- Arrest van 7 september 2012

07/09/2012 - C.11.0667.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Indien de schuldvordering die het voorwerp is van het vonnis van de eerste rechter werd overgedragen, kan door de schuldenaar van de overgedragen schuldvordering hoger beroep worden ingesteld hetzij tegen de oorspronkelijke schuldeiser zoals die blijkt uit het beroepen vonnis, hetzij tegen de overnemer (1). (1) Zie de (andersluidende) concl. van het O.M.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0667.N

1. VASSART & C° nv, in vereffening, met zetel te 1190 Vorst, Ververij-straat 9-15,

2. S.V.,

eisers,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de eisers woonplaats kiezen,

tegen

1. M.D.,

2. L.D.B.,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen de arresten van het hof van beroep te Gent van 10 maart 2010 en 18 mei 2011.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft op 18 mei 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Afdelingsvoorzitter Eric Dirix heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eisers voeren in hun verzoekschrift drie middelen aan.

Eerste middel

Geschonden wetsbepalingen

- de artikelen 17, 1042, 1138, 2° en 1050 Gerechtelijk Wetboek;

- het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het bur-gerlijk geding (het beschikkingsbeginsel).

Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen in het bestreden arrest van 10 maart 2010 dat zij ambtshalve de ontvankelijkheid van het hoger beroep moeten beoordelen; zij stellen vast dat de schuldvordering rechtsgeldig en op aan eisers tegenstelbare wijze werd overgedragen aan tweede verweerder en dat die overdracht van schuldvordering mogelijks van aard zou kunnen zijn om de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beïnvloeden; de appelrechters heropenen dan ook de debatten om partijen toe te laten hierover standpunt in te nemen. De appelrechters beslissen in voormelde zin op grond van de volgende motieven:

"2. Dit belet evenwel niet dat de ontvankelijkheid van het hoger beroep uitgaande van (eisers) en gericht tegen (eerste verweerder) moet beoordeeld worden. De ontvankelijkheid van een rechtsmiddel is immers van openbare orde en moet zelfs ambtshalve door de appelrechter onderzocht worden.

2.1. Als in het ongelijk gestelde partijen hebben zowel (eerste eiseres) als (tweede eiser) in principe hoedanigheid en belang om hoger beroep in te stellen. Het hoger beroep kan ook enkel worden gericht tegen wie in eerste aanleg partij was en voor de eerste rechter tegengestelde belangen verdedigde, m.a.w. tegen de processuele materiële wederpartij.

Niettemin blijft het de vraag in hoever de overdracht van schuldvordering van 4 maart 2008, ter kennis gebracht met afzonderlijke aangetekende brieven van 7 maart 2008 aan (eisers), d.i. na het bestreden vonnis en vóór het instellen van het hoger beroep bij verzoekschrift neergelegd op 11 april 2008, de ontvankelijkheid van het hoger beroep kan beïnvloeden.

In de overeenkomst van ‘overdracht van schuldvordering' tussen (eerste verweerder) en (tweede verweerder) opgesteld op 4 maart 2008 - overeenkomst waarvan de rechtsgeldigheid niet in twijfel getrokken wordt - werd in artikel 3 overeengekomen dat ‘(eerste verweerder) hierbij overdraagt aan (tweede verweerder) de sub 1 uiteengezette schuldvordering en alle eraan verbonden meerinkomsten en aanverwanten zoals intresten, gerechtskosten en dergelijke meer'. Met de ‘sub 1 uiteengezette schuldvordering' wordt bedoeld de ‘... vordering van (eerste verweerder) (...) op minwaarde, genotsderving en kosten verbonden aan de Calypso, die eertijds krachtens bewaarneming werd gestald bij de firma Vassart'.

In diezelfde overeenkomst werd eveneens overeengekomen dat 1) aan (tweede verweerder) de volle eigendom van de bewuste boot Calypso wordt toegewezen en 2) aan (tweede verweerder) ‘de gebeurlijke schuld opzichtens Vassart & Co/S.V.(zie tegeneis voor rechtbank omtrent standgelden boot' wordt overgedragen ‘zodat (eerste verweerder) daartoe niet gehouden kan worden'.

Deze overeenkomst bevat dus 1) een eigendomsoverdracht m.b.t. de boot zelf, 2) een overdracht van schuldvordering m.b.t. de gevorderde schadevergoeding, minwaarde en kosten, 3) een overdracht van schuld m.b.t. de door (tweede eiser) gevorderde standgelden van de boot.

Het onderdeel overdracht van schuldvordering is aan de (eisers) tegenstelbaar aangezien werd voldaan aan de voorwaarden van artikel 1690 Gerechtelijk Wetboek. Dit wordt ook niet betwist.

Voormelde overeenkomst maakt (tweede verweerder) tot een rechtsverkrijger onder bijzondere titel zowel wat de boot als wat de hieraan klevende hoofd- en tegenvorderingen betreft, en dus ook van de schuldvordering die het voorwerp van de overdracht van 4/3/2008 uitmaakt.

In tegenstelling tot rechtsopvolgers onder algemene titel, zijn de rechtsverkrijgers onder bijzondere titel niet de voortzetting van de persoon van hun rechtsvoorganger. In het bijzonder bij een overdracht van schuldvordering (cessie) wordt in de materiële rechtsverhouding tussen de overdrager en de schuldenaar(s) de plaats van de overdrager ingenomen door de overnemer. De rechtsband bestaat m.a.w. van dan af tussen de overnemer en de schuldenaar(s) en niet meer tussen de overdrager en de schuldenaar(s).

2.2. Het hoger beroep van (eisers) strekt onder meer tot de afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering van (eerste verweerder), vordering die gedeeltelijk door de eerste rechter werd toegekend t.a.v. (eerste verweerder). Na het bestreden vonnis en vóór het instellen van het hoger beroep werd deze schuldvordering rechtsgeldig en op een aan de schuldenaars tegenstelbare wijze overgedragen door (eerste verweerder) aan (tweede verweerder). Dit betekent dat (eisers) reeds vóór het instellen van het hoger beroep regelmatig in kennis waren gesteld van de overdracht van schuldvordering en dus ook van het feit dat niet meer (eerste verweerder) maar (tweede verweerder) hun schuldeiser was geworden.

Een overdracht van schuldvordering brengt logischerwijze een overdracht van het accessoire vorderingsrecht (ius agendi) mee, wat betekent dat eenmaal de formaliteiten van artikel 1690 Burgerlijk Wetboek zijn vervuld - zoals in casu - de cedent géén titularis meer is van de schuldvordering en van het bijhorende vorderingsrecht en derhalve niet meer in rechte kan optreden.

In de gegeven omstandigheden zou de vóór het instellen van het hoger beroep plaatsgevonden overdracht van schuldvordering mogelijks van aard kunnen zijn om de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beïnvloeden.

2.3. Aangezien hoger reeds werd aangegeven dat het niet aan (tweede verweerder) toekomt de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep in te roepen, doet het (hof van beroep) dit ambtshalve.

Aangezien (tweede verweerder) slechts in ondergeschikte orde het geding hervat, meer bepaald wanneer het hoger beroep ontvankelijk zou worden verklaard, is (eerste verweerder) voor wat de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, nog steeds als gedingpartij te aanzien. Louter procedureel is (eerste verweerder) overigens nog steeds gedingpartij, ten bewijze de beschikking van 7 mei 2008 gewezen door de voorzitter van deze kamer houdende bekrachtiging van de door partijen afgesproken conclusietermijnen met rechtsdagbepaling, waarin aan (eerste verweerder) werd ter kennis gebracht bij gerechtsbrief gedateerd op 14 mei 2008.

(Eerste verweerder) legde evenwel geen beroepsconclusies neer en was evenmin aanwezig op de openbare terechtzitting van 13 januari 2010; wel verscheen (tweede verweerder) ‘voor (eerste verweerder)', als gedinghervattende partij.

Bij nader inzien kan deze gedinghervatting, omwille van het ondergeschikt karakter ervan, nog geen procedurele gevolgen sorteren, wat meebrengt dat aan (tweede verweerder) in deze stand van de procedure (nog) geen akte van zijn gedinghervatting kan verleend worden en dat, althans voor wat de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep betreft, (eerste verweerder) niet in de gelegenheid is geweest zijn argumenten hieromtrent uiteen te zetten, in tegenstelling tot de (eisers) en (tweede verweerder) die hierover in conclusies een tegensprekelijk debat hebben gevoerd.

Teneinde de rechten van verdediging te respecteren, inzonderheid deze van (eerste verweerder), dienen de debatten ambtshalve te worden heropend teneinde hem in de mogelijkheid te stellen zijn standpunt uiteen te zetten omtrent de door het (hof van beroep) ambtshalve opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid van het hoger beroep zoals tegen hem gericht".

In het eindarrest van 18 mei 2011 verklaren de appelrechters het hoger beroep, in zoverre gericht tegen eerste verweerder niet ontvankelijk, op grond van de volgende motieven:

"1. hoger beroep in de zaak met A.R. nr. 2008/AR/989

1.1. In het tussenarrest van 10 maart 2010 werd reeds uiteengezet dat de schuldvordering die (eerste verweerder) bezit op (eisers) en die betrekking heeft op de ‘minwaarde, genotsderving en kosten verbonden aan de Calypso, die eertijds krachtens bewaarneming werd gestald bij (eerste eiseres), bij overeenkomst van 4 maart 2008 door (eerste verweerder) werd overgedragen aan (tweede verweerder). Deze schuldvordering maakte het voorwerp uit van de hoofdvordering die (eerste verweerder) lastens (eisers) formuleerde voor de eerste rechter en werd in het bestreden vonnis toegekend tot beloop van 48.029,37 euro meer de gerechtelijke intresten vanaf 5 oktober 1998 tot aan de dag van de algehele betaling. De overdracht van schuldvordering werd overeenkomstig artikel 1690 Burgerlijk Wetboek rechtsgeldig ter kennis gebracht bij afzonderlijke aangetekende brieven van 7 maart 2008 aan (eisers) alsook bij gewone brief, samen met een kopie van de overdrachtovereenkomst, aan hun raadsman.

Naast deze overdracht van schuldvordering bevat de overeenkomst van 4 maart 2008 eveneens een eigendomsoverdracht m.b.t. de boot Calypso en een overdracht van de ‘gebeurlijke' schuld van (eerste verweerder) t.a.v. ‘(eisers) m.b.t. de door deze gevorderde standgelden voor de boot.

Aldus werd (tweede verweerder) ingevolge deze overeenkomst de rechtsopvolger onder bijzondere titel van (eerste verweerder) zowel m.b.t. het eigendomsrecht van de boot als m.b.t. alle hieraan klevende schulden en schuldvorderingen ten overstaan van of ten aanzien van (eisers).

In het tussenarrest werd eveneens reeds overwogen dat de overdracht van schuldvordering voor gevolg heeft dat in de materiële rechtsverhouding tussen de overdrager en diens schuldenaar(s), de plaats van de overdrager wordt ingenomen door de overnemer, waardoor de rechtsband tussen de overdrager en zijn schuldenaar(s) ophoudt te bestaan en vervangen wordt door de rechtsband tussen de overnemer en de schuldenaar(s). De overnemer van de schuldvordering treedt in de rechten van de overdragende schuldeiser en is, met betrekking tot de rechten waartoe de overgedragen schuldvordering aanleiding geeft, als partij bij de oorspronkelijke rechtsverhouding te beschouwen. Dit betreft niet enkel de schuldvordering zelf, d.i. het recht om de nakoming van de overeengekomen prestatie te vorderen, maar eveneens alle met deze schuldvordering verbonden rechten (accessoria), waaronder het vorderingsrecht.

Vanaf het ogenblijk dat de overdracht ter kennis wordt gebracht aan de overgedragen schuldenaar, is de overdracht hem tegenwerpbaar.

Zoals gezegd, gebeurde de kennisgeving in onderhavig geschil op 7 maart 2008, d.i. nà tussenkomst van het bestreden vonnis (20 februari 2008) en vóór het instellen van het hoger beroep door (eisers) (11 april 2008), zodat van dan af het vorderingrecht omtrent de aan de grondslag liggende prestatie van de overgedragen schuldvordering (nl. het betalen van een vergoeding wegens minwaarde, genotsderving en kosten m.b.t. de boot Calypso ingevolge schade opgelopen tijdens de bewaarneming door (eerste eiseres) in handen is gekomen van (tweede verweerder) en dienvolgens verder door hem moest uitgeoefend worden. Dit betekent ook dat vanaf 7 maart 2008 (eerste verweerder) als (materiële en formele) procespartij, in zijn rechten en verplichtingen voortvloeiende uit het door hem geïnitieerde geding, werd opgevolgd door (tweede verweerder), derwijze dat (eisers) hun hoger beroep, strekkende tot afwijzing van de oorspronkelijke hoofdvordering, niet meer tegen (eerste verweerder) konden richten, maar enkel tegen (tweede verweerder) konden instellen.

Gelet op de in dezelfde overeenkomst opgenomen schuldoverdracht met betrekking tot de door (eisers) bij tegeneis gevorderde standgelden van de boot, waarvan niet betwist wordt dat deze door laatstgenoemden werd aanvaard en waardoor ook hier (tweede verweerder) in rechtsband met de schuldeisers (consoorten (eisers)) in de plaats van (eerste verweerder) is gekomen, geldt het voorgaande ook voor wat betreft het hoger beroep van (eisers) in zover strekkende tot de (integrale) toekenning van deze tegenvordering.

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens de artikelen 17, 1042 en 1050 Gerechtelijk Wetboek kan hoger beroep enkel worden ingesteld door en tegen een persoon die hiertoe de vereiste hoedanigheid heeft.

Dit houdt in dat het hoger beroep moet worden ingesteld door een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter tegen een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter. Vereist is verder dat er tussen deze partijen een geding aanhangig was voor de eerste rechter. Deze vereisten betreffen de ontvankelijkheid van het hoger beroep en raken de openbare orde.

De hoedanigheid om hoger beroep in te stellen, dient onderscheiden te worden van de hoedanigheid om de rechtsvordering uit te oefenen. De hoedanigheid om de rechtsvordering uit te oefenen verwijst naar de band tussen de procespartij en het litigieus materieel recht. Het vereiste van de hoedanigheid in deze zin raakt de openbare orde niet.

Terzake stellen de appelrechters in het bestreden arrest van 10 maart 2010 vast en blijkt uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, met name uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 20 februari 2008 en uit het verzoekschrift tot hoger beroep van 11 april 2008, dat eisers in voormeld vonnis van 20 februari 2008 veroordeeld werden om aan eerste verweerder het bedrag van 48.029,37 euro, meer interesten te betalen en dat het hoger beroep tegen dit vonnis door eisers tegen eerste verweerder was gericht. Uit deze vaststellingen blijkt derhalve dat aan bovenvermelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep was voldaan.

De appelrechters stellen evenwel in het bestreden arrest van 10 maart 2010 vast dat eerste verweerder zijn schuldvordering na de uitspraak van het vonnis van de eerste rechter, maar voor hoger beroep werd ingesteld, met name op 4 maart 2008, heeft overgedragen aan tweede verweerder en dat eisers hiervan in kennis werden gesteld op 7 maart 2008. De appelrechters zijn van oordeel dat deze overdracht van schuldvordering met zich meebrengt dat eerste verweerder geen titularis meer is van de schuldvordering en van het bijhorende vorderingsrecht zodat de overdracht van schuldvordering mogelijks van die aard zou kunnen zijn om de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beïnvloeden en werpen ambtshalve de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep op.

Door aldus in het bestreden arrest van 10 maart 2010 te beslissen dat zij de verplichting hebben om ambtshalve op te werpen dat eerste verweerder niet meer over de hoedanigheid om in rechte op te treden beschikte omdat hij zijn schuldvordering had overgedragen aan tweede verweerder, op grond dat het ontbreken van deze hoedanigheid van aard is om de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beïnvloeden en deze problematiek derhalve de openbare orde raakt, schenden de appelrechters de artikelen 17, 1042 en 1050 Gerechtelijk Wetboek.

Door ambtshalve de problematiek op te werpen van de hoedanigheid van eerste verweerder, en meer bepaald de vraag of eerste verweerder op het ogenblik dat hoger beroep tegen hem werd ingesteld, nog titularis van de schuldvordering was, schenden de appelrechters eveneens het algemeen rechtsbeginsel van de autonomie van de procespartijen in het burgerlijk geding (het beschikkingsbeginsel), zoals vervat in artikel 1138, 2° Gerechtelijk Wetboek, luidens hetwelk de partijen de grenzen van het geschil bepalen. Hoewel het de rechter toegelaten is ambtshalve de door partijen aangevoerde redenen aan te vullen, geldt deze regel enkel wat betreft de toepassing van het recht op de feiten. Deze regel laat de rechter evenwel niet toe ambtshalve middelen van niet ontvankelijkheid die de openbare orde niet raken aan te voeren. In geen geval kan uit deze regel een verplichting voor de rechter worden afgeleid om ambtshalve middelen van niet ontvankelijkheid op te werpen.

Tweede onderdeel

Krachtens de artikelen 17, 1042 en 1050 Gerechtelijk Wetboek kan hoger beroep enkel worden ingesteld door en tegen een persoon die hiertoe de vereiste hoedanigheid heeft.

Dit houdt in dat het hoger beroep moet worden ingesteld door een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter tegen een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter. Vereist is verder dat er tussen deze partijen een geding aanhangig was voor de eerste rechter. Een partij die in eerste aanleg werd veroordeeld tot betaling van een geldsom ten aanzien van een andere partij, kan derhalve een ontvankelijk hoger beroep instellen tegen die andere partij, zelfs al heeft die andere partij haar schuldvordering na de uitspraak van de beslissing van de eerste rechter en voor het instellen van het hoger beroep overgedragen aan een derde.

De hoedanigheid om hoger beroep in te stellen, dient onderscheiden te worden van de hoedanigheid om de rechtsvordering uit te oefenen. De hoedanigheid om de rechtsvordering uit te oefenen verwijst naar de band tussen de procespartij en het litigieus materieel recht. Een wijziging van hoedanigheid van een partij tijdens het geding heeft geen invloed op de ontvankelijkheid van de vordering, die beoordeeld dient te worden op het ogenblik van de inleiding van het geding. Het hoger beroep dat is ingesteld tegen een persoon die de veroordeling van de appellant heeft bekomen, maar die na de uitspraak van de eerste rechter zijn schuldvordering heeft overgedragen, is ontvankelijk.

Terzake stellen de appelrechters in het bestreden arrest van 10 maart 2010 vast en blijkt uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, met name uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 20 februari 2008 en uit het verzoekschrift tot hoger beroep van 11 april 2008, dat eisers in voormeld vonnis van 20 februari 2008 veroordeeld werden om aan eerste verweerder het bedrag van 48.029,37 euro, meer interesten te betalen en dat het hoger beroep tegen dit vonnis door eisers tegen eerste verweerder was gericht. Uit deze vaststellingen blijkt derhalve dat aan bovenvermelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep was voldaan.

De appelrechters stellen in het bestreden arrest van 10 maart 2010 evenwel vast dat eerste verweerder zijn schuldvordering na de uitspraak van het vonnis van de eerste rechter, maar voor hoger beroep werd ingesteld, met name op 4 maart 2008, heeft overgedragen aan tweede verweerder. De appelrechters stellen vast dat hiervan aan eisers kennis werd gegeven op 7 maart 2008. De appelrechters zijn van oordeel dat deze overdracht van schuldvordering met zich meebrengt dat eerste verweerder geen titularis meer is van de schuldvordering en van het bijhorende vorderingsrecht zodat de overdracht van schuldvordering mogelijks van aard zou kunnen zijn om de ontvankelijkheid van het hoger beroep te beïnvloeden en werpen ambtshalve de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep op.

In het bestreden eindarrest beslissen de appelrechters dat het door eisers tegen eerste verweerder ingestelde hoger beroep inderdaad niet ontvankelijk is omdat eerste verweerder zijn schuldvordering op eisers aan tweede verweerder had overgedragen en aan eisers hiervan kennis had gegeven, na de uitspraak van het vonnis van de eerste rechter en voor het instellen van het hoger beroep.

Door, in het bestreden eindarrest van 18 mei 2011, het door eisers tegen eerste verweerder ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk te verklaren om reden dat eerste verweerder zijn schuldvordering op eisers na de uitspraak van het vonnis van de eerste rechter en voor het hoger beroep heeft overgedragen op tweede verweerder, terwijl het hoger beroep ontvankelijk is indien het is gericht door een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter tegen een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter en tussen deze partijen een geding bestond, en uit de vaststellingen van de appelrechters en de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, blijkt dat eerste verweerder in eerste aanleg procespartij was en eisers ten aanzien van eerste verweerder door de eerste rechter werden veroordeeld, schenden de appelrechters de artikelen 17, 1042 en 1050 Gerechtelijk Wetboek.

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- de artikelen 15, 16, 17, 742, 743, 813, 816, 1042, 1050 en 1056, 4° Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

De appelrechters beslissen in het bestreden arrest van 10 maart 2010 dat tweede verweerder niet rechtsgeldig als procespartij is opgetreden in het kader van het hoger beroep dat eisers tegen eerste verweerder instelden tegen het vonnis dat op 20 februari 2008 werd uitgesproken door de rechtbank van eerste aanleg te Brug-ge, op grond van de volgende motieven:

"1. Zoals reeds aangehaald, verschijnt plots (tweede verweerder) als ‘geïntimeerde' ten tonele i.p.v. de oorspronkelijke gedaagde in hoger beroep (eerste verweerder), die al even plots van het strijdtoneel verdwijnt. Aldus besluit niet (eerste verweerder) maar (tweede verweerder) tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep in zover gericht tegen (eerste verweerder), voorhoudende dat ingevolge de voormelde overdracht van schuldvordering van 4 maart 2008 aan de (eisers) afzonderlijk ter kennis gebracht bij aangetekende brieven van 7 maart 2008 (d.i. vóór het instellen van het hoger beroep), het hoger beroep diende gericht te zijn aan de cessionaris ((tweede verweerder)) en niet (meer) aan de cedent ((eerste verweerder)). Pas in ondergeschikte orde, en voor het geval het hoger beroep ontvankelijk zou worden verklaard, vraagt (tweede verweerder) dat hem akte wordt verleend van zijn hervatting van geding, in welk geval hij alle door (eerste verweerder) aangebrachte argumentatie in de beide aanleggen, herneemt en tot de zijne maakt.

Dit is op zijn minst een zeer eigenaardige vorm van procesvoering. Want de eerste vraag is immers niet of het hoger beroep uitgaande van (eisers) zoals gericht tegen (eerste verweerder) ontvankelijk is, maar wel in hoeverre een ‘buitenstaander' in het proces, met name (tweede verweerder), in de plaats van de oorspronkelijke gedaagde in hoger beroep en met uitsluiting van deze laatste, de onontvankelijkheid van dit hoger beroep kan inroepen. Men kan immers niet zomaar ‘inbreken' in een proces. (Tweede verweerder) maakt wel de vergelijking met een burgerlijke partij, doch zelfs een burgerlijke partij in een strafproces dient zich formeel burgerlijke partij te stellen vooraleer als procespartij aangezien te kunnen worden.

Terzake blijkt dat (tweede verweerder) op géén enkele wijze als formele of materiële procespartij in het geding werd betrokken, noch in eerste aanleg noch in de beroepsakte; hij is geen (mede) gedaagde in hoger beroep, hij werd evenmin gedagvaard in gedwongen tussenkomst en/of hervatting van geding in hoger beroep voor de neerlegging van zijn (eerste) conclusie op 8 september 2008, en hij komt al evenmin op de geijkte wijze vrijwillig in de beroepsprocedure tussen om het geding te hervatten of verder te zetten. Zijn gedinghervatting is een ondergeschikte proceshandeling die slechts ter sprake komt voor het geval het hoger beroep ontvankelijk wordt verklaard. In zijn hoedanigheid van gedinghervattende partij besluit (tweede verweerder) m.a.w. enkel tot de ongegrondheid van het hoger be-roep en niet tot de niet-ontvankelijkheid ervan.

Bij gebrek aan hoedanigheid van rechtsgeldige procespartij is (tweede verweerder) zodoende niet gerechtigd als ‘geïntimeerde' (in de plaats van (eerste verweerder)) de exceptie van onontvankelijkheid van het hoger beroep in te roepen".

Grieven

Eerste onderdeel

Krachtens de artikelen 17, 1042 en 1050 Gerechtelijk Wetboek, kan hoger beroep enkel worden ingesteld door en tegen een persoon die hiertoe de vereiste hoeda-nigheid heeft.

Dit houdt in dat het hoger beroep moet worden ingesteld door een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter tegen een persoon die partij was bij de beslissing van de eerste rechter. Vereist is verder dat er tussen deze partijen een geding aanhangig was voor de eerste rechter. Een partij die in eerste aanleg werd veroordeeld tot betaling van een geldsom ten aanzien van een andere partij, kan derhalve een ontvankelijk hoger beroep instellen tegen die andere partij, zelfs al heeft die andere partij haar schuldvordering na de uitspraak van de beslissing van de eerste rechter en voor het instellen van het hoger beroep overgedragen aan een derde.

Krachtens artikel 816 Gerechtelijk Wetboek leggen de partijen die verklaren het geding te hervatten overeenkomstig de regels van de artikelen 742 en 743 Gerechtelijk Wetboek ter griffie een akte neer waarin, op straffe van nietigheid, opgave wordt gedaan van de redenen waarom het geding hervat wordt, alsmede van hun naam, voornaam, beroep en woonplaats, of bij gebreke van woonplaats, hun verblijfplaats. De griffier geeft bij gerechtsbrief kennis van die akte aan de overige partijen.

Uit deze bepaling volgt dat de hervatting van geding bij conclusie kan gebeuren. Vereist is wel dat degene die het geding hervat namens een rechtsvoorganger in een neergelegde akte moet verklaren dat hij het geding hervat wegens rechtsopvolging. Een gedinghervatting kan niet impliciet gebeuren.

Terzake stellen de appelrechters in het bestreden arrest van 10 maart 2010 vast en blijkt uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, met name uit het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg te Brugge van 20 februari 2008 en uit het verzoekschrift tot hoger beroep van 11 april 2008, dat eisers in voormeld vonnis van 20 februari 2008 veroordeeld werden om aan eerste verweerder het bedrag van 48.029,37 euro, meer interesten te betalen en dat het hoger beroep tegen dit vonnis door eisers tegen eerste verweerder was gericht. Uit deze vaststellingen blijkt derhalve dat aan bovenvermelde voorwaarden voor de ontvankelijkheid van het hoger beroep was voldaan.

Uit de vaststellingen van de appelrechters in het bestreden arrest van 10 maart 2010 blijkt nog dat tweede verweerder in conclusie vroeg dat hem akte zou worden verleend van zijn hervatting van geding.

In die omstandigheden kon tweede verweerder rechtsgeldig het geding hervatten overeenkomstig artikel 816 Gerechtelijk Wetboek door het indienen van een con-clusie waarin hij verklaarde het geding te hervatten.

Door te beslissen dat tweede verweerder het geding niet kon hervatten omdat, hoewel hij in conclusie verklaarde het geding te hervatten, het hoger beroep dat tegen eerste verweerder was gericht niet ontvankelijk was, en tweede verweerder niet op de geijkte wijze is tussengekomen om het geding te hervatten of verder te zetten, terwijl uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan blijkt dat eisers door de eerste rechter veroordeeld waren ten aanzien van eerste verweerder en het hoger beroep dat tegen eerste verweerder was gericht derhalve wel degelijk ontvankelijk was, de hervatting van geding niet aan specifieke vormvereisten is onderworpen en tweede verweerder in conclusie verklaarde het geding te hervatten, schenden de appelrechters de artikelen 17, 742, 743, 816, 1042 en 1050 Gerech-telijk Wetboek.

Tweede onderdeel

Artikel 15 Gerechtelijk Wetboek, bepaalt dat tussenkomst een rechtspleging is waarbij een derde persoon partij wordt in het geding. De tussenkomst is vrijwillig wanneer de derde opkomt om zijn belangen te verdedigen (artikel 16 Gerechtelijk Wetboek).

Krachtens artikel 813 Gerechtelijk Wetboek geschiedt de vrijwillige tussenkomst bij verzoekschrift, dat, op straffe van nietigheid, de middelen en conclusie bevat.

Wanneer een persoon conclusies heeft neergelegd die zijn middelen bevatten, kan deze persoon beschouwd worden als een tussenkomende partij in de zin van voormelde bepalingen, zelfs zo hij geen verzoekschrift heeft neergelegd.

Krachtens artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

Krachtens artikel 1056, 4°, Gerechtelijk Wetboek wordt het hoger beroep ingesteld bij conclusie ten aanzien van iedere partij die bij het geding aanwezig of verte-genwoordigd is. Opdat een hoger beroep bij conclusie zou kunnen worden ingesteld, volstaat het derhalve dat een partij aanwezig is in het geding.

Terzake blijkt uit de vaststellingen van de appelrechters dat tweede verweerder in hoger beroep vrijwillig is verschenen en conclusie heeft ingediend.

Uit de stukken waarop uw Hof vermag acht te slaan, met name uit de antwoord-besluiten van eisers ingediend ter griffie van het hof van beroep te Gent op 8 januari 2009, blijkt verder dat eisers hun hoger beroep hebben gericht tegen tweede verweerder.

Door te beslissen dat tweede verweerder een "buitenstaander" is, die niet zomaar kan "inbreken" in een proces, tweede verweerder niet op de geijkte wijze vrijwillig is tussengekomen en derhalve geen rechtsgeldige procespartij is, schenden de appelrechters de artikelen 15, 16 en 813 Gerechtelijk Wetboek, die aan derden toelaten, zelfs bij conclusie, vrijwillig tussen te komen in het geding.

Door verder na te laten te onderzoeken of het hoger beroep dat eisers bij conclusie van 8 januari 2009 richtten tegen tweede verweerder ontvankelijk is, schenden de appelrechters nog de artikelen 1050 en 1056, 4°, Gerechtelijk Wetboek.

Derde middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 149 Grondwet;

- de artikelen 1050 en 1051 Gerechtelijk Wetboek.

Aangevochten beslissing

In het bestreden arrest van 18 mei 2011 beslissen de appelrechters dat het door eisers tegen tweede verweerder bij verzoekschrift van 13 oktober 2010 ingestelde hoger beroep niet ontvankelijk is omdat het laattijdig is, op grond van de volgende overwegingen:

"2. hoger beroep in de zaak met A.R. 2010/AR/2703

Dit hoger beroep door (eisers) tegen (tweede verweerder) werd ingesteld bij verzoekschrift neergelegd op 13 oktober 2010 en is duidelijk geïnspireerd door de overwegingen in het tussenarrest van 10 maart 2010.

(Tweede verweerder) besluit tot de niet-ontvankelijkheid van dit hoger beroep wegens laattijdigheid, gelet op de betekening van het bestreden vonnis op 13 maart 2008. (Eisers) verwerpen dit er op wijzende dat de betekening gebeurde op verzoek van (eerste verweerder), derwijze dat de termijn voor het instellen van het hoger beroep, zijnde één maand nà de betekening niet is beginnen lopen ten aanzien van (tweede verweerder) en zij derhalve nog rechtsgeldig tegen hem hoger beroep konden instellen.

Overeenkomstig artikel 1051, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, is de termijn om hoger beroep aan te tekenen één maand te rekenen vanaf de betekening van het vonnis, waartegen het hoger beroep gericht is.

Wanneer de betekening de termijn voor het instellen van hoger beroep doet ingaan, zoals in casu, dan neemt deze termijn niet enkel een aanvang ten aanzien van de partij aan wie betekend werd, doch ook ten aanzien van de partij die overgaat tot betekening.

De betekening van het bestreden vonnis is rechtsgeldig geschied. Het exploot van betekening voldoet aan alle vormvereisten en gaat uit van een bestaande natuurlijke persoon die procespartij was in de eerste aanlegprocedure en in het bestreden vonnis. Weliswaar heeft de betekening uitwerking voor wat betreft de aanspraken tussen de partij die betekent en de partij aan wie betekend wordt.

Dit principe is vooral van belang in een meerderheidspartijengeschil waarbij een eisende partij lastens meerdere verweerders vorderingen heeft ingesteld en de eisende partij overgaat tot de betekening van de beslissing ten aanzien van één van de verweerders, in welk geval de betekening de beroepstermijn geen aanvang doet nemen voor wat betreft de beslissing over een vordering lastens een partij aan wie niet betekend werd.

Ter zake waren de aanspraken door de tussengekomen overdracht van schuldvordering reeds overgegaan van (eerste verweerder) op (tweede verweerder), die zowel de nieuwe contractpartij als de nieuwe procespartij van (eisers) geworden was, zodat de betekening eveneens uitwerking had op de aanspraken tussen (tweede verweerder), die in de plaats van (eerste verweerder) was gekomen, en (eisers). Hoe dan ook neemt dit op zich niet weg dat de betekening om hoger vermelde redenen rechtsgeldig op verzoek van (eerste verweerder) is geschied en deze de termijn om hoger beroep aan te tekenen tegen het bestreden vonnis in ieder geval deed lopen ten aanzien van (eisers), zijnde de (rechts)personen aan wie het bestreden vonnis betekend werd.

Het hoger beroep ingesteld door (eisers) bij verzoekschrift neergelegd op 13 oktober 2010 is bijgevolg niet ontvankelijk, want ingesteld buiten de termijn van artikel 1051, eerste lid, Gerechtelijk Wetboek, die een vervaltermijn is."

Grieven

Krachtens artikel 1050 Gerechtelijk Wetboek kan hoger beroep worden ingesteld zodra het vonnis is uitgesproken, zelfs al is dit een beslissing alvorens recht te doen of een verstekvonnis.

De termijn voor het instellen van hoger beroep is één maand, te rekenen vanaf de betekening van het vonnis.

De betekening doet de termijn enkel lopen in de verhouding tussen de persoon op wiens verzoek de betekening gebeurde en de persoon aan wie betekend werd.

Terzake stellen de appelrechters in de bestreden arresten vast dat eerste verweerder zijn schuldvordering na de uitspraak van het vonnis van de eerste rechter, maar voor hoger beroep werd ingesteld, met name op 4 maart 2008, waarvan aan eisers werd kennisgegeven op 7 maart 2008, heeft overgedragen aan tweede verweerder. De appelrechters zijn van oordeel dat deze overdracht van schuldvordering met zich meebrengt dat eerste verweerder geen titularis meer is van de schuldvordering en van het bijhorende vorderingsrecht.

De appelrechters stellen nog vast dat het beroepen vonnis op verzoek van eerste verweerder aan eisers werd betekend op 13 maart 2008, dit is na de overdracht van schuldvordering van eerste verweerder aan tweede verweerder en eveneens na de kennisgeving van de overdracht van deze schuldvordering aan eisers.

Het is tegenstrijdig enerzijds te beslissen dat door de overdracht van schuldvor-dering van eerste verweerder aan tweede verweerder, tweede verweerder niet enkel in de rechten van eerste verweerder is getreden met betrekking tot de schuldvordering zelf, maar eveneens met betrekking tot het recht om de nakoming van de overeengekomen prestatie in rechte te vorderen, en anderzijds te beslissen dat de betekening van het vonnis van de eerste rechter op verzoek van eerste verweerder aan eisers, die plaatsvond na de overdracht van schuldvordering en de kennisgeving ervan, rechtsgevolgen kon sorteren ten aanzien van eisers en met name ten aanzien van eisers de termijn om hoger beroep in stellen kon doen lopen. De appelrechters schenden dan ook artikel 149 Grondwet.

Door verder te beslissen dat de betekening van het vonnis van de eerste rechter op verzoek van eerste verweerder aan eisers, die gebeurde na de overdracht van schuldvordering van eerste verweerder aan tweede verweerder en na de kennisgeving ervan aan eisers, de termijn voor eisers om hoger beroep in te stellen ook ten aanzien van tweede verweerder deed lopen, schenden de appelrechters de artikelen 1050 en 1051 Gerechtelijk Wetboek.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

1. De ontvankelijkheid van het hoger beroep raakt de openbare orde en dient door de appelrechter ambtshalve te worden onderzocht.

Het onderdeel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting faalt naar recht.

Tweede onderdeel

2. Indien de schuldvordering die het voorwerp is van het vonnis van de eerste rechter werd overgedragen, kan door de schuldenaar van de overgedragen schuld-vordering hoger beroep worden ingesteld hetzij tegen de oorspronkelijke schuldeiser zoals die blijkt uit het beroepen vonnis, hetzij tegen de overnemer.

3. De appelrechters die vaststellen dat de schuldvordering die het voorwerp is van het vonnis van de eerste rechter, door de eerste verweerder aan de tweede verweerder werd overgedragen, deze overdracht ter kennis werd gebracht aan de eisers en de eisers na deze kennisgeving hoger beroep hebben ingesteld tegen de eerste verweerder en die vervolgens oordelen dat dit hoger beroep niet ontvanke-lijk is omdat de tweede verweerder, de eerste verweerder als materiële en formele procespartij is opgevolgd, derwijze dat het hoger beroep enkel tegen de tweede verweerder kon worden ingesteld, verantwoorden hun beslissing niet naar recht.

Het onderdeel is gegrond.

Tweede middel

De beide onderdelen

4. Anders dat het middel aanvoert, oordeelt het arrest van 10 maart 2010 niet over de hervatting van het geding en over de tussenkomst, maar heropent het ter zake het debat.

De onderdelen missen feitelijke grondslag.

Overige grieven

5. De overige grieven kunnen niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest van 18 mei 2011.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Antwerpen.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Dirix, als voorzitter, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, en de raadsheren Beatrijs Deconinck, Koen Mestdagh en Geert Jocqué, en in openbare rechtszitting van 7 september 2012 uitgesproken door afdelings-voorzitter Eric Dirix, in aanwezigheid van advocaat-generaal met opdracht André Van Ingelgem, met bijstand van griffier Johan Pafenols.

Vrije woorden

  • Door de oorspronkelijke schuldeiser na het vonnis van de eerste rechter aan de overnemer overgedragen schuldvordering

  • Hoger beroep door de schuldenaar