VWEU, de artikelen 1 en 2.1 van de richtlijn 97/81/EG van de Raad van 15 de-cember 1997 betreffende de door de Unice, het CEEP en het EVV gesloten raam-overeenkomst inzake deeltijdarbeid (hierna: Richtlijn 97/81/EG) en de clausules 1 en 5.1.a) van de als bijlage bij die richtlijn gevoegde raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid, artikel 22ter RSZ-wet en de artikelen 157 tot 165 en 171 tot 173 Wet Deeltijdse Arbeid, evenals miskenning van het algemeen rechtsbeginsel inza-ke de primauteit van het gemeenschapsrecht: het arrest maakt niet wettig toepas-sing van het vermoeden vervat in artikel 22ter RSZ-wet, omdat de door de Wet Deeltijdse Arbeid opgelegde voorschriften in geval van deeltijdse arbeid en de in diezelfde wet en in artikel 22ter RSZ-wet bepaalde sanctieregeling belemmeringen van juridische en administratieve aard zijn die de mogelijkheden voor deel-tijdarbeid beperken, zodat die voorschriften en de daaraan gekoppelde sancties in strijd zijn met Richtlijn 97/81/EG die de discriminatie tussen deeltijd- en voltijd-werkers wil uitbannen en de deeltijdarbeid wil bevorderen.

In ondergeschikte orde verzoekt de eiseres twee prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2. Volgens de beschikking van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 7 april 2011 in de zaak C-151/10 (Dai Cugini nv) moet clausule 4 van de raam-overeenkomst inzake deeltijdarbeid, gehecht aan Richtlijn 97/81/EG, aldus wor-den uitgelegd dat zij zich niet verzet tegen een nationale regeling volgens welke werkgevers de arbeidsovereenkomsten en werkroosters van deeltijdwerknemers dienen te bewaren en openbaar te maken, indien wordt vastgesteld dat deze rege-ling niet ertoe leidt dat deeltijdwerknemers minder gunstig worden behandeld dan voltijdwerknemers in een vergelijkbare situatie of, zo er sprake is van een dergelijk verschil in behandeling, indien wordt vastgesteld dat het zijn rechtvaardiging vindt in objectieve redenen en niet verder gaat dan ter bereiking van de daarmee nagestreefde doelstellingen noodzakelijk is.

Volgens de voormelde beschikking staat het aan de nationale rechter de nodige feitelijke en juridische verificaties te verrichten, met name uit het oogpunt van het toepasselijke nationale recht, teneinde te beoordelen of dit het geval is in de bij hem aanhangige zaak.

Komt de nationale rechter tot de conclusie dat de nationale regeling onverenigbaar is met clausule 4 van de aan Richtlijn 97/81/EG gehechte raamovereenkomst in-zake deeltijdarbeid, dan moet clausule 5, lid 1, ervan aldus worden uitgelegd dat zij zich ook verzet tegen een dergelijke regeling.

3. Uit artikel 147, tweede lid, Grondwet dat bepaalt dat het Hof van Cassatie niet in de beoordeling van de zaken zelf treedt, volgt dat alleen de feitenrechter de voormelde feitelijke en juridische verificaties kan verrichten.

Het middel is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 158,74 euro en voor de verweerder op 315,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, derde kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Koen Mestdagh, Mireille Delange en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 18 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Deeltijdse arbeid

  • E.G.-Richtlijn 97/81

  • Clausule 4 van de aan de Richtlijn gehechte raamovereenkomst inzake deeltijdarbeid

  • Strijdigheid van de nationale regeling

  • Beoordelingsbevoegdheid van de nationale rechter