- Arrest van 27 juni 2012

27/06/2012 - P.12.0873.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Conclusie van advocaat-generaal Vandermeersch.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0873.F

I. P. D. V.,

II. P. D. V.,

III. P. D. V.,

IV. P. D. V.,

V. P. D. V.,

Mrs. Cédric Vergauwen en Olivia Venet, advocaten bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 30 september 2009, en tegen twee arresten die op 27 april 2012, met de nummers 3360 en 3361 zijn gewezen door het hof van assisen van het bestuurlijk arrondissement Brussel-Hoofdstad.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft op 18 juni 2012 een conclusie neergelegd op de griffie, waarop de eiser heeft geantwoord met een nota die op 26 juni 2012 is neergelegd.

Op de rechtszitting van 27 juni 2012 heeft afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt verslag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Cassatieberoep tegen het arrest van 30 september 2009

1. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing waarbij de eiser naar het hof van assisen verwezen wordt

Op het cassatieberoep dat de eiser heeft ingesteld tegen de beslissing waarbij hij naar de jury wordt verwezen, binnen een termijn van vijftien dagen vanaf de uitspraak van het veroordelend arrest, neemt het Hof geen kennis van de schending van de wetten betreffende de bevoegdheid van de kamer van inbeschuldigingstelling en van het hof van assisen en onderzoekt het evenmin de gronden van nietigheid die bedoeld zijn in de artikelen 252 en 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering.

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

2. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beschikking tot gevangenneming

Wegens de hierna uit te spreken verwerping van het cassatieberoep dat tegen de veroordelende beslissing is ingesteld, krijgt die beslissing kracht van gewijsde, zodat het cassatieberoep tegen de beschikking tot gevangenneming geen bestaansreden meer heeft.

B. Cassatieberoep van 10 mei 2012, ingesteld tegen het motiverend arrest dat op 27 april 2012 met nummer 3361 is gewezen

Eerste middel

Eerste onderdeel

De eiser werd vervolgd en veroordeeld onder meer wegens verkrachting met twee verzwarende omstandigheden: de dood van het slachtoffer en haar bijzonder kwetsbare toestand.

De eiser voert aan dat de tekst van de tweede verzwarende omstandigheid een wetsbepaling overneemt, meer bepaald artikel 376, derde lid, Strafwetboek, dat, tussen de dag waarop de misdaad is gepleegd en de datum van uitspraak van het vonnis, in het voordeel van de beschuldigde is gewijzigd.

Hij leidt daaruit af dat het hof van assisen, door de vroegere, minder restrictieve omschrijving in aanmerking te nemen, artikel 7.1 EVRM, en artikel 2, tweede lid, Strafwetboek heeft geschonden.

In het voormelde artikel 376, derde lid, werden de woorden "die ingevolge zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid bijzonder kwetsbaar is" vervangen door de woorden "van wie de kwetsbare toestand ten gevolge van de leeftijd, zwangerschap, een ziekte dan wel een lichamelijk of geestelijk gebrek of onvolwaardigheid duidelijk was of de dader bekend was".

Die nieuwe tekst vloeit voort uit artikel 5 van de wet van 26 november 2011 tot wijziging en aanvulling van het Strafwetboek teneinde het misbruik van de zwakke toestand van personen strafbaar te stellen, en de strafrechtelijke bescherming van kwetsbare personen tegen mishandeling uit te breiden.

De nieuwe wet is in haar definitie van verzwarende omstandigheid repressiever dan de oude, met name in zoverre zij afziet van de verwijzing naar "bijzondere" kwetsbaarheid en genoegen neemt met een "kwetsbare toestand". Desbetreffend dienden de feitenrechters de oude tekst in aanmerking te nemen, wat zij effectief gedaan hebben.

Voor het overige stelt het arrest vast dat uit de overeenstemmende verklaringen van de drie beschuldigden blijkt dat de eiser weet had van de lichamelijk onvolwaardige toestand van het slachtoffer, aangezien hij haar midden in de nacht had aangetroffen, aan de kant van de weg, zij wartaal uitsloeg en niet in staat was zich zonder hulp van een derde te verplaatsen.

De verzwarende omstandigheid werd bijgevolg niet toegepast zonder dat de nieuwe voorwaarde was nagegaan, met name een kwetsbare toestand die duidelijk was of de dader bekend was, als vereist bij artikel 5 van de wet van 26 november 2011.

Het middel kan bijgevolg niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

De eiser voert aan dat het algemeen beginsel van de eerbiediging van het recht van verdediging is miskend. Hij voert aan dat geen tegenspraak kon gevoerd worden over de vraag of de kwetsbare toestand van het slachtoffer de dader duidelijk en bekend was, omdat de verzwarende omstandigheid op onwettige wijze geformuleerd was, gelet op de wijziging die artikel 5 van de wet van 26 november 2011 in artikel 376, derde lid, Strafwetboek heeft aangebracht.

Uit de stukken van de rechtspleging blijkt evenwel niet dat de eiser kritiek heeft uitgeoefend op de wijze waarop de aan de jury voorgelegde vragen waren gesteld, noch dat hij gevraagd heeft dat de formulering aan de nieuwe wet zou worden aangepast.

De eiser kan geen grief afleiden uit het feit dat hem een debat was onthouden, als hij dat debat had kunnen aangaan op het ogenblik dat het ontwerp van de vragen die de jury zouden voorgelegd worden, ter goedkeuring aan de partijen was voorgelegd.

Aangezien dit onderdeel voor het eerst wordt aangevoerd voor het Hof, is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

C. Cassatieberoep van 10 mei 2012, ingesteld tegen het veroordelend arrest dat op 27 april 2012 met nummer 3360 is gewezen

Tweede middel

Eerste onderdeel

De eiser verwijt het hof van assisen dat het de beslissing om hem tot vijfentwintig jaar opsluiting te veroordelen heeft gegrond op een verzwarende omstandigheid die op een onwettige wijze is omschreven.

De vaststelling van een straf hangt echter niet alléén af van de toepassing van de wettelijke verzwarende omstandigheden.

De feitenrechter is bevoegd om, als daartoe grond bestaat, elk feitelijk gegeven in aanmerking te nemen dat, hoewel het niet uitdrukkelijk bij wet is bepaald, de bijzondere ernst van het misdrijf of de uitzonderlijke perversiteit van de dader aantoont en de toepassing rechtvaardigt van een strenge straf die de grenzen van de op het misdrijf gestelde straf niet te boven gaat.

Te dezen gaat de straf die de eiser is opgelegd de straf niet te boven die hij heeft opgelopen wegens de beschuldiging van verkrachting met de dood tot gevolg, waaraan hij schuldig was bevonden.

Ook al had de bijzonder kwetsbare toestand van het slachtoffer niet als wettelijke verzwarende omstandigheid in aanmerking mogen worden genomen, dan nog kon zij hoe dan ook in aanmerking worden genomen als gerechtelijke verzwarende omstandigheid.

Aangezien het middel geen belang heeft, is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

De eiser herhaalt dat zijn recht van verdediging is miskend daar de vraag die de jury is gesteld niet wettig geformuleerd is.

Zoals hierboven gezegd is het middel dat voor het eerst voor het Hof wordt aangevoerd, niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

D. Cassatieberoepen van 11 mei 2012, ingesteld tegen het motiverend en veroordelend arrest gewezen met de nummers 3361 en 3360

In de regel kan een partij geen tweede maal cassatieberoep instellen tegen dezelfde beslissing, ook al was over het eerste cassatieberoep nog geen uitspraak gedaan op het ogenblik van de verklaring van het tweede cassatieberoep.

De cassatieberoepen zijn niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Werking in de tijd

  • Strafwet

  • Nieuwe wet wijzigt de definitie van een verzwarende omstandigheid