- Arrest van 31 juli 2012

31/07/2012 - P.12.1393.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de laatste dag om uitspraak te doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis dezelfde is als de dag van de uitspraak van het arrest van regeling van rechtsgebied, kan de zaak nog diezelfde dag voor de raadkamer worden vastgesteld; het samenvallen van beide data sluit het onderzoek van de hechtenis niet uit, dat vóór de voorgeschreven vervaldag moet gebeuren; het niet-naleven, in dergelijk geval, van de termijn voor inzage van het dossier, als bepaald in artikel 22, vierde lid, van de wet van 20 juli 1990, maakt de handhaving van de hechtenis niet onwettig wanneer de wettelijke vormvoorschriften voor de kamer van inbeschuldigingstelling werden nageleefd.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1393.F

Y. M.,

Mr. Pierre Monville, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel, kamer van inbeschuldigingstelling, van 18 juli 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Christian Vandewal heeft geconcludeerd.

II. FEITEN

De eiser werd op 23 februari 2010 onder aanhoudingsbevel geplaatst.

Op 27 januari 2011 heeft de kamer van inbeschuldigingstelling, met een laatste beslissing vóór de regeling van de rechtspleging, de handhaving van de voorlopige hechtenis bevestigd. Het cassatieberoep van de eiser tegen dat arrest werd bij arrest van het Hof van 9 februari 2011 verworpen.

De raadkamer is op de vijftiende dag volgend op dit arrest bijeengekomen, met name op 24 februari 2011, dit is de laatste dag van de termijn die bij artikel 31, § 5 Voorlopige Hechteniswet is voorgeschreven. Op vraag van de verdediging werd het onderzoek van de zaak evenwel verdaagd naar de rechtszitting van 3 maart 2011.

Bij beschikkingen van 3 maart 2011 heeft de raadkamer de eiser naar de correctionele rechtbank verwezen en beslist dat hij in hechtenis blijft.

Het vonnisgerecht heeft de eiser tot negen jaar gevangenisstraf veroordeeld. Deze heeft tegen die beslissing hoger beroep ingesteld.

Bij arrest van 19 april 2012 heeft het hof van beroep zich niet-bevoegd verklaard om kennis te nemen van de feiten die de eiser ten laste zijn gelegd, op grond dat zij een misdaad inhouden die volgens de wet niet voor correctionalisering vatbaar is.

Op 27 juni 2012 heeft het Hof beslist tot regeling van rechtsgebied. Het heeft het arrest niet vernietigd waarbij het hof van beroep zich onbevoegd had verklaard. Het heeft de beschikking tot verwijzing naar de correctionele rechtbank vernietigd en verklaard dat de beslissing van dezelfde dag waarbij de voorlopige hechtenis werd gehandhaafd, geen bestaansreden meer had.

Op 27 juni 2012 is de raadkamer bijeengekomen om te beslissen over de voorlopige hechtenis. Het bericht van verschijning was de dag voordien aan de eiser verstuurd. Aangezien de zaak op diens verzoek was verdaagd, heeft het onderzoeksgerecht zijn beschikking op 5 juli 2012 genomen en de hechtenis gehandhaafd.

Op het hoger beroep van de eiser bevestigt het bestreden arrest die beslissing.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

De eiser verwijt het arrest dat het zich op artikel 21, § 2, Voorlopige Hechteniswet grondt om de toezending van het bericht van verschijning voor de raadkamer te verantwoorden nog vóór het Hof uitspraak had gedaan over de regeling van rechtsgebied. Het middel betoogt dat de aangevoerde wetsbepaling te dezen niet van toepassing is omdat zij alleen de eerste verschijning volgend op het verlenen van het bevel tot aanhouding regelt.

Voor de maandelijkse verschijningen preciseert de wet weliswaar niet hoeveel tijd op voorhand het bericht van verschijning moet worden verstuurd. Belangrijk is wel dat dit vroeg genoeg gebeurt zodat de inverdenkinggestelde en zijn raadsman daadwerkelijk inzage krijgen van het dossier, binnen de bij wet voorgeschreven termijn.

De eiser voert niet aan dat het bericht van verschijning hem vroeger had moeten worden toegezonden. Hij heeft noch voor de kamer van inbeschuldigingstelling noch voor het Hof aangevoerd dat zijn recht van verdediging onterecht werd ingeperkt doordat hij de dag vóór de rechtszitting was opgeroepen.

Uit de onjuiste verwijzing die het arrest maakt naar artikel 21, § 2, kan niet worden afgeleid dat de zaak niet regelmatig bij de raadkamer aanhangig was gemaakt en dus evenmin dat de appelrechters de beschikking van de raadkamer niet naar recht konden bevestigen.

Aangezien het onderdeel geen belang vertoont, is het niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

Het middel voert aan dat het arrest de artikelen 6.1 EVRM, en 22, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet schendt.

De eiser voert aan dat het versturen, vanaf 26 juni 2012, van een bericht van verschijning voor de raadkamer met het oog op de toetsing van de hechtenis, vooruitliep op de beslissing die de volgende dag verwacht werd over de regeling van rechtsgebied. Hij leidt daaruit af dat de zaak onregelmatig bij het onderzoeksgerecht aanhangig is gemaakt.

In zoverre de kritiek tegen het openbaar ministerie is gericht, dat verweten wordt dat het op de uitkomst van de rechtspleging vooruitloopt, houdt het middel geen verband met het bestreden arrest en is het bijgevolg niet ontvankelijk.

Wanneer de laatste dag om uitspraak te doen over de handhaving van de voorlopige hechtenis overeenkomt met de dag van de uitspraak van het arrest van regeling van rechtsgebied, kan de zaak nog diezelfde dag voor de raadkamer worden vastgesteld. Het samenvallen van beide data sluit het onderzoek van de hechtenis niet uit, dat vóór de voorgeschreven vervaldag moet gebeuren. Het niet-naleven, in dergelijk geval, van de termijn voor inzage van het dossier, als bepaald in artikel 22, vierde lid, Voorlopige Hechteniswet, maakt de handhaving van de hechtenis niet onwettig wanneer de wettelijke vormvoorschriften voor de kamer van inbeschuldigingstelling zijn nageleefd.

Uit het feit dat er oproepingen zijn verstuurd zonder dat de beslissing over de regeling van rechtsgebied werd afgewacht, kan niet worden afgeleid dat de zaak onregelmatig bij de raadkamer aanhangig is gemaakt, aangezien die toezending alleen tot gevolg kan hebben dat de zaak nodeloos aanhangig wordt gemaakt bij de raadkamer wanneer het arrest wordt vernietigd dat de correctionele rechtbank niet-bevoegd verklaart.

In zoverre faalt het middel naar recht.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Sylviane Velu, Benoît Dejemeppe, Geert Jocqué en Mireille Delange, en in openbare terechtzitting van 31 juli 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Christian Vandewal, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van afdelingsvoorzitter Paul Maffei en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Termijn om uitspraak te doen

  • Laatste dag

  • Raadkamer

  • Dagbepaling van de zaak

  • Arrest van regeling van rechtsgebied

  • Strafzaken

  • Tussen onderzoeksgerechten en vonnisgerechten

  • Beide data vallen samen

  • Gevolg

  • Onderzoek van de hechtenis

  • Inzage van het dossier

  • Termijn

  • Niet-naleving

  • Gevolg

  • Wettigheid van de handhaving