- Arrest van 4 september 2012

04/09/2012 - P.12.1534.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Er is enkel sprake van tegenstrijdigheid in de motivering wanneer de redenen van eenzelfde beslissing met elkaar of met het dictum ervan tegenstrijdig zijn; tegenstrijdigheid tussen de redenen van een rechterlijke beslissing en deze van een andere beslissing levert geen tegenstrijdige motivering op (1). (1) Cass. 1 maart 2001, AR C.00.0155.F, AC 2001, nr. 121; Cass. 23 dec. 2008, AR P.08.1124.N, AC 2008, nr. 750.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1534.N

P M M H,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Pol Vandemeulebroucke, advocaat bij de balie te Antwer-pen.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, kamer van inbeschuldigingstelling, van 23 augustus 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet: het arrest is niet, onduidelijk, tegenstrijdig en dubbelzinnig gemotiveerd.

2. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldi-gingstelling die, uitspraak doende over een verzoek tot voorlopige invrijheidstel-ling, geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

3. Er is enkel sprake van tegenstrijdigheid in de motivering wanneer de rede-nen van eenzelfde beslissing met elkaar of met het dictum ervan tegenstrijdig zijn. Tegenstrijdigheid tussen de redenen van een rechterlijke beslissing en deze van een andere beslissing levert geen tegenstrijdige motivering op.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

4. Voor het overige preciseert het onderdeel niet waarin het gebrek aan moti-vering bestaat. Het preciseert evenmin waarin de onduidelijkheid of dubbelzin-nigheid van de motivering waarmede het arrest is behept, bestaat.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

Tweede onderdeel

5. Het onderdeel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, artikel 56, tweede lid, Strafwetboek en de artikelen 26, 28, 33 en 38 Voorlopige Hechtenis-wet: het arrest oordeelt dat de eiser nog steeds in hechtenis is ingevolge de afzon-derlijke beschikking van 28 oktober 2011 waarbij zijn voorlopige hechtenis werd gehandhaafd en dat zijn onmiddellijke aanhouding bevolen werd bij verstekvonnis van 16 december 2011; deze redenen zijn onduidelijk, tegenstrijdig en manifest onjuist; indien de voorlopige hechtenis was blijven bestaan, dan diende geen on-middellijke aanhouding te worden uitgesproken.

6. Het onderdeel preciseert niet hoe en waardoor het arrest de artikelen 28, 33 en 38 Voorlopige Hechteniswet schendt.

In zoverre is het onderdeel onnauwkeurig, mitsdien niet ontvankelijk.

7. Artikel 149 Grondwet is niet van toepassing op de kamer van inbeschuldi-gingstelling die, uitspraak doende over een verzoek tot voorlopige invrijheidstel-ling, geen uitspraak doet over de gegrondheid van de strafvordering.

In zoverre het onderdeel schending van die grondwettelijke bepaling aanvoert, faalt het naar recht.

8. Een onjuiste reden levert mogelijks een schending van de wet op, maar geen motiveringsgebrek.

In zoverre faalt het onderdeel naar recht.

9. Wanneer een beklaagde bij beschikking van het onderzoeksgerecht naar de correctionele rechtbank is verwezen en zijn voorlopige hechtenis overeenkomstig artikel 26, § 3, Voorlopige Hechteniswet bij afzonderlijke beschikking is gehand-haafd, dan is die beschikking de titel krachtens dewelke die beklaagde tijdens de hele procedure aangehouden blijft zolang de eindbeslissing niet in kracht van ge-wijsde is getreden, dit is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep en in cassatie-beroep. Deze titel vervalt niet doordat het hoger beroep tegen de veroordelende beslissing in eerste aanleg ontvankelijk wordt verklaard. Het feit dat het vonnisge-recht in eerste aanleg de onmiddellijke aanhouding van die beklaagde heeft bevo-len, doet hieraan geen afbreuk.

In zoverre het onderdeel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

10. Het is niet tegenstrijdig noch onduidelijk te oordelen, eensdeels, dat de cor-rectionele rechtbank bij vonnis op verzet de onmiddellijke aanhouding van de eiser heeft bevolen, anderdeels, dat de eiser zich nog steeds in hechtenis bevindt krachtens de afzonderlijke beschikking van de raadkamer te Hasselt van 28 okto-ber 2011.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

11. Het arrest oordeelt dat de eiser in het verleden veelvuldig veroordeeld werd tot ernstige gevangenisstraffen en ook in Nederland werd veroordeeld tot zeven jaar hechtenis, dat meerdere veroordelingen gelijkaardige feiten betreffen en het lucratief karakter van de ten laste gelegde feiten een reëel gevaar voor recidive in-houdt. Die redenen dragen de beslissing dat het gevaar voor herval in hoofde van de eiser bijzonder groot is en niet kan geneutraliseerd worden door detentiever-vangende voorwaarden of een borgstelling zodat het verzoek tot voorlopige in-vrijheidstelling dient te worden afgewezen.

In zoverre het onderdeel opkomt tegen de vaststelling door het arrest dat de eiser zich klaarblijkelijk in staat van wettelijke herhaling bevindt, is het gericht tegen een overtollige reden en is het niet ontvankelijk.

Ambtshalve onderzoek

12. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 116,10 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Tegenstrijdigheid in de motivering