- Arrest van 14 augustus 2012

14/08/2012 - P.12.1470.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling dat de verklaringen van de inverdenkinggestelde voor de onderzoeksrechter in aanmerking neemt als schuldaanwijzing, ofschoon het proces-verbaal van verhoor, dat alleen vermeldt dat de eiser, tijdens zijn verhoor door de politie, niet gewenst heeft dat een advocaat hem tijdens zijn ondervraging door de onderzoeksrechter zou bijstaan, stelt niet vast dat de eiser voor de onderzoeksrechter afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een advocaat (1) (2). (1) Zie Cass. 7 maart 2012, AR P.12.0321.F, AC 2012, nr. 154 en www.cassonline.be. (2) De feiten in deze rechtspleging zijn vrij bijzonder. Het bestreden arrest van de kamer van inbeschuldigingstelling vermeldt, met overneming van de vordering van het openbaar ministerie, “dat er ernstige aanwijzingen van schuld bestaan die met name voortvloeien uit de vaststellingen van de speurders, de verklaringen van R. alsook de verklaringen van de inverdenkinggestelde voor de onderzoeksrechter, waarvan niet bewezen is dat zij afgelegd zijn zonder dat hij de draagwijdte ervan besefte of de wens had uitgedrukt om zich ervan te distantiëren”. Het onderzoeksgerecht in hoger beroep motiveert aldus de handhaving van de voorlopige hechtenis met een reeks aanwijzingen. Noch de tekst van de hierboven aangehaalde overweging, noch enige andere vermelding in het bestreden arrest, maken het mogelijk om met absolute zekerheid vast te stellen of de motivering uit drie, elkaar aanvullende aanwijzingen bestaat voor de appelrechters, die elk op zich niet volstaan om de hechtenis te handhaven, dan wel uit drie afzonderlijke aanwijzingen die voor de appelrechters elk op zich de handhaving van de hechtenis verantwoorden. Het O.M. heeft ambtshalve een middel aangevoerd, hieruit afgeleid dat het proces-verbaal van het verhoor van de inverdenkinggestelde door de onderzoeksrechter, in strijd met artikel 16, § 2, tweede lid, van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, niet vermeldt dat de inverdenkinggestelde voor de onderzoeksrechter uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een advocaat voor die onderzoeksrechter, dat artikel 47bis, § 6, van het Wetboek van Strafvordering bepaalt dat tegen een persoon geen veroordeling kan worden uitgesproken die enkel gegrond is op verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de regels voor de afstand door de inverdenkinggestelde van het recht op bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, en dat het de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis bijgevolg verboden is om uit die verklaringen aanwijzingen of bezwaren af te leiden (Cass. 7 maart 2012, AR P.12.0321.F, AC 2012, nr. 154 en www.cassonline.be). Het Hof neemt die reden in aanmerking en vernietigt het bestreden arrest op grond dat van de drie door de kamer van inbeschuldigingstelling vermelde aanwijzingen van schuld, de aanwijzing die bestaat uit de verklaringen voor de onderzoeksrechter, die substantieel niet gebrekkig zijn, niet naar recht de beslissing tot handhaving van de hechtenis kan verantwoorden. Het Hof dat, wegens de onwettigheid van één van de drie aanwijzingen, het hele bestreden arrest vernietigt, met verwijzing naar de kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld, oordeelt aldus impliciet doch zeker – overeenkomstig de mondelinge conclusie van het O.M. – dat het, bij een dergelijke, weze het meervoudige motivering, geen uitspraak kan doen over de wettigheid van het arrest dat de hechtenis handhaaft, anders zou het uitspraak doen over het al dan niet volstaan van de twee resterende aanwijzingen voor de handhaving van de hechtenis, wat een onderzoek vereist dat feiten en recht vermengt, waarvoor het niet bevoegd is.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1470.F

S. P.,

Mr. Ricardo Bruno, advocaat bij de balie te Charleroi.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, van 2 augustus 2012.

De eiser voert zeven middelen aan in een memorie, waarvan een eensluidend afschrift aan dit arrest is gehecht.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ambtshalve middel: schending van artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet en artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering

Artikel 16, § 2, tweede lid, Voorlopige Hechteniswet, bepaalt dat de verdachte recht heeft op bijstand van zijn advocaat tijdens de ondervraging. Alleen de meerderjarige verdachte kan hiervan vrijwillig en weloverwogen afstand doen. De onderzoeksrechter maakt melding van deze afstand in het proces-verbaal van het verhoor.

Krachtens artikel 47bis, § 6, Wetboek van Strafvordering, kan tegen een persoon geen veroordeling worden uitgesproken die enkel gegrond is op de verklaringen die hij heeft afgelegd in strijd met de regels inzake de afstand van bijstand door een advocaat tijdens het verhoor. Bijgevolg is het de onderzoeksgerechten die uitspraak doen over de voorlopige hechtenis verboden om uit die verklaringen aanwijzingen of bezwaren te halen.

Aangezien het proces-verbaal van het verhoor van 12 juli 2012 alleen vermeldt dat de eiser, tijdens zijn verhoor door de politie, niet gewenst heeft dat een advocaat hem tijdens zijn ondervraging door de onderzoeksrechter zou bijstaan, stelt het niet vast dat de eiser voor de onderzoeksmagistraat afstand heeft gedaan van zijn recht op bijstand van een advocaat.

Het bestreden arrest dat, met overneming van de vordering van het openbaar ministerie, de verklaringen van de eiser voor de onderzoeksrechter in aanmerking neemt als schuldaanwijzing, schendt de in het middel aangegeven bepalingen.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernietigde arrest.

Laat de kosten ten laste van de Staat.

Verwijst de zaak naar het hof van beroep te Luik, kamer van inbeschuldigingstelling, anders samengesteld.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Alain Smetryns, Pierre Cornelis, Gustave Steffens et Antoine Lievens, en in openbare terechtzitting van 14 augustus 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

Vrije woorden

  • Onderzoeksrechter

  • Inverdenkinggestelde

  • Ondervraging

  • Bijstand van een advocaat

  • Afstand

  • Proces-verbaal van verhoor

  • Verplichte vermelding

  • Verzuim

  • Kamer van inbeschuldigingstelling

  • Beslissing

  • Wettigheid