- Arrest van 4 september 2012

04/09/2012 - P.12.0344.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 215 Wetboek van Strafvordering legt de appelrechter de verplichting op om over de zaak zelf te beslissen wanneer hij het beroepen vonnis teniet doet, mits de vernietiging niet gegrond is op het feit dat de eerste rechter niet bevoegd was of de zaak niet bij hem aanhangig was (1). (1) Cass. 1 okt. 1986, AR 5084, AC 1986-87, nr 60; Cass. 3 nov. 1987, AR 1841, AC 1987-88, nr. 140; Cass. 1 april 2009, AR P.08.1925.F, AC 2009, nr. 227 met concl. Proc.-gen. Leclercq in Pas. 2009.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0344.N

1. L S D,

voormalige pleegvader van een minderjarige,

eiser,

met als raadsman mr. Johan Nolmans, advocaat bij de balie te Brussel,

2. J A A,

voormalige pleegmoeder van een minderjarige,

eiseres,

met als raadsman mr. Emmanuel Verhaest, advocaat bij de balie te Brugge,

tegen

1. N T,

minderjarige,

2. N T,

moeder van een minderjarige,

verweersters.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Ant-werpen, jeugdkamer, van 12 januari 2012, gewezen op verwijzing ingevolge 's Hofs arrest van 8 november 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, zes middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. Het onderdeel voert schending aan van artikel 215 Wetboek van Strafvorde-ring en artikel 62 Jeugdbeschermingswet: na de beroepen beschikking van de jeugdrechter te hebben vernietigd, trekt de jeugdkamer van het hof van beroep de zaak aan zich en oordeelt zij over de zaak zelf; de eerste rechter was onbevoegd en de zaak was bij hem niet regelmatig aanhangig gemaakt.

2. Het arrest oordeelt dat de eerste rechter zonder verzoek en bijgevolg ambts-halve een eerder genomen maatregel heeft gewijzigd en doet op die grond de be-roepen beschikking teniet. Aldus stelt het arrest niet vast dat de eerste rechter niet bevoegd was kennis te nemen van de zaak noch dat de zaak bij hem niet rechts-geldig aanhangig was gemaakt.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

3. Artikel 215 Wetboek van Strafvordering bepaalt: "Indien het vonnis wordt teniet gedaan wegens schending of niet hersteld verzuim van vormen door de wet voorgeschreven op straffe van nietigheid, beslist het hof (van beroep) mede over de zaak zelf."

4. Die bepaling legt de appelrechter de verplichting op om over de zaak zelf te beslissen wanneer hij het beroepen vonnis teniet doet, mits de vernietiging niet gegrond is op het feit dat de eerste rechter niet bevoegd was of de zaak niet bij hem aanhangig was.

5. Wanneer, zoals hier, de problematische opvoedingssituatie van een minder-jarige overeenkomstig het toen toepasselijke artikel 22 Vlaams Decreet Bijzondere Jeugdbijstand gecoördineerd bij besluit van de Vlaamse executieve van 4 april 1990 (thans artikel 37 Decreet Bijzondere Jeugdbijstand 2008) aanhangig is ge-maakt en de jeugdrechter in dat kader reeds beschermingsmaatregelen heeft ge-nomen, blijft de zaak van de minderjarige bij de jeugdrechter regelmatig aanhan-gig. De jeugdrechter is dan bevoegd om een in artikel 38, § 1, Decreet Bijzondere Jeugdbijstand 2008 genomen maatregel overeenkomstig artikel 41, eerste lid, van datzelfde decreet te vervangen door een andere maatregel.

6. De afwezigheid van een verzoek van de in artikel 41, eerste lid, Decreet Bij-zondere Jeugdbijstand 2008 vermelde verzoekers om overeenkomstig die bepaling een eerder genomen maatregel als bedoeld in artikel 38, § 1, van dat decreet te vervangen, is vreemd aan de bevoegdheid van de jeugdrechter en houdt niet in dat de zaak bij hem niet regelmatig aanhangig is gemaakt. Die afwezigheid is een niet hersteld verzuim van het door die bepaling opgelegde vormvoorschrift. Wan-neer de jeugdkamer van het hof van beroep dat verzuim vaststelt en op die grond de beroepen beschikking van de jeugdrechter teniet doet, moet zij over de zaak zelf beslissen. Het arrest dat aldus oordeelt, is naar recht verantwoord.

Het onderdeel kan in zoverre niet aangenomen worden.

Tweede onderdeel

7. Het onderdeel voert schending aan van artikel 14.5 IVBPR: het arrest is in laatste aanleg gewezen ingevolge een onterechte evocatie; de eisers werden bijge-volg in de onmogelijkheid gesteld om met een gewoon rechtsmiddel de zaak te onderwerpen aan een nieuwe beoordeling.

8. Het onderdeel is volledig afgeleid uit de in het eerste onderdeel vergeefs aangevoerde onwettigheid.

Het onderdeel is niet ontvankelijk.

Tweede middel

9. Het middel voert schending aan van onder meer artikel 202 Wetboek van Strafvordering en de artikelen 58 en 62 Jeugdbeschermingswet.

10. Het middel preciseert in geen enkele van zijn onderdelen hoe en waardoor het arrest die wetsbepalingen schendt.

In zoverre is het middel in zijn beide onderdelen niet ontvankelijk.

Eerste onderdeel

11. Het onderdeel voert schending aan van de artikelen 2 en 1138, 2°, Gerechte-lijk Wetboek en artikel 427 Wetboek van Strafvordering, alsmede miskenning van het beschikkingsbeginsel: ingevolge de vernietiging van het arrest van de jeugd-kamer in hoger beroep van 7 april 2011 en de verwijzing door 's Hofs arrest van 8 november 2011, was er voor de verwijzingsrechter geen vordering van het open-baar ministerie aanhangig.

12. Het arrest van het Hof van 8 november 2011 vernietigt het arrest van de jeugdkamer in hoger beroep van 7 april 2011 in zoverre het uitspraak doet over het hoger beroep tegen de beschikking van de jeugdrechter van 15 februari 2011. Die beschikking had betrekking op de vervanging van de ten aanzien van de ver-weerster 1 genomen beschermingsmaatregel door een andere maatregel. Het ver-wijst de aldus beperkte zaak naar de jeugdkamer in hoger beroep anders samenge-steld.

13. Ingevolge die verwijzing, had de jeugdkamer in hoger beroep te oordelen over de vervanging van de beschermingsmaatregel en waren de partijen hersteld in de toestand waarin ze zich bevonden voor de appelrechter wiens uitspraak werd vernietigd. De partijen konden bijgevolg alle nuttige vorderingen nemen die ver-band hielden met de betwiste vervanging van de beschermingsmaatregel.

In zoverre het onderdeel uitgaat van het tegendeel, faalt het naar recht.

14. Het arrest stelt vast dat het openbaar ministerie ter rechtszitting van 22 de-cember 2011 gevorderd heeft de maatregel van pleegplaatsing niet langer te hand-haven en de verweerster 1 toe te vertrouwen aan het MPC Sint-Franciscus te Roosdaal, alsmede dat het contact met de eiseres 2 zou worden hersteld door een halfmaandelijks contact. De vordering van het openbaar ministerie was bijgevolg wel aanhangig voor de appelrechter op verwijzing.

In zoverre mist het onderdeel feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

15. Het onderdeel voert miskenning aan van de devolutieve werking van het hoger beroep: het arrest doet ten onrechte uitspraak over de vordering van het openbaar ministerie; deze vordering was niet aanhangig voor de eerste rechter zo-dat de appelrechter daarover geen uitspraak kon doen.

16. De devolutieve werking van het hoger beroep van de eiseres belet niet dat het openbaar ministerie een in eerste aanleg gepleegd verzuim van een vormver-eiste rechtzet door voor de appelrechter de vereiste vordering te nemen. Door hieraan gevolg te geven, verzwaart het arrest geenszins de toestand van de eisers.

Het onderdeel faalt naar recht.

Derde middel

17. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR, ar-tikel 807 Gerechtelijk Wetboek en artikel 62 Jeugdbeschermingswet.

Eerste onderdeel

18. Het onderdeel voert aan dat het arrest akte neemt van de vordering van het openbaar ministerie en de verweerster 1 toevertrouwt aan het MPC Sint-Franciscus met een beperkt bezoekrecht voor de eiseres 2; de zaak werd voor de eerste rechter niet regelmatig aanhangig gemaakt zodat in hoger beroep de vorde-ring niet kon uitgebreid of gewijzigd worden.

19. Artikel 807 Gerechtelijk Wetboek is in strafzaken enkel van toepassing op de burgerlijke rechtsvordering. Het is niet van toepassing op een vordering inzake jeugdbijstand genomen met toepassing van artikel 41, eerste lid, Vlaams Decreet Bijzondere Jeugdbijstand 2008.

In zoverre het onderdeel schending van die wetsbepaling aanvoert, faalt het naar recht.

20. Zoals blijkt uit het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel, was de zaak bij de eerste rechter rechtsgeldig aanhangig gemaakt.

In zoverre kan het onderdeel niet aangenomen worden.

Tweede onderdeel

21. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte akte neemt van de vordering van het openbaar ministerie; het instellen van een volledig nieuwe vordering in hoger beroep is verboden.

22. Uit het antwoord op het eerste en tweede onderdeel van het tweede middel blijkt dat het openbaar ministerie een in eerste aanleg gepleegd verzuim van een vormvereiste vermocht recht te zetten door voor de appelrechter de vereiste vorde-ring te nemen teneinde de appelrechter toe te laten uitspraak te doen over het voor de eerste rechter aanhangige geschil.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Derde onderdeel

23. Het onderdeel voert aan dat het arrest ten onrechte gevolg geeft aan een in hoger beroep ingestelde nieuwe vordering; hierdoor ontzegt het arrest het recht van de eisers op dubbele aanleg gewaarborgd door artikel 14.5 IVBPR.

24. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers voor de appelrechters schending van artikel 14.5 IVBPR hebben aangevoerd.

Het onderdeel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde onderdeel

25. Het onderdeel voert aan dat het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces gewaarborgd bij artikel 6 EVRM en artikel 14 IVBPR zijn miskend doordat het openbaar ministerie voor de eerste maal in hoger beroep zijn vordering heeft gesteld.

26. De omstandigheid dat het openbaar ministerie slechts in hoger beroep een vordering instelt, belet de partijen niet zich daartegen te verdedigen en levert geen miskenning van het recht van verdediging en het recht op een eerlijk proces op.

Het onderdeel faalt naar recht.

Vijfde onderdeel

27. Het onderdeel voert aan dat de eisers niet tijdig op de hoogte zijn gebracht van de tegen hen ten laste gelegde feiten; de vordering van het openbaar ministe-rie bleek niet uit de dagvaarding om, ingevolge de verwijzing door het arrest van het Hof van 8 november 2011, voor de verwijzingsrechter te verschijnen; aldus zijn artikel 6.3.a EVRM en artikel 14.3 IVBPR geschonden.

28. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers voor de appelrechters schending van artikel 6.3.a EVRM en artikel 14.3 IVBPR hebben aangevoerd.

Het onderdeel is nieuw, mitsdien niet ontvankelijk.

Vierde middel in zijn geheel

29. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM, artikel 14 IVBPR en artikel 149 Grondwet: de eisers hebben de appelrechters verzocht de zaak in voortzetting te stellen teneinde hen toe te laten standpunt in te nemen over de vor-dering van het openbaar ministerie; het arrest gaat daarop niet in; aldus is het recht van verdediging miskend (eerste onderdeel) en is de beslissing niet regelmatig met redenen omkleed (tweede onderdeel).

30. Uit de stukken waarop het Hof vermag acht te slaan, blijkt niet dat de eisers gevraagd hebben de zaak in voortzetting te stellen teneinde hen toe te laten stand-punt in te nemen over de vordering van het openbaar ministerie.

Het middel mist in zijn beide onderdelen feitelijke grondslag.

Vijfde middel

31. Het middel voert in al zijn onderdelen schending aan van artikel 6 EVRM en artikel 149 Grondwet: het arrest beantwoordt het verweer van de eisers niet en miskent aldus hun recht op een eerlijk proces.

Eerste onderdeel

32. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet antwoordt op het verweer van de eisers met betrekking tot het belang van de verweerster 1 en de daarmee verband houdende schending van artikel 3 Internationaal Verdrag Rechten van het Kind (IVRK).

33. Het arrest oordeelt:

- "Hier dient immers niet alleen de geschiktheid van het pleeggezin beoordeeld te worden, maar ook de opportuniteit van de pleegplaatsing op zich, die dient afgewogen te worden tegen de plaatsing in een MPI, gelet op de bijzondere si-tuatie van [de verweerster 1] en rekening houdend met haar belangen."

- "Gelet op de objectieve gegevens uit de diverse nota's en verslagen, zoals hierboven vermeld, gegevens die niet afdoende weerlegd worden in het verweer daartegen van de pleegouders, is de pleegplaatsing niet langer in het belang van de minderjarige en dient deze vervangen te worden door een toevertrouwen aan het MPC."

- "Uit een verslag (...) blijkt dat het in het belang is van de minderjarige het contact met de voormalige pleegmoeder progressief te herstellen. Er wordt besloten dat het aan de betrokken diensten is om in te schatten of een volledige terugkeer naar de voormalige pleegmoeder mogelijk is."

34. Met die redenen onderzoekt het arrest waar het belang van de verweerster 1 ligt en beantwoordt het het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Tweede onderdeel

35. Het onderdeel voert aan dat het arrest het verweer van de eisers over de continuïteit van het gezinsleven en de schending van artikel 20 IVRK niet beant-woordt.

36. Met het in het onderdeel weergegeven verweer voerden de eisers aan dat de continuïteit van het familieleven in het belang is van de verweerster 1. Met de in het antwoord op het eerste onderdeel weergegeven redenen onderzoekt het arrest waar het belang van de verweerster 1 ligt en weegt het dat belang af tegenover een hereniging in haar pleeggezin. Aldus beantwoordt het arrest het bedoelde verweer.

Het onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

37. Het onderdeel voert aan dat het arrest het verweer van de eisers met betrek-king tot de onregelmatigheden in de procedure niet beantwoordt.

38. In conclusie hebben de eisers opgesomd wat zij als "hiaten in de procedure" bestempelen. Zij hebben hieruit evenwel geen gevolgen in rechte getrokken met betrekking tot de te nemen beschermingsmaatregel. Bijgevolg diende het arrest dat doelloos verweer niet te beantwoorden.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Vierde onderdeel

39. Het onderdeel voert aan dat het arrest niet motiveert waarom de jeugdkamer in hoger beroep zich voldoende ingelicht achtte.

40. In conclusie hebben de eisers enkel gevraagd de zaak voor verder onderzoek in voortzetting te stellen.

41. Het arrest somt de gegevens op waarop het de beslissing laat steunen. Het geeft aldus te kennen dat die gegevens volstaan om de beslissing te nemen, zonder dat het nader diende te motiveren waarom de appelrechter zich voldoende inge-licht achtte.

Het onderdeel kan niet aangenomen worden.

Zesde middel in zijn geheel

42. Het middel voert schending aan van artikel 6 EVRM en 149 Grondwet: het arrest dat geen rekening houdt met geldige en regelmatige stukken, is niet regel-matig gemotiveerd.

43. De enkele omstandigheid dat de rechter niet uitdrukkelijk verwijst naar hem regelmatig overgelegde stukken, houdt niet in dat hij deze stukken in zijn besluit-vorming niet in aanmerking neemt noch dat hij zijn beslissing niet regelmatig met redenen omkleed.

44. Voor het overige hoeft de rechter niet te antwoorden op stukken, maar enkel op een regelmatig ter rechtszitting overgelegde conclusie.

In zoverre faalt het middel in al zijn onderdelen naar recht.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Veroordeelt de eisers tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 67,46 euro waarvan 37,46 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Antoine Lievens en Erwin Francis, en op de openbare rechtszitting van 4 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzit-ter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Gevolg

  • Appelrechter die het beroepen vonnis teniet doet

  • Verplichting over de zaak zelf te beslissen