- Arrest van 21 juni 2012

21/06/2012 - F.11.0083.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De belastingadministratie kan een proces-verbaal als bedoeld in artikel 59, §1, van het B.T.W.-wetboek, gebruiken als bewijsmiddel voor de vaststelling van inkomstenbelastingen (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0083.N

H S,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Quatre Brasstraat 6, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12, vertegenwoordigd door de directie van de bijzondere belastinginspectie Gent, met kantoor te 9050 Gent (Ledeberg), Gaston Crommenlaan 6/801,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cas-satie, met kantoor te 9051 Gent, Drie Koningenstraat 3, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 14 september 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 6 februari 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

1. Artikel 336 WIB92 en artikel 243 WIB64, zoals hier van toepassing, bepalen dat elke inlichting, stuk, proces-verbaal of akte, in het uitoefenen van zijn functie ontdekt of verkregen door een ambtenaar van een fiscaal staatsbestuur, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van een der in de artikelen 327 en 328 WIB92, respectievelijk de artikelen 235 en 236 WIB64, bepaalde diensten, bestu-ren, vennootschappen, verenigingen, instellingen of inrichtingen, door de Staat kan worden ingeroepen voor het opsporen van elke krachtens de belastingwetten verschuldigde som.

Hieruit volgt dat de belastingadministratie een proces-verbaal als bedoeld in arti-kel 59, § 1, Btw-wetboek, kan gebruiken als bewijsmiddel voor de vaststelling van inkomstenbelastingen.

2. De appelrechters oordelen dat de verweerder de meeromzet van de eiser voor de aanslagjaren 1991 en 1992 kon belasten op grond van de in het proces-verbaal van 29 oktober 1992 opgenomen door de verbalisanten zelf gedane vast-stellingen, die zij beschouwen als bekende feiten en die als basis kunnen dienen voor vermoedens.

Die beslissing is naar recht verantwoord.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

3. Anders dan het middel aanvoert, oordelen de appelrechters niet dat het pro-ces-verbaal van 29 oktober 1992 voor de vaststelling van de inkomstenbelasting voor de meerontvangst van de eiser voor de aanslagjaren 1991 en 1992 bewijs-kracht heeft tot bewijs van het tegendeel. Zij oordelen dat de gegevens van dit proces-verbaal bekende feiten zijn die de verweerder vermocht aan te wenden om door middel van vermoedens de belastbare basis vast te stellen.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiser op 217,18 euro en voor de verweerder op 84,69 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, en de raadsheren Eric Stassijns, Koen Mestdagh, Geert Jocqué en Filip Van Volsem, en in openbare rechtszitting van 21 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Edward For-rier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van afge-vaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Proces-verbaal inzake B.T.W.