- Arrest van 12 september 2012

12/09/2012 - P.11.1001.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Wanneer de in de artikelen 281 en 282 Douane en Accijnzenwet 18 juli 1977 bedoelde misdrijven, aanleiding geven tot betaling van rechten en accijnzen, wordt daarover uitspraak gedaan door de strafrechter die aldus kennis neemt van een burgerlijke rechtsvordering, onverminderd de strafvordering; de rechter is dus verplicht om, zelfs wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken, uitspraak te doen over die burgerlijke rechtsvordering (1). (1) Zie Cass. 25 juni 1997, AR P.97.0187.F, AC 1997, nr. 301.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1001.F

I. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, ten verzoeke van de gewes-telijk directeur douane en accijnzen van de provincie Luik,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie,

II. BELGISCH INTERVENTIE- EN RESTITUTIEBUREAU,

Mr. Paul Wouters, advocaat bij het Hof van Cassatie,

beide cassatieberoepen tegen

1. BEURRERIE DU PAYS DE HERVE-AUBEL nv, met als lasthebber ad hoc mr. Adrien Masset, advocaat bij de balie te Verviers,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

2. R. L.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, correctionele kamer, van 28 april 2011.

De eisers voeren in een memorie die aan dit arrest is gehecht, ieder een middel aan.

Raadsheer Benoît Dejemeppe heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. Afstand van de cassatieberoepen

De eisers doen afstand van hun cassatieberoep op grond dat het arrest geen eind-beslissing is in de zin van artikel 416 Wetboek van Strafvordering, in zoverre het de uitspraak over het honorarium van de lasthebber ad hoc van de verweerster aanhoudt.

Het feit dat de uitspraak over de voormelde kosten is aangehouden, heeft geen ge-volgen voor het definitieve karakter van de beslissing waarbij de rechtsmacht van de rechter volledig wordt uitgeoefend voor al wat het voorwerp van de strafvordering alsook van de voor hem gebrachte burgerlijke rechtsvorderingen uitmaakt.

Aangezien de afstand wat dat betreft op een vergissing berust, bestaat er geen grond om daarvan akte te verlenen.

B. Cassatieberoep van de Belgische Staat

Middel

De verweerders werden vervolgd wegens met name overtreding van de artikelen 161 en 162 van de Verordening (EG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het Communautair douanewetboek, van de bepalingen van de Verordening (EG) nr. 800/99 van de Commissie van 15 april 1999 hou-dende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van het stelsel van restituties bij uitvoer van landbouwproducten, alsook van artikel 232 AWDA.

In strijd met wat de verweerster aanvoert, beperken de in de dagvaarding bedoelde feiten zich niet tot de onregelmatigheid van de vermeldingen in de gezondheidscertificaten die de beklaagden tot staving van hun aangiften ten uitvoer hebben voorgelegd.

De dagvaarding verwijt hun ook dat zij die restituties hebben verkregen of aange-vraagd voor producten die met overtreding van de bovenvermelde bepalingen werden uitgevoerd, in zoverre de uitgevoerde producten door andere producenten in België en in het buitenland zijn behandeld.

Artikel 232, eerste lid, AWDA, voorziet in een boete van een- tot tweemaal de bedragen waarop ten onrechte aanspraak is gemaakt voor de onregelmatige uitvoer van goederen, waardoor op onrechtmatige wijze aanspraak wordt gemaakt op de toekenning van de in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid in-gestelde bedragen.

Krachtens artikel 162 van de Verordening (EG) van 12 oktober 1992, wordt vrij-gave voor uitvoer verleend op voorwaarde dat de betrokken goederen het douane-gebied van de Gemeenschap verlaten in de staat waarin zij zich bevonden op het tijdstip van de aanvaarding van de aangifte ten uitvoer.

Volgens artikel 7 van de Verordening (EG) van 15 april 1999 mag de restitutie slechts worden uitbetaald indien het bewijs is geleverd dat de producten waarvoor de aangifte ten uitvoer is aanvaard, uiterlijk zestig dagen na die aanvaarding in ongewijzigde staat het douanegebied van de Gemeenschap hebben verlaten.

De strafvordering die tegen de verweerders is ingesteld omvat dus het feit dat zij restituties hebben aangevraagd en verkregen voor de uitvoer van goederen die, omdat ze nog dienden behandeld te worden, het douanegebied niet in ongewijzig-de staat hebben verlaten op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte.

Het arrest spreekt de verweerders vrij van die overtreding, in substantie op grond dat, enerzijds, niet met zekerheid bewezen is dat de uitgevoerde producten niet gezond, deugdelijk of van gebruikelijke handelskwaliteit waren en, anderzijds, in het nationaal of gemeenschapsrecht geen enkele wettelijke grondslag bestaat waarbij de overlegging wordt vereist van gezondheidscertificaten tot staving van de aangiften van aanvraag of waarbij de vermeldingen worden toegelicht die erin moeten voorkomen.

De kwaliteit van de uitgevoerde goederen is evenwel geen bestanddeel van het misdrijf dat de verweerders ten laste is gelegd. Het ontbreken van een wettelijke grondslag voor de overlegging van certificaten heeft niet tot gevolg dat machti-ging verleend wordt om de restituties te betalen, ondanks de wijzigingen die de toekenning ervan verbieden.

De appelrechters verantwoorden hun beslissing dus niet naar recht.

Het middel is wat dat betreft gegrond.

C. Cassatieberoep van het Belgisch Interventie- en Restitutiebureau

De eiser verwijt de appelrechters, die de verweerders hebben vrijgesproken, dat zij zich vervolgens onbevoegd hebben verklaard om uitspraak te doen over de bur-gerlijke rechtsvordering.

Die vordering tot betaling van ontdoken rechten vloeit niet voort uit het misdrijf maar vindt haar grondslag in de wet die de betaling van de rechten oplegt.

Krachtens artikel 283 AWDA, wordt, wanneer de misdrijven die in de artikelen 281 en 282 van die wet zijn bedoeld, aanleiding geven tot betaling van rechten en accijnzen, daarover uitspraak gedaan door de strafrechter die aldus kennisneemt van een burgerlijke rechtsvordering, onverminderd de strafvordering.

De rechter is dus verplicht om, zelfs wanneer de beklaagde wordt vrijgesproken, uitspraak te doen over de voormelde burgerlijke rechtsvordering.

De appelrechters die zich dienaangaande onbevoegd verklaren, schenden het voormelde artikel 283.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet in de zaak van de bei-de verweerders.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de verweerders tot de helft van de kosten van hun cassatieberoepen.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 12 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Filip Van Volsem en overge-schreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafvordering

  • Vrijspraak van de beklaagde

  • Burgerlijke rechtsvordering

  • Rechtsvordering tot betaling van de ontdoken rechten

  • Verplichting van de rechter