- Arrest van 27 juni 2012

27/06/2012 - P.12.1028.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Als de titel van vrijheidsberoving van een onderdaan van een derde land waartegen een procedure tot verwijdering loopt, steunt op de bewering dat er een risico op onderduiken bestaat, moet de rechterlijke macht nagaan of dat risico door de administratie beoordeeld werd op grond van objectieve en ernstige gegevens, overeenkomstig de criteria die de wet ervan geeft, met name een actueel en reëel risico om zich te onttrekken aan de autoriteiten (1). (1) Zie Cass. 4 nov. 2009, AR P.09.1457.F, AC, 2009, nr. 638.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1028.F

BELGISCHE STAAT, staatssecretaris voor het Asiel- en Migratiebeleid, van Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding,

Mr. Sophie Matray, advocaat bij de balie te Luik,

tegen

N. A.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 31 mei 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

De verweerder die in het bestreden arrest N. A. genoemd wordt, vereenzelvigt zich met de hierboven genaamde N. A.

Eerste middel

Het arrest beveelt de invrijheidstelling van de verweerder, met name op grond dat het dossier van de Dienst Vreemdelingenzaken geen objectieve en zwaarwichtige gegevens bevat waaruit blijkt dat er bij de betrokkene, die het adres van zijn verblijfplaats heeft opgegeven, een actueel en reëel risico op onderduiken bestaat.

Het middel oefent kritiek uit op die reden. Het voert aan dat het gebrek aan bewijs van een risico op onderduiken betrekking heeft op de opportuniteit en niet op de wettigheid van de beslissing, en dat artikel 72 Vreemdelingenwet, de eiser niet de verplichting oplegt om het bestaan van een dergelijk risico vast te stellen.

De Vreemdelingenwet werd evenwel gewijzigd door de wet van 19 januari 2012. Het nieuwe artikel 7, derde lid, bepaalt dat de vreemdeling die onwettig in het Rijk verblijft, bij gebrek aan andere afdoende maar minder dwingende maatregelen, vastgehouden kan worden voor de tijd die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de verwijdering, meer in het bijzonder wanneer er een risico op onderduiken bestaat.

Artikel 1, 11°, Vreemdelingenwet omschrijft dat risico als het feit dat een onderdaan van een derde land, die het voorwerp uitmaakt van een procedure tot verwijdering, een actueel en reëel risico vormt om zich te onttrekken aan de overheid. Daartoe baseert de minister of zijn gemachtigde zich op objectieve en zwaarwichtige gegevens.

Als de titel van vrijheidsberoving bijgevolg steunt op de bewering dat er een risico op onderduiken bestaat, moet de rechterlijke macht dus nagaan of dat risico door het bestuur beoordeeld werd overeenkomstig de criteria die de wet ervan geeft.

Het middel dat het tegendeel aanvoert, faalt naar recht.

Tweede middel

Ofschoon alleen de vaststelling van het feit dat een vreemdeling onwettig in het rijk verblijft, het bestuur geen enkele bevoegdheid geeft om te oordelen over het principe zelf van het verlenen van een bevel om het grondgebied te verlaten, verplicht die loutere vaststelling het bestuur niet om een maatregel van vrijheidsberoving te koppelen aan het bevel.

Artikel 7, derde lid, Vreemdelingenwet bepaalt immers dat de vreemdeling kán vastgehouden worden, niet dat zulks moet. Bovendien bepaalt het dat die maatregel alleen mag genomen worden als geen andere minder dwingende maar afdoende maatregelen om de vreemdeling naar de grens terug te geleiden, doeltreffend kunnen toegepast worden.

Hoewel de vrijheidsberoving op andere gronden kan steunen dan het risico op onderduiken, dan nog dient nagegaan te worden of voldaan is aan de subsidiariteitsvoorwaarde die in de bovengenoemde wetsbepaling vereist wordt, wat volgens het arrest niet het geval is.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing aldus naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis en Françoise Roggen, en in openbare rechtszitting van 27 juni 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Fabienne Gobert.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Bevel om het grondgebied te verlaten

  • Maatregel van vrijheidsberoving

  • Voorwaarden

  • Risico op onderduiken

  • Onderzoeksgerechten

  • Nazicht