- Arrest van 27 juni 2012

27/06/2012 - P.12.0493.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het tijdelijk ontbreken van een overtuigingsstuk is geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheidsgrond die invloed heeft op een daad van het onderzoek of op de bewijsgaring.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0493.F

I. J. R.,

II. 1. P. D. B.,

2. P.H.,

Mr. Philippe Vanlangendonck, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 29 februari 2012.

De eisers voeren in twee memories die aan dit arrest zijn gehecht, vier middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De middelen, die in twee afzonderlijke memories worden uiteengezet, de ene neergelegd namens J. R. en de andere namens P. D. B. en P. H., zijn soortgelijke middelen en vereisen bijgevolg een gezamenlijk antwoord.

Eerste middel

De eisers voeren aan dat het aan de kamer van inbeschuldigingstelling stond om de strafvordering nietig te verklaren op grond dat het aangeklaagde boek niet van bij de opening van het gerechtelijk onderzoek bij het dossier was gevoegd.

Volgens de eisers had de kamer van inbeschuldigingstelling, met toepassing van artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 op de drukpers, ook de strafvordering vervallen moeten verklaren.

Enerzijds is het tijdelijk ontbreken van een overtuigingsstuk geen onregelmatigheid, verzuim of nietigheidsgrond die invloed heeft op een daad van het onderzoek of de bewijsgaring, als bedoeld in artikel 131, § 1, Wetboek van Strafvordering.

Anderzijds slaat de korte verjaringstermijn die in artikel 12 van het decreet van 20 juli 1831 is bepaald, op de vervolging van de misdrijven als bepaald in de artikelen 2, 3 en 4 van dit decreet en is zij dus niet van toepassing op de misdrijven die bij de artikelen 444 Strafwetboek, 20, 4°, en 21 van de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, strafbaar zijn gesteld.

Het middel faalt naar recht.

Tweede middel

Het arrest wordt verweten dat het niet antwoordt op de conclusie van de eisers, waarin het gerechtelijk onderzoek wordt verweten dat het twee klachten samenvoegt die betrekking hebben noch op dezelfde personen, noch op dezelfde feiten.

Het arrest antwoordt echter dat de beide tenlastegelegde publicaties het voorwerp hebben uitgemaakt van drie aan de procureur des Konings gerichte brieven, op grond waarvan laatstgenoemde, krachtens zijn onaantastbare beoordeling in deze fase van de rechtspleging, van oordeel was dat de feiten samenhangend zijn en voor beide feiten één enkele onderzoeksrechter heeft gevorderd.

Het arrest voegt daaraan toe dat die beoordeling de uitoefening van het recht van verdediging niet heeft gehinderd.

De kamer van inbeschuldigingstelling omkleedt aldus haar beslissing regelmatig met redenen.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Voor het overige is het, wanneer meerdere uiteenlopende klachten samen onderzocht worden wegens samenhang, niet vereist dat de feiten waarop zij betrekking hebben als eendaadse samenloop of als collectief misdrijf door eenheid van opzet kunnen aangemerkt worden.

In zoverre het middel van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt het naar recht.

Derde middel

Het middel voert aan dat beide zaken die het voorwerp uitmaken van het gerechtelijk onderzoek niet samenhangend zijn, dat het vermeende strafbare boek nooit deel heeft uitgemaakt van het dossier, dat er geen klacht is of dat de aangifte lasterlijk is.

Daar het middel het onderzoek van feiten vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is het niet ontvankelijk.

Voor het overige heeft de kamer van inbeschuldigingstelling zich niet onttrokken aan het haar krachtens de artikelen 136, eerste lid, en 235bis Wetboek van Strafvordering opgedragen toezicht op de regelmatigheid van de rechtspleging. Zij heeft uitspraak gedaan over de dienaangaande door de eisers aangevoerde grieven, vermits zij geoordeeld heeft dat zij ongegrond waren.

Het middel kan wat dat betreft niet worden aangenomen.

Vierde middel

De eisers verwijten de kamer van inbeschuldigingstelling dat zij, zelfs niet ambtshalve, de bij de artikelen 136, 235 en 235bis Wetboek van Strafvordering bepaalde maatregelen heeft genomen, ofschoon artikel 136bis van dat wetboek haar daartoe bevoegd maakt.

Enerzijds was de zaak niet bij de kamer van inbeschuldigingstelling aanhangig gemaakt op grond van artikel 136bis.

Anderzijds kan de beslissing die zegt dat het gerechtelijk onderzoek regelmatig is, op zich niet beschouwd worden als een weigering om toezicht uit te oefenen op de wettigheid of het verloop van dat onderzoek.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissingen zijn overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten van hun cassatieberoep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Toezicht

  • Verzuim of nietigheidsgrond die invloed heeft op een daad van het onderzoek of op de bewijsgaring

  • Begrip

  • Overtuigingsstuk