- Arrest van 28 juni 2012

28/06/2012 - C.11.0069.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek, dat als algemeen uitgangspunt aanneemt dat de niet-samenlevende ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen met vastlegging van een verblijfsregeling, geldt ongeacht of de ouders gehuwd zijn, uit de echt of van tafel en bed gescheiden zijn, wettelijk hebben samengewoond, feitelijk of nooit hebben samengeleefd; het is dan ook van toepassing op situaties die het gevolg zijn van een echtscheiding door onderlinge toestemming (1). (1) Zie de concl. van het O.M.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0069.N

C.W.,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Paul Lefèbvre, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1050 Brussel, Louizalaan 480, bus 9, waar de eiseres woonplaats kiest,

tegen

Y.D.,

verweerster,

vertegenwoordigd door mr. Bruno Maes, advocaat bij het Hof van Cassatie, kan-toor houdende te 1000 Brussel, Central Plaza, Loksumstraat 25, waar de woon-plaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent van 8 maart 2010.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft op 22 maart 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Edward Forrier heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert in haar verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste onderdeel

Eerste subonderdeel

1. Anders dan waarvan het onderdeel uitgaat, steunt het arrest zijn beslissing niet op artikel 3 Kinderrechtenverdrag.

Het subonderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede subonderdeel

2. Artikel 374 Burgerlijk Wetboek neemt als algemeen uitgangspunt aan dat de niet-samenlevende ouders gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen met vast-legging van een verblijfsregeling. Dit uitgangspunt geldt ongeacht of de ouders gehuwd zijn, uit de echt of van tafel en bed gescheiden zijn, wettelijk hebben sa-mengewoond, feitelijk of nooit hebben samengeleefd.

Die wetsbepaling is dan ook van toepassing op situaties die het gevolg zijn van een echtscheiding door onderlinge toestemming.

Het subonderdeel dat van een andere rechtsopvatting uitgaat, faalt naar recht.

Derde, vierde, vijfde, zesde, zevende en achtste subonderdeel

3. Artikel 1288, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat wanneer nieuwe omstandigheden buiten de wil van de partijen hun toestand of die van de kinderen ingrijpend wijzigen, de beschikkingen bedoeld in het 2° en het 3° van het eerste lid, met name deze betreffende het gezag over de persoon en het beheer van de goederen van de ouders en het recht op persoonlijk contact en deze betreffende de bijdrage van elk van beide echtgenoten in het levensonderhoud, de opvoeding en de passende opleiding van voornoemde kinderen, na de echtscheiding kunnen worden herzien door de bevoegde rechter.

Artikel 374 Burgerlijk Wetboek neemt als uitgangspunt aan de gezamenlijke uit-oefening van het ouderlijk gezag door niet-samenlevende ouders. Het bepaalt dat de rechter in het belang van het kind het ouderlijk gezag uitsluitend kan opdragen aan één van de ouders en dat de rechtbank, ingeval van gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag, een akkoord over de huisvesting van de kinderen kan homologeren, tenzij het kennelijk strijdig is met het belang van het kind. In ieder geval oordeelt de rechtbank bij een met bijzondere redenen omkleed vonnis, en rekening houdend met de concrete omstandigheden van de zaak en het belang van de kinderen en de ouders.

Artikel 387bis, eerste lid, Burgerlijk Wetboek bepaalt: "In alle gevallen, en on-verminderd de bevoegdheid van de voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg, rechtsprekend in kort geding overeenkomstig artikel 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, kan de jeugdrechtbank in het belang van het kind, op verzoek van beide ouders of van één van hen, dan wel van de procureur des Konings alle beschik-kingen met betrekking tot het ouderlijk gezag opleggen of wijzigen."

4. Uit de voormelde wetsbepalingen volgt dat sinds de invoeging van artikel 387bis Burgerlijk Wetboek de rechter die op grond van artikel 1288, tweede lid, Gerechtelijk Wetboek moet oordelen over de wijziging van de voor de echtschei-ding door onderlinge toestemming vastgestelde overeenkomst betreffende het ou-derlijk gezag over de persoon van de kinderen en het recht op persoonlijk contact, in geval van gewijzigde omstandigheden, dit verzoek uitsluitend dient te toetsen aan het belang van het kind.

De subonderdelen die van een andere rechtsopvatting uitgaan, falen naar recht.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel komt op tegen een overtollig reden en kan dus niet tot cassa-tie leiden.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres in de kosten.

Bepaalt de kosten voor de eiseres op 546,88 euro en voor de verweerder op 149,05 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Edward Forrier, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Eric Dirix, en de raadsheren Eric Stassijns, Beatrijs Deconinck en Koen

Mestdagh, en in openbare rechtszitting van 28 juni 2012 uitgesproken door afde-lingsvoorzitter Edward Forrier, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Niet-samenlevende ouders

  • Gezamenlijke uitoefening

  • Verblijfsregeling

  • Art. 374 B.W.

  • Toepassingsgebied

  • Echtscheiding door onderlinge toestemming