- Arrest van 19 september 2012

19/09/2012 - P.12.0514.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
De artikelen 6.3 en 14 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, verbieden de Staten die partij zijn bij het Verdrag niet om aan de rechtsmiddelen die in het intern recht zijn bepaald, uitoefeningsvoorwaarden te verbinden die de essentie ervan niet in het gedrang brengen (1). (1) Zie concl. OM in Pas. 2012, nr. …

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.12.0514.F

M. M. M.,

Mrs. Inès Wouters en Séverine Segier, advocaten bij de balie te Brussel,

tegen

1. J. H. B.,

2. F. P.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Luik, cor-rectionele kamer, van 13 januari 2012.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, verschillende grieven aan.

Advocaat-generaal Damien Vandermeersch heeft een conclusie neergelegd die op de griffie is ingekomen op 7 september 2012.

Op de rechtszitting van 19 september 2012 heeft raadsheer Françoise Roggen ver-slag uitgebracht en heeft de voornoemde advocaat-generaal geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Het arrest doet uitspraak op tegenspraak ten aanzien van de eiser. Met toepassing van artikel 359 Wetboek van Strafvordering, dient het cassatieberoep ingesteld te worden vijftien vrije dagen na de dag waarop het arrest is uitgesproken. De laatste dag waarover de eiser beschikte om cassatieberoep in te stellen was maandag 30 januari 2012. Het cassatieberoep dat op 2 maart 2012 is ingesteld, is laattijdig.

De eiser voert aan dat de termijn om cassatieberoep in te stellen die bij het voor-melde artikel 359 is bepaald, door zijn korte duur de artikelen 6.3 en 14 EVRM schendt.

De aangevoerde verdragsbepalingen verbieden de Staten die partij zijn bij het Verdrag niet om aan de rechtsmiddelen die in het intern recht zijn bepaald uitoe-feningsvoorwaarden te verbinden die de substantie van die bepalingen niet in het gedrang brengen.

Alleen de verklaring van cassatieberoep moet binnen de in artikel 359 Wetboek van Strafvordering bedoelde termijn gebeuren. Overeenkomstig artikel 420bis, tweede lid, van hetzelfde wetboek, beschikt de eiser immers over een termijn van twee maanden sedert de dag waarop de zaak op de algemene rol van het Hof is in-geschreven, om zijn middelen voor te dragen in een memorie.

Het feit dat de beklaagde zijn cassatieberoep niet gemotiveerd zou hebben binnen de voorgeschreven termijn, belet niet dat het rechtsmiddel, ten aanzien van de be-slissing op de tegen hem ingestelde strafvordering, alle nuttige gevolgen oplevert die de eiser ervan mag verwachten.

Het cassatieberoep van de beklaagde maakt de tegen hem ingestelde strafvorde-ring niet bij het Hof aanhangig. Bijgevolg zal hij zich voor het Hof niet moeten verdedigen tegen een beschuldiging in strafzaken.

Artikel 359 Wetboek van Strafvordering schendt de artikelen 6.3 en 14 van het Verdrag dus niet.

De eiser voert ten slotte aan dat het bestaan van verschillende termijnen om cassa-tieberoep in te stellen, al naargelang de bestreden beslissing strafrechtelijk dan wel burgerrechtelijk is, de artikelen 10 en 11 Grondwet schendt. Hij vraagt om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof over dit verschil in behandeling.

Reeds uit de wijze waarop de vraag verwoord is, blijkt evenwel dat de vraag geen kritiek uitoefent op een door de wet gemaakt onderscheid tussen personen die zich in dezelfde juridische toestand bevinden maar op wie verschillende regels van toepassing zouden zijn.

Er is geen grond om die prejudiciële vraag te stellen.

Het Hof slaat geen acht op het overige gedeelte van de memorie, dat geen verband houdt met de ontvankelijkheid van het cassatieberoep.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, tweede kamer, te Brussel, door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, afdelingsvoorzitter Frédéric Close, de raadsheren Pierre Cornelis, Gustave Steffens en Françoise Roggen, en in openbare terechtzitting van 19 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter ridder Jean de Codt, in aanwezigheid van advocaat-generaal Damien Vandermeersch, met bijstand van griffier Tatiana Fenaux.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Alain Bloch en overgeschreven met assistentie van afgevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

De afgevaardigd griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Termijn bedoeld in artikel 359 Sv.

  • Verenigbaarheid met de artikelen 6.3 en 14 E.V.R.M.