- Arrest van 20 juni 2012

20/06/2012 - P.12.0417.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het rechtscollege waarbij een vraag aanhangig is gemaakt betreffende de schending door een wet van één van de artikelen van titel II van de Grondwet, moet die prejudiciële vraag niet voorleggen aan het Grondwettelijk Hof wanneer zij niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen; elke vraag waaruit niet kan opgemaakt worden welke ongrondwettigheid de toepassing van de bekritiseerde wet in de weg zou kunnen staan, moet worden beschouwd als niet-onontbeerlijk voor de uitspraak (1). (1) Zie Cass. 17 nov. 2004, AR P.04.1096.F, AC 2004, nr. 553.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0417.F.-

V. P.,

Mr. Charles-Olivier Ravache, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

Ph. R.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Luik van 16 januari 2012.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De eiseres heeft de rechtbank in hoger beroep verzocht het Grondwettelijk Hof een prejudiciële vraag te stellen over de verenigbaarheid van artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering met artikel 10 Grondwet.

De vraag heeft betrekking op de beslissing om het verzet niet ontvankelijk te ver-klaren dat de eiseres heeft ingesteld tegen een vonnis van de politierechtbank, dat met toepassing van het voormelde artikel 4 geacht wordt op tegenspraak te zijn gewezen.

Ter verantwoording van haar weigering om die vraag te stellen, vermeldt het be-streden vonnis dat die vraag zonder belang is voor de oplossing van het geschil, omdat zij betrekking heeft op de ontvankelijkheid van het verzet en dat dit rechtsmiddel in ieder geval niet gegrond is.

Aangezien de appelrechters geen kennis nemen van de grondslag van het verzet en tegelijkertijd bevestigen dat het niet ontvankelijk is, verantwoorden zij hun be-slissing aldus niet naar recht.

Het Hof kan evenwel de in het middel bekritiseerde reden waarop de bestreden beslissing steunt, vervangen door een juridische grondslag die het dictum recht-vaardigt.

Krachtens artikel 26, § 1 en 2, Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof, moet het rechtscollege waarbij een vraag aanhangig is gemaakt betreffende de schending door een wet van één van de artikelen van titel II Grondwet, die prejudiciële vraag voorleggen aan het Grondwettelijk Hof.

Artikel 26, § 2, 2°, tweede lid, preciseert evenwel dat het rechtscollege daartoe niet gehouden is wanneer de vraag niet onontbeerlijk is om uitspraak te doen.

Elke vraag waaruit niet kan worden opgemaakt welke ongrondwettigheid de toe-passing van de bekritiseerde wet in de weg zou kunnen staan, moet worden be-schouwd als niet-onontbeerlijk om uitspraak te doen.

Elke rechtsregel is per definitie van toepassing op bepaalde situaties en niet op andere. Daarom is hij nog niet ongrondwettig. Een wet is discriminerend of ver-breekt het gelijkheidsbeginsel wanneer zij verplichtingen oplegt of rechten voor-behoudt aan bepaalde categorieën van rechtzoekenden zonder dat er relevante re-denen voorhanden zijn om andere, die als vergelijkbaar worden beschouwd, daar-van vrij te stellen of uit te sluiten.

De eiser heeft de rechtbank een vraag voorgelegd die luidt als volgt :

"Schendt artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, afzonderlijk of in samenhang gelezen met de artikelen 747 en 1048 Gerechtelijk Wetboek en/of 187, § 3, Wetboek van Strafvordering en/of 6 EVRM en/of 1 Aanvullend Protocol EVRM, titel II Grondwet, inzonderheid artikel 10, in zoverre het, zonder objectieve reden en zonder inachtneming van het proportionaliteitsbeginsel, verschillende categorieën slachtoffers in het leven roept:

- zij wier schadeloosstelling afhangt van een procedure waarvan de aard, die verschillend is van het tussen hen en de dader hangende geding, de rechten miskent die hen nochtans erdoor waren toegekend ;

- zij die steeds geïnformeerd zijn over de uitkomst van de rechtspleging waarin zij partij zijn alsook over de aanvangsdatum van de rechtsmiddelen die voor hen openstaan, en de anderen ;

- zij ten aanzien van wie de doeltreffendheid van de rechtsmiddelen tegen de beslissingen waarbij uitspraak wordt gedaan over een vordering tot schadevergoeding wordt beschermd, en de anderen ;

- zij wier beslissingen over vorderingen tot schadevergoeding onderworpen zijn aan termijnen om rechtsmiddelen in te stellen die niet buiten hun weten kunnen ingaan, en de anderen;

- zij wier vordering tot schadevergoeding gegarandeerd is door een verplichte kennisname van de beslissingen waarbij hun eis wordt ingewilligd alsook van de aanvangsdatum van de tegen hen ingestelde rechtsmiddelen, en de anderen."

Dergelijke vraag hoefde niet gesteld te worden vermits daarmee geen onderscheid wordt aangeklaagd dat de wet maakt tussen personen die zich in dezelfde juridi-sche toestand bevinden en waarop verschillende regels van toepassing zouden zijn, en omdat zij niet gesteld is in bewoordingen die het mogelijk maken om, zonder risico op vergissing, de juiste bedoeling ervan te begrijpen.

Ook al is het middel gegrond, dan nog kan het niet tot cassatie leiden. Het is dus niet ontvankelijk bij gebrek aan belang.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Gustave Steffens, en in openbare rechtszitting van 20 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bij-stand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en over-geschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Prejudiciële vraag

  • Rechtbanken

  • Verplichting de vraag te stellen