- Arrest van 20 september 2012

20/09/2012 - C.11.0662.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Het uitdrukkelijk ontbindend beding dat uitsluitend ten dienste staat van een schuldvordering is een toehoren ervan in de zin van artikel 1692 van het Burgerlijk Wetboek (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 20 sep. 2012, nr. ***.

Arrest - Integrale tekst

Nr. C.11.0662.N

PARFIP BENELUX nv,

Mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

ARAMEX CARS nv,

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 oktober 2010.

Op 6 augustus 2012 heeft advocaat-generaal Jean Marie Genicot een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert twee middelen aan.

(...)

Tweede middel

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1692 van het Burgerlijk Wetboek.

Aangevochten beslissingen

Het arrest beslist dat de eiseres niet gerechtigd is om de gerechtelijke ontbinding van het contract tussen de verweerster en Proximedia te vorderen op grond van het uitdrukkelijk ontbindend beding bij niet-betaling van de maandelijkse bedragen, noch om ingeval dat beding ten uitvoer wordt gelegd de bedongen schadevergoeding en de teruggave van het materieel te vorderen. Die beslissing steunt op de volgende redenen:

"12. Het contract tussen (de verweerster) en Proximedia is een wederkerig contract, aangezien het wederzijdse prestaties impliceert.

Met dat contract heeft Proximedia de schuldvordering op (de verweerster) tot betaling van maandelijkse bedragen overgedragen aan (de eiseres).

Niet het gehele contract werd dus aan (de eiseres) overgedragen maar enkel een schuldvordering die eruit voortvloeit.

Dat wordt bevestigd door de bewoordingen van de kennisgeving van de overdracht aan (de verweerster): ‘dit wijzigt geenszins de verbintenissen die de vennootschap Proximedia ten aanzien van u is aangegaan en het zal haar de mogelijkheid bieden zich toe te leggen op de dienstverlening'.

Bovendien zou de overneming van het gehele contract door (de eiseres) de toestemming vereist hebben van (de verweerster) die hier zelfs niet werd geraadpleegd, aangezien (de eiseres) nooit de bedoeling heeft gehad om de verbintenissen van Proximedia over te nemen.

Dat heeft verscheidene gevolgen.

13. In tegenstelling tot wat (de eiseres) voorstaat, behoudt (de verweerster) het recht zich te beroepen op de exceptie van niet-uitvoering met betrekking tot de vervallen maandelijkse betalingen ingeval Proximedia haar verbintenissen niet nakomt.

De exceptie van niet-uitvoering, die gegrond is op de onderlinge afhankelijkheid van de wederzijdse verbintenissen van de partijen is immers inherent aan de aard van het wederkerig contract, zodanig dat zij bestaat vóór de niet-uitvoering zelf en vóór de overdracht van de rechten van de schuldeiser en door de overgedragen schuldenaar aan de overdrager kan worden tegengeworpen ongeacht het tijdstip van de niet-uitvoering (Cass., 28 januari 2005, Pas., 2005, nr. 240; 27 september 1984, R.C.J.B., 1987, 511).

14. Het recht om de ontbinding te vorderen is tevens gegrond op de onderlinge afhankelijkheid van de verbintenissen uit het wederkerig contract. Een dergelijk contract staat of valt met de uitvoering van de verbintenissen ervan door elk van de partijen (P. Van Ommeslaghe, La sanction de l'inexécution des obligations contractuelles, T.P.R., 1984, 213 en 214).

Er bestaat evenwel geen enkele wederkerige verhouding tussen (de eiseres) en (de verweerster). (De eiseres) is immers tot geen enkele contractuele verbintenis jegens (de verweerster) gehouden.

Hieruit volgt dat (de eiseres) niet het recht heeft verkregen om de ontbinding van het contract te vorderen in de onderstelling van een contractuele wanprestatie van (de verweerster) (zie Antwerpen, 18 februari 2002, R.W., 2004-2005, 865). Daarentegen heeft (de eiseres) wel het recht de gedwongen tenuitvoerlegging van haar schuldvordering te vorderen.

Bijgevolg moet de vordering tot ontbinding van het contract door (de eiseres) niet gegrond worden verklaard, aangezien (de eiseres) niet gerechtigd is ze in te stellen.

De vordering van (de eiseres) tot gerechtelijke ontbinding van het contract moet dus niet-gegrond worden verklaard.

15. Wat geldt voor de gerechtelijke ontbinding geldt ook voor de tenuitvoerlegging van het uitdrukkelijk ontbindend beding waarin het contract voorziet bij niet-betaling van de maandelijkse bedragen door (de verweerster) (artikel 9 van het contract), dat (de eiseres) impliciet ten onrechte aanmerkt als een beding van rouwkoop.

(...) Aangezien het gaat om een overdracht van schuldvordering en niet om de overdracht van een wederkerig contract, heeft (de eiseres) niet het recht verkregen om dat beding, dat de zaak blijft van Proximedia, ten uitvoer te leggen en dat, in deze zaak, geen toebehoren van de overgedragen schuldvordering is.

Proximedia heeft het uitdrukkelijk ontbindend beding niet ten uitvoer gelegd.

(De eiseres) heeft dus geen enkele grond om de contractuele schadevergoeding ten belope van 60 pct. van de nog te betalen maandelijkse bijdragen te vorderen die bedongen is ingeval dat beding ten uitvoer wordt gelegd.

Tevens moet de vordering van (de eiseres) tot teruggave van het materieel worden afgewezen, aangezien zij voortvloeit uit haar vordering tot ontbinding van het contract die zelf niet gegrond is."

Grieven

Eerste onderdeel

Artikel 1692 van het Burgerlijk Wetboek bepaalt: "De verkoop of overdracht van een schuldvordering omvat haar toebehoren, zoals borgtochten, voorrechten en hypotheken".

De vordering tot ontbinding is een toebehoren van de overgedragen schuldvordering: zij heeft geen enkel belang meer voor de overdrager, aangezien de overgedragen schuldenaar jegens eerstgenoemde geen enkele verbintenis meer heeft na de overdracht van schuldvordering. Die vordering heeft enkel nog belang voor de overnemer.

Het uitdrukkelijk ontbindend beding in het contract tussen de overdrager (Proximedia) en de overgedragen schuldenaar (de verweerster) moet eveneens, net zoals de vordering tot ontbinding en om dezelfde redenen, beschouwd worden als een toebehoren van de overgedragen schuldvordering in de zin van artikel 1692 van het Burgerlijk Wetboek.

Het arrest dat beslist dat het uitdrukkelijk ontbindend beding in het contract tussen de overdrager en de overgedragen schuldenaar niet kan worden beschouwd als een toebehoren van de overgedragen schuldvordering is niet naar recht verantwoord en schendt artikel 1692 van het Burgerlijk Wetboek.

(...)

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

(...)

Tweede middel

Eerste onderdeel

Krachtens artikel 1692 Burgerlijk Wetboek omvat de verkoop of overdracht van een schuldvordering haar toebehoren, zoals borgtochten, voorrechten en hypotheken.

Het uitdrukkelijk ontbindend beding dat uitsluitend ten dienste staat van een schuldvordering is een toehoren ervan in de zin van die bepaling.

Het arrest stelt vast dat artikel 11 van het contract betreffende huur, dienstverlening en Internetabonnement tussen de vennootschap Proximedia en de verweerster bepaalt : "Proximedia heeft de uitdrukkelijke toestemming om dit contract, geheel of ten dele, over te dragen of als zekerheid te stellen, met dien verstande dat die overdracht of zekerheidsstelling de vormen en de voorwaarden van het contract op geen enkele manier wijzigt. Een gewone brief of een gewone vermelding op de maandelijkse facturen zal kunnen gelden als kennisgeving aan de abonnee van de overdracht van een schuldvordering in hoofdzaak en in toebehoren (interest, schadevergoedingsclausules, enz.)" en oordeelt dat Proximedia haar schuldvordering op de verweerster betreffende de in dat contract bedongen maandelijkse betalingen aan de eiseres heeft overgedragen en dat die overdracht van schuldvordering aan de verweerster kan worden tegengeworpen

Het wijst overigens erop dat het uitdrukkelijk ontbindend beding in artikel 9 van het contract geldt in geval van niet-betaling van de maandelijkse bedragen door de verweerster.

Bijgevolg verantwoordt het arrest niet naar recht zijn beslissing dat voornoemd ontbindend beding geen toebehoren is van de schuldvordering die is overgedragen aan de eiseres en dat zij niet het recht heeft verkregen om ze ten uitvoer te leggen.

Het onderdeel is gegrond.

De cassatie van de beslissing die uitspraak doet over de vordering van de eiseres tot ontbinding van het contract geldt voor de dicta, die het gevolg ervan zijn, die afwijzend beschikken op haar vorderingen tot betaling van een schadevergoeding wegens ontbinding en tot teruggave van het gehuurde materieel.

Het tweede onderdeel van het tweede middel hoeft niet nader onderzocht te worden. Het kan immers niet tot ruimere cassatie leiden.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest in zoverre het uitspraak doet over de vorderingen van de eiseres tot ontbinding van het contract, tot betaling van een verbrekingsvergoeding en tot teruggave van het gehuurde materieel, en het uitspraak doet over de kosten van de partijen in het cassatiegeding.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over.

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Bergen.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Michel Lemal, en in openbare terecht-zitting van 20 september 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verkoop, overdracht van schuldvordering

  • Uitdrukkelijk ontbindend beding

  • Toebehoren van de schuldvordering