- Arrest van 18 september 2012

18/09/2012 - P.12.0349.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De rechter die oordeelt dat het passend rechtsherstel voor de miskenning van de redelijke termijn-vereiste van artikel 6.1 EVRM bestaat in een strafvermindering, waarbij hij op een reële en duidelijke wijze de straf vermindert ten opzichte van de straf die hij zou hebben opgelegd als hij een dergelijke miskenning niet had vastgesteld, moet daarbij niet uitdrukkelijk melding maken van die laatste straf zodat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van de door de eerste rechter uitgesproken straf (1). (1) Zie: Cass. 22 maart 2000, AR P.99.1758.F, AC 2000, nr. 197; Cass. 17 okt. 2001, AR P.01.0807.F, AC 2001, nr. 550; Cass. 28 jan. 2004, AR P.03.1533.F, AC 2004, nr. 51; Cass. 4 feb. 2004, AR P.03.1370.F, AC 2004, nr. 57; Cass. 16 maart 2004, AR P.03.1110.N, AC 2004, nr. 144; Cass. 21 juni 2005, AR P.05.0526.N, AC 2005, nr. 362; Cass. 25 april 2007, AR P.06.1608.F, AC 2007, nr. 208; Cass. 17 maart 2010, AR P.09.1691.N, AC 2010, nr. 190; Cass. 25 jan. 2012, AR P.11.1104.F, AC 2012, nr. 66.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0349.N

Y. D.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Thomas Gillis, advocaat bij de balie te Gent,

tegen

S. K.,

burgerlijke partij,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, cor-rectionele kamer, van 17 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

1. Het arrest bevestigt het beroepen vonnis waar dit de eiser ontslaat van rechtsvervolging voor de telastlegging C.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep bij gebrek aan belang niet ontvankelijk.

2. Het arrest stelt vast dat de beoordeling op burgerrechtelijk gebied niet in staat van wijzen is en stelt deze dienvolgens onbepaald uit.

Dit is geen eindbeslissing in de zin van artikel 416, eerste lid, Wetboek van Straf-vordering en die beslissing valt evenmin onder een van de gevallen bedoeld door het tweede lid van die bepaling.

In zoverre tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk.

Eerste middel

3. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 163 Wetboek van Strafvordering: de appelrechters stellen vast dat de redelijke termijn van de strafvervolging is overschreden; zij bevestigen de door de eerste rechter uitgesproken straf als passend en rechtmatig, terwijl die evenwel geen overschrij-ding van de redelijke termijn had aangenomen; aldus blijven de appelrechters in gebreke om de ingevolge de overschrijding van de redelijke termijn verplichte strafvermindering op een reële en duidelijke wijze toe te passen.

4. Artikel 163 Wetboek van Strafvordering is van toepassing op de politie-rechtbanken.

Het middel dat schending van die bepaling aanvoert, faalt in zoverre naar recht.

5. De rechter kan oordelen dat het passend rechtsherstel voor de miskenning van de redelijke termijn-vereiste van artikel 6.1 EVRM bestaat in een strafver-mindering, waarbij hij op een reële en duidelijke wijze de straf vermindert ten op-zichte van de straf die hij zou hebben opgelegd als hij een dergelijke miskenning niet had vastgesteld, zonder dat evenwel is vereist dat hij daarbij uitdrukkelijk melding maakt van die laatste straf.

Hieruit volgt dat de toe te passen strafvermindering niet moet worden beoordeeld in het licht van de door de eerste rechter uitgesproken straf.

Het middel dat uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt in zoverre naar recht.

6. De appelrechters oordelen dat:

- ingevolge een abnormale niet te verantwoorden vertraging in het dossier in de periode van 7 april 2008 tot 31 december 2009 in hoofde van de eiser de duur van de strafvervolging de redelijke termijn is overschreden (p. 9);

- het de rechter toekomt te bepalen welk rechtsherstel passend is om de vastge-stelde overschrijding van de redelijke termijn te remediëren (p. 10);

- de rechter die op regelmatige wijze vaststelt dat de redelijke termijn is over-schreden een bij wet bepaalde straf kan uitspreken, die hij evenwel op reële en duidelijke wijze vermindert ten aanzien van de straf die hij zou hebben opge-legd als hij de overdreven duur van de rechtspleging niet had vastgesteld of desgevallend een straf uitspreken die lichter dan de bij wet bepaalde minimum-straf is of de beklaagde alleen maar schuldig kan verklaren (p. 13);

- rekening houdend met de ernst van de feiten en het strafrechtelijk verleden van de eiser de door de eerste rechter lastens hem opgelegde bestraffing (hoofdge-vangenisstraf, geldboete en vervangende gevangenisstraf) de wetmatige en passende beteugeling zijn van de bewezen verklaarde telastlegging B (p. 13).

Met het geheel van die redenen en hun onderlinge samenhang geven de appelrech-ters te kennen dat rekening houdend met de vastgestelde miskenning van de rede-lijke termijn-vereiste, de door de eerste rechter opgelegde bestraffing passend is en dus een reële en duidelijke vermindering inhoudt ten opzichte van de bestraffing die de appelrechters zouden hebben opgelegd zonder de overschrijding van de redelijke termijn.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet en artikel 163 Wetboek van Strafvordering: het oordeel van de appelrechters dat de eiser niet preciseert ten aanzien van welke bewijsmiddelen hij zich in concreto niet meer zou kunnen verdedigen, staat haaks op de aanvoering in de appelconclusie dat de overschrijding van de redelijke termijn op het tweede niveau (het horen van de ge-tuige 28 maanden nadat zij werd aangetroffen) met zich meebrengt dat deze over-schrijding invloed heeft gehad op de bewijslevering of de uitoefening van het recht van verdediging; de appelrechters onderzoeken niet, hoewel zij daartoe ver-plicht zijn, of de bewijsvoering en het recht van verdediging van de eiser ernstig en onherstelbaar zijn aangetast, zodat geen eerlijk proces en een beoordeling van de burgerlijke rechtsvordering meer mogelijk is; zij beperken zich tot de onjuiste vaststelling dat de eiser niet preciseert ten aanzien van welke bewijsmiddelen hij zich in concreto niet meer zou kunnen verdedigen.

8. Artikel 163 Wetboek van Strafvordering is van toepassing op de politie-rechtbanken.

Het middel dat schending van die bepaling aanvoert, faalt in zoverre naar recht.

9. De appelrechters (arrest, p. 10-11) oordelen niet alleen zoals aangehaald in het middel, maar ook dat:

- uit de toetsing van de gegevens van de zaak volgt dat het tijdsverloop geens-zins de bewijslevering en het recht van verdediging onherstelbaar heeft aange-tast;

- het gegeven dat de verweerster pas op 3 augustus 2010 in het kader van een ro-gatoire commissie kon worden verhoord, in het licht van de objectieve bewijs-elementen van het dossier niet ipso facto leidt tot de aantasting van eisers recht van verdediging;

- de eiser op grond van alle gegevens van het strafdossier voluit zijn verdediging heeft kunnen voeren en uit diezelfde gegevens argumenten te zijnen ontlaste heeft kunnen putten;

- er de vaststelling is dat de door de eerste rechter in het tussenvonnis van 22 de-cember 2010 bevolen negen bijkomende onderzoeksdaden quasi geheel konden worden uitgevoerd, wat aantoont dat het verstrijken van de redelijke termijn op het tweede niveau (het stilliggen van het onderzoek in de periode van 7 april 2008 tot 31 december 2009) in niets de bewijslevering in dit dossier heeft be-moeilijkt, laat staan onherroepelijk heeft aangetast.

Het middel dat in zoverre berust op een onvolledige lezing van het arrest, mist fei-telijke grondslag.

10. Met de voormelde redenen beantwoordt het arrest het in de appelconclusie aangevoerde verweer en verantwoordt naar recht de beslissing dat de bewijsleve-ring en eisers recht van verdediging niet onherstelbaar zijn aangetast.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

11. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 92,40 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Luc Van hoogenbemt, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openba-re rechtszitting van 18 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Marc Timperman, met bijstand van griffier Frank Adriaensen.

Vrije woorden

  • Redelijke termijn

  • Overschrijding

  • Rechtsherstel

  • Strafvermindering