- Arrest van 21 juni 2012

21/06/2012 - F.11.0073.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Gebouwen die niet voor bewoning zijn bestemd, komen niet in aanmerking voor de kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing waarin artikel 2bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 voorziet.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0073.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, voor wie optreedt de directeur der directe belastingen te Brussel II, dienst onroerende voorheffing, met kantoor te 1000 Brussel, Kruidtuinlaan 50/340,

eiser,

tegen

A D B,

verweerster,

met als raadsman mr. Jacques Van Malleghem, advocaat bij de balie te Gent, met kantoor te 9000 Gent, Coupure 7.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 13 januari 2011.

Raadsheer Eric Stassijns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid

1. De verweerster werpt een grond van niet-ontvankelijkheid van het middel op: het middel dat artikel 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof niet als ge-schonden aanwijst, voldoet niet aan het vereiste van artikel 1080 Gerechtelijk Wetboek.

2. Het middel verwijt het arrest niet dat het anders dan het Grondwettelijk Hof oordeelt dat artikel 2bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt in zoverre het de eigenaars van panden die niet voor bewo-ning maar voor andere doeleinden zijn bestemd, uitsluit van de mogelijkheid tot kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing. De grief is aldus niet ontleend aan artikel 28 Bijzondere Wet Grondwettelijk Hof.

De grond van niet-ontvankelijkheid moet worden verworpen.

Gegrondheid

3. Artikel 2bis van de ordonnantie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van 23 juli 1992 betreffende de onroerende voorheffing, bepaalt:

"In afwijking van artikel 257, 4°, Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992 wordt op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest slechts een kwijtschelding of proportionele vermindering van de onroerende voorheffing ver-leend onder de volgende voorwaarden:

1° dat het een gebouwd onroerend goed betreft dat niet gemeubileerd is en dat in de loop van het jaar gedurende ten minste negentig dagen niet in gebruik is ge-nomen en geen inkomsten heeft opgebracht;

2° dat het onder 1° bedoelde gebouw hetzij ongezond maar verbeterbaar is ver-klaard, in de zin van artikel 6 van het besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 29 maart 1990 betreffende de toekenning van toelagen voor de re-novatie van woningen aan natuurlijke personen, hetzij door de gemeenteraad, krachtens artikel 119 van de nieuwe gemeentewet, of door de burgemeester, krachtens de artikelen 133 en 135 van dezelfde wet, ongezond maar verbeterbaar is verklaard;

3° dat het gebouw na de werkzaamheden voldoet aan de minimale bewoonbaar-heidsnormen, omschreven in artikel 6 van hetzelfde besluit;

4° dat de belastingplichtige, bedoeld in artikel 251 van hetzelfde wetboek een be-woning van het gebouw bewijst gedurende een ononderbroken periode van negen jaar. De onderbrekingen van maximaal negentig dagen worden beschouwd als ononderbroken bewoning;

5° dat de belastingplichtige aan de gewestelijke directeur van de administratie van de directe belastingen, bevoegd voor de plaats waar het ongezond verklaard maar verbeterbaar gebouw is gelegen, een attest bezorgt dat al naargelang het geval door de administratie voor huisvesting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of door het gemeentebestuur is uitgereikt".

4. Uit de tekst van de ordonnantie blijkt dat gebouwen die niet voor bewoning zijn bestemd, niet voor de in artikel 2bis beoogde kwijtschelding van de onroe-rende voorheffing in aanmerking komen.

5. Het Grondwettelijk Hof heeft bij arrest nr. 187/2002 van 19 december 2002 geoordeeld dat de uitsluiting van de eigenaars van panden die niet voor bewoning maar voor andere doeleinden zijn bestemd, in overeenstemming is met de be-kommernis van de gewestelijke wetgever om in de eerste plaats de huisvesting in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te verbeteren.

6. De appelrechters stellen in het bestreden arrest vast dat het litigieuze ge-bouw een winkelruimte is en derhalve geen woning en ze hebben dan ook, op grond van de loutere vaststelling dat het onroerend goed in kwestie improductief was wegens uitzonderlijke omstandigheden onafhankelijk van de wil van de ver-weerster, niet wettig kunnen oordelen dat aan de voorwaarde van artikel 2bis, 1°, van voormelde ordonnantie is voldaan en dat derhalve het hoger beroep gegrond was.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest behalve in zoverre dit het hoger beroep van de verweerster ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding wordt gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Gent.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward

Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afge-vaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Kwijtschelding of proportionele vermindering

  • Brussels Hoofdstedelijk Gewest

  • Vereisten