- Arrest van 12 september 2012

12/09/2012 - P.12.1539.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Onder dubbelzinnigheid van de motivering wordt de reden verstaan die op dubbele wijze uitgelegd kan worden; volgens de ene uitleg is de bekritiseerde overweging wettig, volgens de andere is dat niet het geval (1). (1) Zie Cass. 15 feb. 2002, AR C.00.0345.F, AC 2002, nr. 109.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.1539.F

S. P.,

Mr. Ricardo Bruno, advocaat bij de balie te Charleroi, en mr. Shelley Henrotte, advocaat bij de balie te Brussel.

I. RECHTSPLEGING VOOR HETHHOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, ka-mer van inbeschuldigingstelling, van 28 augustus 2012, op verwijzing gewezen ingevolge het arrest van het Hof van 14 augustus 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, vier middelen aan.

Raadsheer Pierre Cornelis heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Raymond Loop heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

Eerste onderdeel

Onder dubbelzinnigheid van de motivering wordt de reden verstaan die op twee manieren uitgelegd kan worden. Volgens de ene uitleg is de bekritiseerde overwe-ging wettig, volgens de andere is dat niet het geval.

De eiser voert aan dat de motivering van het arrest hem niet in staat stelt uit te maken te maken of de zelfbeschuldigende uitspraken die hij gedaan zou hebben, worden beschouwd als een overtollige schuldaanwijzing, of als een niet-exclusief hoofdbestanddeel, of als een aanvullend bestanddeel of als een neutraal bestand-deel van de schuld.

Die kritiek houdt geen verband met de dubbelzinnigheid van de motivering die tot cassatie kan leiden.

Dit onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede onderdeel

Het is niet tegenstrijdig te beslissen dat woorden die tussen de speurders en de verdachte zijn gewisseld, geen deel uitmaken van het verhoor zoals dat door arti-kel 47bis Wetboek van Strafvordering is geregeld, maar van de informatie vooraf waarin dit artikel "bij de aanvang", dus vóór de aanvang van het eigenlijke ver-hoor, voorziet.

Dit onderdeel mist feitelijke grondslag.

Derde onderdeel

In antwoord op de conclusie van de eiser waarin het bestaan wordt betwist van schuldaanwijzingen, oordelen de appelrechters dat die aanwijzingen voortvloeien uit de vaststellingen van de speurders die berichten over de spontane uitlatingen van de eiser en sommige verklaringen van zijn vriendin, aan wie hij, in staat van dronkenschap, verteld zou hebben dat hij hun gemeenschappelijk kind had betast.

Die overwegingen schenden artikel 23, 4°, Voorlopig Hechteniswet niet.

Dit onderdeel kan niet worden aangenomen.

Tweede middel

Het middel voert aan dat de onnauwkeurigheid van de motivering van het arrest het recht van verdediging miskent, in zoverre die motivering niet in staat stelt uit te maken welke aanwijzingen van schuld tegen de eiser in aanmerking zijn geno-men.

Zoals uit het antwoord op het eerste middel blijkt, zijn de redenen van het arrest niet onnauwkeurig.

Het middel mist feitelijke grondslag.

Derde middel

De eiser voert aan dat het hof van beroep de artikelen 2bis Voorlopige Hechte-niswet en 47bis Wetboek van Strafvordering schendt, doordat het zijn beslissing grondt op de verklaringen van de eiser aan de politieagenten, aangezien die waren afgenomen zonder voorafgaand overleg met een advocaat.

De aangevoerde wetsbepalingen verbieden niet om de aanwijzingen van schuld te gronden op verklaringen die een inverdenkinggestelde nog vóór zijn ondervraging spontaan aan de politie aflegt.

Het middel faalt naar recht.

Vierde middel

Het middel verwijt het arrest het begrip verhoor te miskennen zoals het bedoeld wordt in het voormelde artikel 47bis, door te oordelen dat de eerste verklaringen van de eiser waren afgelegd als een spontane reactie op de beknopte voorafgaande mededeling van de feiten waarover hij zou worden verhoord, overeenkomstig § 1, 1, van die bepaling.

Het middel, dat kritiek uitoefent op de feitelijke beoordeling van de appelrechters of een onderzoek van feiten vereist, waarvoor het Hof niet bevoegd is, is niet ont-vankelijk.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, de raadsheren Benoît Dejemeppe, Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 12 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Raymond Loop, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Peter Hoet en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Strafzaken

  • Dubbelzinnige motivering