- Arrest van 19 september 2012

19/09/2012 - P.12.0394.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Noch artikel 6 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, noch de artikelen 267 en 272 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijnzen, noch de eerbiediging van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak, verbieden verbalisanten een proces-verbaal op te stellen van de feiten van smaad en weerspannigheid die in het kader van hun ambt tegen hen zouden zijn gepleegd; zij verbieden de rechter evenmin om, bij wijze van inlichting, rekening te houden met door de ambtenaren opgetekende gegevens.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0394.F

R. C.,

Mr. Caroline De Baets, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. M. C.,

2. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën,

3. BELGISCHE STAAT, minister van Financiën, op verzoek van de geweste-lijk directeur douane en accijnzen te Bergen,

Mr. François T'Kint, advocaat bij het Hof van Cassatie.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 1 februari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, twee middelen aan.

Op de rechtszitting van 20 juni 2012 heeft raadsheer Françoise Roggen verslag uitgebracht en heeft advocaat-generaal Damien Vandermeersch geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

A. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering die tegen de eiser is ingesteld wegens weerspannigheid

Eerste middel

Het middel voert met name de schending aan van artikel 6 EVRM, en van de arti-kelen 267 en 272 van de algemene wet van 18 juli 1977 inzake douane en accijn-zen.

Het middel voert aan dat het aanvullend proces-verbaal van 7 oktober 2004, dat is opgesteld door de douaneambtenaren en dat feiten vermeldt van smaad en weer-spannigheid die de eiser bij de controle van zijn voertuig heeft gepleegd, nietig moet worden verklaard en uit de debatten moet worden geweerd.

De aangevoerde onregelmatigheid is afgeleid uit de tegenstrijdige belangen tussen de eiser en diezelfde ambtenaren, ten gevolge van de klacht die hij tegen hen heeft ingediend wegens slagen die hem bij die controle zouden zijn toegebracht.

Noch de aangevoerde bepalingen noch de eerbiediging van het recht op een eerlij-ke behandeling van de zaak verbieden de verbalisanten een proces-verbaal op te stellen van de strafbare feiten die in het kader van hun ambt tegen hen zouden zijn gepleegd. Zij verbieden de rechter evenmin om, bij wijze van inlichting, rekening te houden met de gegevens die de ambtenaren hebben opgetekend.

De appelrechters, die beslissen dat het voormelde proces-verbaal, in zoverre het betrekking heeft op die feiten, geen bijzondere bewijswaarde heeft, in tegenstel-ling tot de vaststellingen betreffende het gebruik van rode gasolie als motorbrand-stof, verantwoorden hun beslissing om het niet uit het debat te weren naar recht.

Het middel kan niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing over de strafvordering

De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

B. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissingen op de burger-lijke rechtsvorderingen die de eerste twee verweerders tegen de eiser hebben ingesteld

De eiser voert geen bijzonder middel aan.

C. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing op de strafvor-dering die tegen de eiser is ingesteld wegens overtreding van artikel 30 van het ministerieel besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie

Tweede middel

Het middel voert de schending aan van artikel 159 Grondwet, en van de artikelen 3, § 1 en 84 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State.

De eiser voert aan dat het ministerieel besluit waarop de strafvordering gegrond is, onwettig is omdat het niet aan het voorafgaand advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State is voorgelegd.

In de regel staat het aan de ministers om, onder voorbehoud van hun politieke verantwoordelijkheid, de hoogdringendheid te beoordelen die hen vrijstelt van de verplichting om de tekst van ontwerpen van verordenende besluiten aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State voor te leggen.

Overeenkomstig artikel 159 Grondwet moeten de hoven en rechtbanken onder-zoeken of de ministers, door het advies van de Raad van State niet aan te vragen, hun bevoegdheid niet overschrijden door het wettelijk begrip hoogdringendheid te miskennen.

Het arrest stelt vast dat de aanhef van het ministerieel besluit van 28 december 1993 verwijst naar de omstandigheid dat het in hoofdzaak de toepassingsmodali-teiten bevat van het koninklijk besluit van 29 december 1992 betreffende de struc-tuur en de accijnstarieven inzake minerale olie, dat op 1 januari 1993 van kracht is geworden.

Zelf had het bovenvermelde koninklijk besluit tot doel om vanaf 1 januari 1993, verplichte Europese richtlijnen om te zetten.

Aangezien de termijn voor de omzetting van die richtlijnen reeds bijna een jaar verstreken was toen het ministerieel besluit werd genomen, verduidelijkt het door de appelrechters aangehaalde uittreksel van de aanhef van dat besluit de bijzonde-re omstandigheden niet die de aanneming van de geplande maatregelen hoogdrin-gend maken, waardoor de Raad van State niet binnen een termijn van drie dagen geraadpleegd zou kunnen worden.

Door te beslissen dat het ministerieel besluit voldoet aan de wettelijke vereiste om de hoogdringendheid bijzonder met redenen te omkleden, miskent het arrest de door de eiser bedoelde bepalingen.

Het middel is gegrond.

D. In zoverre het cassatieberoep gericht is tegen de beslissing die de eiser veroordeelt tot betaling van de ontdoken rechten

De eiser voert geen middel aan.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, in zoverre het uitspraak doet over de strafvorde-ring die tegen de eiser is ingesteld wegens overtreding van het ministeriëel besluit van 28 december 1993 betreffende het accijnsstelsel van minerale olie.

Verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeel-telijk vernietigde arrest.

Veroordeelt de eiser in twee derde van de kosten van zijn cassatieberoep en laat het overige derde ten laste van de Staat.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Vrije woorden

  • Proces-verbaal

  • Feiten van smaad en weerspannigheid

  • Feiten vastgesteld door verbalisanten tegen wie strafbare feiten zouden zijn gepleegd

  • Toelaatbaarheid