- Arrest van 13 september 2012

13/09/2012 - C.11.0751.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Artikel 11 van de wet van 25 juni 1992, krachtens hetwelk in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst mag bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, heeft geen weerslag op die regel, aangezien het verhaal van artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst niet gegrond is op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting maar op de schending van een wettelijke bepaling (1). (1) Cass. 19 juni 2009, AR C.08.0362.N, AC, 2009, nr. 425.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0751.F

ALLIANZ BELGIUM nv,

Mr. Michel Mahieu, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

D. G.,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het vonnis dat op 11 maart 2011 in hoger be-roep is gewezen door de rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Thierry Werquin heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiseres voert volgend middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen;

- de artikelen 24 en 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst voor de ver-plichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, gevoegd bij het voormeld koninklijk besluit van 14 december 1992;

- de artikelen 2, § 1, 11 en 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst;

- de artikelen 1134, eerste lid, en 1135 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het bestreden vonnis verklaart het hoger beroep gedeeltelijk gegrond en vernietigt het beroepen vonnis, om alle redenen die hier als volledig weergegeven worden beschouwd, en in het bijzonder om de volgende redenen:

"3. Het Hof van Cassatie heeft in zijn arrest van 19 juni 2009 beslist dat er geen oorzakelijk verband hoeft te worden aangetoond tussen het ongeval en het verzuim om te voldoen aan de Belgische wet en reglementen om een motorrijtuig te besturen. Het Hof voegt daaraan toe dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door ‘artikel 11 van de voormelde wet van 25 juni 1992 op de landverzekering, krachtens hetwelk in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst mag bedongen worden wegens niet-nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, nu het verhaal van artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst niet steunt op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting, maar op de miskenning van een wettelijke verplichting'.

4. Artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 bepaalt evenwel niet dat er in de verzekeringsovereenkomst, in de regel, geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst bedongen mag worden wegens niet-nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting.

Luidens dat artikel ‘mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval'.

Volgens die bepaling kan het verval van het recht op de verzekeringsprestatie dus alleen worden aangenomen indien de verzekerde een in de overeenkomst opgelegde verplichting niet is nagekomen.

Zoals hierboven is aangegeven, worden de partijen dus vermoed artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst te hebben aanvaard, zodat voormeld artikel deel uitmaakt van de verzekeringsovereenkomst (Cass., 5 mars 2010). Dat artikel geeft de verzekeraar een contractueel recht van verhaal wanneer het voertuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat voertuig te besturen. Het artikel preciseert bijgevolg de specifieke verplichting waarvan de niet-uitvoering recht geeft op verhaal.

Het feit dat die contractuele verplichting ook een wettelijke verplichting is, volstaat op zich niet om artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 niet toe te passen en de verzekeraar, bijgevolg, te ontheffen van zijn verplichting om het oorzakelijk verband tussen het contractueel verzuim bedoeld in artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst en het schadegeval aan te tonen.

5. De toepassing van artikel 25, 3°, b), van de modelovereenkomst, onverminderd elk andersluidend beding dat in de litigieuze verzekeringsovereenkomst voorkomt, hangt dus af van de naleving van artikel 11 van de wet van 25 juni 1992, dat een bepaling van dwingend recht is.

De eiseres moet dus aantonen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het contractueel verzuim waaraan de verweerder zich schuldig zou hebben gemaakt en het litigieuze ongeval."

Grieven

Artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen bepaalt dat "de overeenkomsten betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen moeten beantwoorden aan de bepalingen van de bij dit besluit gevoegde modelovereenkomst".

Artikel 24 van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992, bepaalt dat "wanneer de maatschappij gehouden is ten aanzien van de benadeelden, zij, behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover zij beschikt, een recht van verhaal heeft in de gevallen en op de personen vermeld in artikel 25".

Luidens artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, "heeft de maatschappij een recht van verhaal op de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is [...] wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, bijvoorbeeld door een persoon die de vereiste minimumleeftijd niet bereikt heeft, door een persoon die geen rijbewijs heeft of door een persoon die van het recht tot sturen vervallen verklaard is".

Artikel 2, § 1, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt daarenboven dat die "wet van toepassing is op alle landverzekeringen voor zover er niet wordt van afgeweken door bijzondere wetten".

Artikel 11, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 bepaalt dat "in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen mag worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval".

Artikel 88, eerste lid, van dezelfde wet bepaalt dat "de verzekeraar, voor zover hij volgens de wet op de verzekeringsovereenkomst de prestaties had kunnen weigeren of verminderen, zich een recht van verhaal kan voorbehouden tegen de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, tegen de verzekerde die niet de verzekeringnemer is".

Artikel 1134, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek bevat daarenboven het beginsel dat de uitlegging van de overeenkomsten tussen de partijen beheerst en luidens hetwelk "de overeenkomsten degenen die ze hebben aangegaan, tot wet strekken".

Volgens een arrest van 5 maart 2010 (AR C.08.0234.F), ten slotte, "beschikt de WAM-verzekeraar, onder voorbehoud van een contractuele afwijking ten gunste van de verzekeringnemer of de verzekerde, over het in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst bepaalde recht van verhaal; in zoverre de partijen bij een WAM-verzekeringsovereenkomst niet zijn overeengekomen om hiervan af te wijken, worden zij immers vermoed de toepassing, op hun overeenkomst, van de bepalingen van de modelovereenkomst, en met name die welke het verhaal van de verzekeraar betreffen, te hebben aanvaard".

De partijen bij de overeenkomst zijn in dit geval niet overeengekomen dat zij zouden afwijken van de toepassing van de bepalingen van de modelovereenkomst, zodat die bepalingen tot de contractuele verhouding tussen de eiseres en de verweerder behoren.

Uit de in het middel bedoelde bepalingen alsook uit de leer van het Hof volgt dus dat de eiseres recht van verhaal heeft zoals bepaald in de artikelen 24 en 25 van de modelovereenkomst.

Dat verhaal is zowel in de overeenkomst als in de wet vastgelegd, in zoverre artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst uitdrukkelijk bepaalt dat het recht van verhaal kan worden uitgeoefend "wanneer het rijtuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen".

De verweerder, die door de strafrechter is veroordeeld wegens overtreding van de artikelen 6, 2°, b), van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 en 30, 2, 1°, van het koninklijk besluit van 16 maart 1968, voldeed niet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven toen hij een voertuig bestuurde waarin hij een derde vervoerde. De eiseres had dus het recht om een regresvordering in te stellen.

In artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst is daarenboven geen andere toepassingsvoorwaarde dan de overtreding van de wet en de reglementen voorzien. De eiseres hoeft dus niet aan te tonen dat er een oorzakelijk verband tussen de foutieve tekortkoming en het schadegeval bestaat om haar recht van ver-haal te kunnen uitoefenen.

Volgens de rechtspraak van het Hof wijkt artikel 11, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992, luidens hetwelk "in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of ge-deeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen mag worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplich-ting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval', niet af van artikel 25, 3°, eerste lid, b), van het koninklijk besluit van 14 december 1992.

Het Hof heeft onlangs immers op uitdrukkelijke en vaststaande wijze de verzekeraar ontheven van zijn verplichting om het oorzakelijk verband tussen de aan de verzekerde verweten tekortkoming en het schadegeval aan te tonen.

Zo heeft het Hof, in een arrest van 19 februari 2009 (C.06.0656.F) beslist dat "krachtens artikel 25, 3°, eerste lid, b), van die modelovereenkomst, de maatschappij een recht van verhaal op de verzekeringnemer heeft en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, bijvoorbeeld door een bestuurder die geen rijbewijs heeft; dat voornoemd artikel 25, 3°, eerste lid, d), bepaalt dat de maatschappij eveneens een recht van verhaal tegen dezelfde personen heeft wanneer het schadegeval zich voordoet, terwijl het reglementair of contractueel toegelaten aantal vervoerde personen overschreden is of wanneer het vervoer van personen in strijd is met reglementaire of contractuele bepalingen; dat, aangezien die bepalingen geen enkele andere toepassingsvoorwaarde opleggen dan de niet-naleving van de wet, van de reglementen of van de overeenkomst, het verhaal van de verzekeraar tegen de verzekerde niet afhankelijk wordt gemaakt van de voorwaarde dat de laatstgenoemde aansprakelijk is voor het ongeval of van de voorwaarde dat de niet-naleving van de wet, van de verordeningen of van het contract in oorzakelijk verband staat met het ongeval; dat het bestreden vonnis, doordat het het tegengestelde beweert om de regresvordering af te wijzen die de eiseres heeft ingesteld tegen de verweerster, die de verzekerde is in de hoedanigheid van bezitter van het voertuig, de voornoemde artikelen schendt".

In een ander arrest, uitgesproken op 19 juni 2009 (C.08.0362.N), heeft het Hof ook beslist dat "de verzekeraar luidens artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorvoertuigen, zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 14 december 1992, een recht van verhaal heeft op de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig wordt bestuurd door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat voertuig te besturen.; (...) dat de verzekeraar, wanneer hij in de polis een dergelijk beding opneemt, op contractuele grondslag over een recht van verhaal beschikt wanneer de voorwaarden hiertoe vervuld zijn, zonder dat vereist is dat er een oorzakelijk verband wordt aangetoond tussen het ongeval en het verzuim om te voldoen aan de Belgische wet en reglementen om een motorrijtuig te besturen; dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan door artikel 11 van de voormelde wet van 25 juni 1992 krachtens hetwelk in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst mag bedongen worden wegens niet-nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, nu het verhaal van artikel 25, 3°, b), van de Modelovereenkomst niet steunt op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting, maar op de miskenning van een wettelijke verplichting".

Het bestreden vonnis, dat erop wijst dat "artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 evenwel niet bepaalt dat er in de verzekeringsovereenkomst, in de regel, geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzekeringstussenkomst bedongen mag worden wegens niet-nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting" en dat "de toepassing van artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst, onverminderd elk andersluidend beding dat in de litigieuze verzekeringsovereenkomst voorkomt, dus afhangt van de naleving van artikel 11 van de wet van 25 juni 1992, dat een bepaling van dwingend recht is; dat [de eiseres] dus moet aantonen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen het contractueel verzuim waaraan [de verweerder] zich schuldig zou hebben gemaakt en het litigieuze ongeval", beslist dus bewust om de nochtans heldere en recente rechtspraak van het Hof naast zich neer te leggen.

Het bestreden vonnis beslist, ondanks de leer van het Hof, dat het feit dat een contractuele verbintenis ook een wettelijke verplichting vormt, op zich niet voldoende is om artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 niet toe te passen en om de verzekeraar te ontheffen van zijn verplichting om het oorzakelijk verband tussen de foutieve tekortkoming en het ongeval aan te tonen.

De feitenrechter, die beslist dat in dit geval artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 toegepast moest worden, heeft aan dat artikel een draagwijdte toegekend dat het niet heeft en heeft de betekenis van artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst volledig verdraaid door aan de tegenvordering een voorwaarde te koppelen die niet in die bepaling is voorzien.

Het bestreden vonnis stelt daarenboven het in artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst bepaalde recht van verhaal gelijk met een grond van verval van de dekking en niet met een grond tot uitsluiting van die dekking.

Dat artikel bestraft echter niet een fout bij het besturen van het voertuig maar het besturen zelf, door uit te gaan van het evidente beginsel dat het ongeval niet zou hebben plaatsgevonden indien de verzekerde het voertuig niet had bestuurd, aangezien hij daartoe niet gemachtigd was.

Er bestaat dus geen enkel verband tussen de modaliteiten van een verval en de echte uitsluiting van artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst, dat de juridische onbekwaamheid tot het besturen van een voertuig bestraft, zodat een werkelijke geschiktheid om op de datum van het ongeval een voertuig te besturen niet ter zake doet, aangezien de voormelde wettelijke bepaling geen oorzakelijk verband vereist.

Als bewezen is dat een beding van dezelfde aard als dat bedoeld in artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst werd opgenomen in de tussen de partijen gesloten verzekeringsovereenkomst, dat het ongeval waarbij de verweerder was betrokken in België heeft plaatsgevonden en dat laatstgenoemde niet voldeed aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven omdat hij een derde vervoerde zonder een rijbewijs te bezitten dat hem daartoe machtigde, dient de appelrechter noodzakelijkerwijs te beslissen dat de eiseres automatisch haar recht van verhaal kan uitoefenen, zonder dat enig oorzakelijk verband tussen het onwettige besturen van het voertuig en het ongeval vereist is.

Het bestreden vonnis dat enerzijds het in artikel 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst bepaalde verhaal beschouwt als een reden van verval van de dekking en niet als een reden van uitsluiting, en anderzijds beslist dat de eiseres een oorzakelijk verband tussen de litigieuze tekortkoming en het schadegeval diende aan te tonen, schendt de artikelen 24 en 25, 3°, eerste lid, b), van de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motor-rijtuigen, alsook artikel 1, eerste lid, van het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aansprakelijkheids-verzekering inzake motorrijtuigen, en de artikelen 2, § 1, 11 en 88, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Het bestreden vonnis, dat de uitoefening van het recht van verhaal, dat zowel in de wet als in de overeenkomst is vastgelegd, afhankelijk stelt van de voorwaarde dat de eiseres een oorzakelijk verband tussen de litigieuze tekortkoming en het ongeval aantoont, miskent ten slotte ook het in de artikelen 1134, eerste lid, en 1135 van het Burgerlijk Wetboek vervatte beginsel volgens hetwelk de door de partijen aangegane overeenkomsten hen tot wet strekken.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 24 Modelovereenkomst, gevoegd bij het koninklijk besluit van 14 december 1992 betreffende de modelovereenkomst voor de verplichte aanspra-kelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen, heeft, wanneer de maatschappij ge-houden is ten aanzien van de benadeelden, zij, behoudens iedere andere mogelijke vordering waarover zij beschikt, een recht van verhaal in de gevallen en op de personen vermeld in artikel 25.

Luidens artikel 25, 3°, eerste lid, b), Modelovereenkomst, heeft de maatschappij een recht van verhaal op de verzekeringnemer en, indien daartoe grond bestaat, op de verzekerde die niet de verzekeringnemer is, wanneer, op het ogenblik van het schadegeval, het rijtuig bestuurd wordt door een persoon die niet voldoet aan de voorwaarden die de Belgische wet en reglementen voorschrijven om dat rijtuig te besturen, bijvoorbeeld door een persoon die de vereiste minimumleeftijd niet be-reikt heeft, door een persoon die geen rijbewijs heeft of door een persoon die van het recht tot sturen vervallen verklaard is.

Die bepalingen voorzien in geen andere toepassingsvoorwaarde dan de niet-naleving van de wet of reglementen, zodat het verhaal van de verzekeraar tegen de verzekerde niet afhankelijk is van de voorwaarde dat de niet-naleving van de wet of van de reglementen een oorzakelijk verband met het ongeval vertoont.

Artikel 11 Landverzekeringsovereenkomstwet, krachtens hetwelk in de verzeke-ringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op de verzeke-ringsprestatie bedongen mag worden wegens niet-nakoming van een bepaalde in de overeenkomst opgelegde verplichting, heeft geen weerslag op die regel, aange-zien het verhaal van artikel 25, 3°, eerste lid, b), Modelovereenkomst niet gegrond is op een door de verzekeringsovereenkomst opgelegde verplichting maar op de schending van een wettelijke verplichting.

Het bestreden vonnis, dat van het tegendeel uitgaat, schendt de voormelde artike-len.

Aangezien artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 niet van toepassing is op het verhaal dat gegrond is op artikel 25, 3°, eerste lid, b), Modelovereenkomst, hoeft de prejudiciële vraag die de verweerder voorstelt en die betrekking heeft op de overeenstemming van het voormelde artikel 11 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, niet te worden gesteld aan het Grondwettelijk Hof.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden vonnis, behalve in zoverre dat vonnis het hoger beroep ontvankelijk verklaart.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde vonnis.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar de rechtbank van eerste aanleg te Nijvel, zit-ting houdende in hoger beroep.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fet-tweis, de raadsheren Sylviane Velu en Michel Lemal, en in openbare terechtzitting van 13 september 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwe-zigheid van advocaat-generaal Thierry Werquin, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Modelovereenkomst

  • Recht van verhaal van de verzekeraar

  • Toepassingsvoorwaarde