- Arrest van 19 juni 2012

19/06/2012 - P.12.0712.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het verzoek tot verwijzing van de ene rechtbank naar de andere, als bedoeld in artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, moet bewijskrachtige en nauwkeurige feiten aandragen die, indien zij juist blijken te zijn, gewettigde verdenking kunnen meebrengen omtrent de strikte onpartijdigheid en onafhankelijkheid, die wordt vermoed, van alle magistraten waaruit het rechtscollege is samengesteld waaraan de verzoeker de zaak wil onttrekken (1). (1) Zie Cass. 1 april 1998, AR P.98.0278.F, AC 1998, nr. 185; Cass. 6 mei 1998, AR P.98.0585.F, AC 1998, nr. 229; Cass. 4 maart 2005, AR C.05.0009.N, AC 2005, nr. 137.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0712.N

F. A. M

verzoeker tot verwijzing van de ene rechtbank naar een andere,

met als raadslieden mr. Mounir Souidi, advocaat bij de balie te Antwerpen en mr. Kris Beirnaert, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Bij arrest van het Hof van 29 november 2011 (P.11.1476.N) werd:

- de aanvraag tot herziening van de procureur-generaal bij het Hof namens de minister van Justitie betreffende het op tegenspraak gewezen arrest van het hof van beroep te Antwerpen, correctionele kamer, van 18 september 2001, waarbij de verzoeker werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van vijf jaar en een fis-cale geldboete van 500.000 frank wegens inbreuken op de artikelen 73 en 73bis Btw-wetboek, de artikelen 53, 3° en 4°, Btw-wetboek en de artikelen 45, § 1, en 73 Btw-wetboek en waarbij hij werd veroordeeld om de btw-administratie als burgerlijke partij te vergoeden, ontvankelijk verklaard;

- bevolen dat de aanvraag zou worden onderzocht door het hof van beroep te Antwerpen, burgerlijke kamer, teneinde na te gaan of de tot staving van het verzoek voorgedragen feiten beslissend genoeg schijnen om de zaak te herzien.

In het op 20 april 2012 ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift vraagt de verzoeker dat het Hof op grond van gewettigde verdenking de zaak zou verwijzen naar een ander hof van beroep dan het hof van beroep te Antwerpen. Het onderte-kend verzoekschrift vermeldt de redenen die volgens de verzoeker de gewettigde verdenking opleveren.

Bij arrest van 8 mei 2012 heeft het Hof beslist dat het verzoek niet kennelijk on-ontvankelijk was.

De eerste voorzitter en de leden van de eerste kamer van hof van beroep te Ant-werpen hebben de bij artikel 545, vierde lid, 1°, b), Wetboek van Strafvordering voorgeschreven verklaring opgesteld.

De procureur-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen heeft het door artikel 545, vierde lid, 3°, Wetboek van Strafvordering bedoelde advies verstrekt.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. De verzoeker houdt voor dat door hem en door de publieke opinie ten zeer-ste kan worden betwijfeld of de magistraten van het hof van beroep te Antwerpen in deze zaak met de vereiste sereniteit, onafhankelijkheid en onpartijdigheid uit-spraak kunnen doen en dat het Antwerpse parket-generaal objectief en correct zou te werk gaan. Hij voert daartoe de volgende elementen aan:

- twee andere veroordeelden hebben reeds twee keer de herziening verzocht van de veroordeling van 18 september 2001, waarvan thans de eiser herziening vraagt; de door het Antwerpse hof van beroep in die herzieningsprocedures gewezen arresten van 29 juni 2004 en 3 juni 2008 spreken elkaar op het vlak van het eventueel gebruik van informanten manifest tegen;

- de tegenstrijdigheid tussen die beide arresten werd veroorzaakt door het parket-generaal bij het hof van beroep te Antwerpen, dat cruciale informatie niet openbaar heeft gemaakt aan partijen en aan het hof van beroep en heeft ge-poogd die informatie anders voor te stellen;

- dit parket-generaal heeft een onderzoek van het Comité P op ontoelaatbare wij-ze bijgestuurd;

- de leidende officier van de gerechtelijke politie die het gerechtelijk onderzoek mede heeft gevoerd, heeft nadien onjuiste verklaringen afgelegd teneinde cru-ciale informatie niet openbaar te maken;

- het hof van beroep te Antwerpen heeft deze houding van het parket-generaal en de gerechtelijke politie vastgesteld, maar heeft geweigerd hieraan enig gevolg te koppelen.

2. Volgens de verklaring van de eerste voorzitter van het hof van beroep te Antwerpen zijn er thans in dit hof van beroep meer dan zestig raadsheren, waar-van er verscheidene nog niet benoemd waren ten tijde van het arrest waarvan de herziening wordt gevraagd, waren anderen op dat ogenblik wel raadsheer, maar hebben zij geen kennis genomen van de zaak en waren de raadsheren die de bur-gerlijke kamer samenstellen die thans moet oordelen over de herzieningsaanvraag, niet betrokken bij het veroordelend arrest van 18 september 2001 en evenmin bij de twee eerdere herzieningsverzoeken.

3. Het verzoek tot verwijzing van de ene rechtbank naar de andere, als bedoeld in artikel 542, tweede lid, Wetboek van Strafvordering, moet bewijskrachtige en nauwkeurige feiten aandragen die, indien zij juist blijken te zijn, gewettigde ver-denking kunnen meebrengen omtrent de strikte onpartijdigheid en onafhankelijk-heid, die wordt vermoed, van alle magistraten waaruit het rechtscollege is samen-gesteld waaraan de verzoeker de zaak wil onttrekken.

4. Het verzoek is niet ontvankelijk:

- in zoverre het is gesteund op feiten die aan de politie en het openbaar ministerie worden verweten;

- in zoverre het de leden van de burgerlijke kamer van het hof van beroep te Antwerpen verwijt eerdere van anderen uitgaande en op andere feiten steunen-de aanvragen tot herziening van de veroordeling van 18 september 2001 op een onbevredigende wijze negatief te hebben geadviseerd en dit verwijt aldus geen betrekking heeft op alle leden van het hof van beroep te Antwerpen, maar slechts op die leden die in de beide herzieningsaanvragen de burgerlijke kamer samenstelden.

5. Indien de aanvraag tot herziening is gesteund op een van de in artikel 443, 3°, Wetboek van Strafvordering bepaalde gronden, zoals in deze zaak, dient over-eenkomstig artikel 445, derde en vierde lid, Wetboek van Strafvordering het door het Hof aangewezen hof van beroep de aanvraag te onderzoeken teneinde na te gaan of de tot staving van de aanvraag aangevoerde feiten beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te herzien.

Het aangewezen hof van beroep dient dus niet, zoals de verzoeker aanvoert, te on-derzoeken of de kamer van het hof van beroep die de veroordeling heeft uitgesp-roken, "zich heeft vergist en gefaald heeft" en dient evenmin die zaak opnieuw te beoordelen of de veroordeling op haar wettigheid te toetsen.

De burgerlijke kamer van het aangewezen hof van beroep dient uitsluitend na te gaan of de aangevoerde feiten die zich hebben voorgedaan sinds de veroordeling of de aangevoerde omstandigheid waarvan de verzoeker ten tijde van het geding het bestaan niet heeft kunnen aantonen, beslissend genoeg schijnen te zijn om de zaak te herzien.

Artikel 445 Wetboek van Strafvordering noch enige andere wettelijke bepaling sluiten uit dat een op artikel 443, 3°, Wetboek van Strafvordering gesteunde aan-vraag tot herziening van een arrest van een correctionele kamer van een hof van beroep wordt onderzocht door de burgerlijke kamer van datzelfde hof van beroep.

De omstandigheid dat een op artikel 443, 3°, Wetboek van Strafvordering ge-steunde herzieningsaanvraag van een veroordeling, uitgesproken door een correc-tionele kamer van een hof van beroep, wordt beoordeeld door de leden van de burgerlijke kamer van ditzelfde hof van beroep, die bij die veroordeling niet be-trokken waren, kan in hoofde van de verzoeker en de publieke opinie geen schijn van partijdigheid of afhankelijkheid doen ontstaan.

6. Uit de omstandigheid dat eerdere van anderen uitgaande en op andere feiten steunende aanvragen tot herziening van een door een correctionele kamer van het hof van beroep uitgesproken veroordeling, door de burgerlijke kamer van dit hof van beroep op een volgens de verzoeker onbevredigende wijze negatief werden geadviseerd, kan niet worden afgeleid dat er bij de verzoeker en de publieke opinie in hoofde van alle magistraten van dit hof van beroep en in het bijzonder in hoofde van de leden van de burgerlijke kamer van dit hof, die over de herzieningsaanvraag van de verzoeker moeten oordelen en die niet bij die veroor-deling en die eerdere herzieningsaanvragen betrokken waren, een schijn van partijdigheid en afhankelijkheid bestaat.

7. Er zijn dan ook geen redenen om de zaak te onttrekken aan de rechtsmacht van het hof van beroep te Antwerpen.

Dictum

Het Hof,

Gelet op de artikelen 542, tweede lid, 545 en 548 Wetboek van Strafvordering.

Wijst het verzoek af.

Veroordeelt de verzoeker tot de kosten.

Bepaalt de kosten tot op heden op 0 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechtszitting van 19 juni 2012 uitgesproken door voorzitter Edward For-rier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Kristel Vanden Bossche.

Vrije woorden

  • Verzoek

  • Ontvankelijkheid

  • Inhoud