- Arrest van 14 augustus 2012

14/08/2012 - P.12.1293.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De door het Hof van Cassatie gewezen arresten zijn niet voor cassatieberoep vatbaar wegens de aard van het rechtscollege dat de beslissing heeft gewezen; zulks geldt ook voor de arresten die door het Hof, rechtdoende over een vordering tot wraking van een lid van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof zelf, als bodemrechter worden gewezen (1). (1) Zie Cass. 20 apr. 1993, P.93.0531.N, AC 1993, nr. 191; Cass. 26 okt. 1999, P.99.1351.N, AC 1999, nr. 566; Cass. 1 dec. 1999, P.99.0014.F, AC 1999, n° 639 tot 643.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1293.N

T D,

eiser,

met als raadslieden mr. Bart De Geest, advocaat bij de balie te Brussel en mr. Joris Van Cauter, advocaat bij de balie te Gent.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het Hof van 3 juli 2012 waarbij het door de eiser ingesteld verzoek tot wraking van raadsheer P. Buyle, raadsheer C. Lutters en plaatsvervangend raadsheer E. De Wolf, die zetelen in de vijftiende kamer van het hof van beroep te Antwerpen in het kader van de behandeling van het hoger beroep in zake het dossier met notitienummers 09/PGA/1988 en 11/VJ11/690, werd verworpen.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Alain Smetryns heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal André Henkes heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. De door het Hof van cassatie gewezen arresten zijn niet voor cassatieberoep vatbaar wegens de aard van het rechtscollege dat de beslissing heeft gewezen.

Zulks geldt ook voor de arresten die door het Hof, rechtdoende over een vordering tot wraking van een lid van een hof van beroep, van een arbeidshof of van het Hof zelf, als bodemrechter worden gewezen.

2. De eiser voert aan dat de artikelen 608 tot en met 615 en 838 Gerechtelijk Wetboek en 416 Wetboek van strafvordering de artikelen 10, 11 en 13 Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, schenden omdat deze be-palingen voorzien in een cassatietoezicht op het arrest dat uitspraak doet over de wraking van een rechter in de rechtbank van eerste aanleg en niet op het arrest dat uitspraak doet over de wraking van een raadsheer in het hof van beroep.

Hij vordert dat het Hof desbetreffend een prejudiciële vraag zou stellen aan het Grondwettelijk Hof.

3. De door de eiser aangevoerde discriminatie vloeit niet voort uit de aange-haalde wetteksten maar uit het feit dat de wetgever geen cassatieberoep heeft in-gericht tegen een arrest van het Hof dat zich ten gronde uitspreekt over een vorde-ring tot wraking.

Het Hof is slechts gehouden een prejudiciële vraag met betrekking tot een leemte in de wet aan het Grondwettelijk Hof te stellen, wanneer het vaststelt dat het aan die leemte, gesteld dat ze de Grondwet schendt, zou kunnen verhelpen zonder tussenkomst van de wetgever.

Dit is niet het geval wanneer, zoals te dezen, het bepalen van de modaliteiten van een vooralsnog onbestaand verhaal, namelijk een cassatieberoep tegen een arrest van het Hof, noodzakelijkerwijze een wetgevende tussenkomst vereist.

Derhalve dient de door de eiser opgeworpen prejudiciële vraag niet te worden ge-steld.

4. Het cassatieberoep is niet ontvankelijk.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser in de kosten.

Bepaalt de kosten op 50,71 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, vakantiekamer, sa-mengesteld uit afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, als voorzitter, en de raadshe-ren Alain Smetryns, Martine Regout, Pierre Cornelis en Michel Lemal, en op de openbare rechtszitting van 14 augustus 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, in aanwezigheid van advocaat-generaal André Henkes, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Allerlei

  • Wraking

  • Arrest van het Hof van Cassatie als bodemrechter gewezen

  • Cassatieberoep

  • Ontvankelijkheid