- Arrest van 20 september 2012

20/09/2012 - C.12.0029.F

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Aangezien artikel 11, eerste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst van dwingend recht is, zoals is vastgelegd is in artikel 3 van die wet, dient de rechter na te gaan of een beding van een verzekeringscontract dat op een andere manier wordt verwoord geen vervalbeding is (1). (1) Zie concl. O.M. in Pas., 20 sep. 2012, nr. ***.


Arrest - Integrale tekst

Nr. C.12.0029.F

A. B.,

Mr. Jacqueline Oosterbosch, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

AG INSURANCE BELGIUM nv.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Brussel van 22 oktober 2010.

Op 3 augustus 2012 heeft advocaat-generaal Jean Marie Genicot een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Michel Lemal heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Jean Marie Genicot heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDELEN

De eiseres voert een middel aan.

Geschonden wettelijke bepalingen

- artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek;

- de artikelen 3 en 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst.

Aangevochten beslissingen

Het beoordeelt het verweer van de verweerster die zich beroept op artikel 2.2 van de polis dat bepaalt: "van verzekeringsdekking zijn uitgesloten:

- de diefstal of poging tot diefstal indien de onmisbare voorzorgsmaatregelen niet zijn genomen, namelijk:

. indien de deuren of de koffer niet op slot waren,

. indien het dak of een raam niet afgesloten was,

. indien de sleutel waarmee de motor kan gestart worden in of op het voertuig achtergelaten werd,

. indien het door de maatschappij opgelegd diefstalbeveiligingssysteem niet ingeschakeld werd of niet in een perfecte staat van functioneren werd gehouden,'".

De verweerster voerde aan dat het om een uitsluitingsbeding ging; dat het niet betwist wordt dat er nog een sleutel in de bagageruimte van de auto lag en dat "het niet [aan haar] staat enig oorzakelijk verband aan te tonen tussen de diefstal en de aanwezigheid van die sleutel".

Het arrest verklaart de vordering van de eiseres niet-gegrond en dit om de onder-staande redenen:

"De verzekerde dient aan te tonen dat het risico gedekt is door de overeenkomst en niet van de dekking is uitgesloten.

In deze zaak grondt de (verweerster) haar weigering om dekking te verlenen op artikel 2.2 van de algemene voorwaarden van de polis.

Dat artikel luidt als volgt:

‘De maatschappij verzekert niet:[...]

- de diefstal of poging tot diefstal indien de onmisbare voorzorgsmaatregelen niet zijn genomen, namelijk: [...]

. indien de sleutel waarmee de motor kan gestart worden in of op het voertuig achtergelaten werd,'.

[De eiseres] betwist niet dat het dubbel van haar sleutel in een reiskoffer zat die zij in de bagageruimte van haar auto had laten liggen.

Er hoeft niet te worden nagegaan of die omstandigheid in oorzakelijk verband staat met het schadegeval, aangezien het litigieuze beding een uitsluitingsbeding en geen vervalbeding is.

Dat beding sluit duidelijk de dekking uit zodra er in het voertuig nog een sleutel ligt waarmee de motor kan worden gestart; het maakt niets uit of die sleutel al dan niet zichtbaar is.

Het is niet onredelijk aan de verzekeringnemer bijzondere voorzorgsmaatregelen op te leggen om te voorkomen dat diefstal wordt gepleegd of dat het gestolen voertuig opnieuw gebruikt of makkelijk doorverkocht wordt.

Die zienswijze van [de eiseres], waarin zij eigenlijk staande houdt dat zij geen enkele voorzichtigheid heeft begaan omdat de sleutel op ‘een uitgekiende verborgen plek' zat, kan niet worden gevolgd.

Het feit dat een sleutel wordt achtergelaten, al was het binnen in de bagageruimte, levert immers een onachtzaamheid op waardoor het hergebruik of het doorverkopen van de gestolen auto vergemakkelijkt wordt.

Aangezien de voorwaarden van het uitsluitingsbeding vervuld zijn, dient de [verweerster] het schadegeval niet te dekken."

Grieven

Krachtens artikel 1315, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek dient de verzekeraar het bewijs te leveren van het feit dat tot uitsluiting of verval van het recht op verzekeringsprestatie leidt.

Artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, dat krachtens artikel 3 van die wet van dwingend recht is, bepaalt: "in de verzekeringsovereenkomst mag geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval".

Aldus omschrijft die bepaling het vervalbeding, namelijk dat op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren wegens de wanuitvoering door de verzekerde van een welbepaalde verbintenis - dus wegens een gedraging van de verzekerde na het sluiten van het contract - en verplicht zij de verzekeraar het oorzakelijk verband aan te tonen tussen de feiten van een dergelijk beding en het schadegeval.

Het litigieuze beding volgens hetwelk de verzekeraar de diefstal niet dekt " indien de onmisbare voorzorgsmaatregelen niet zijn genomen", en waarin vervolgens een aantal van die maatregelen als voorbeeld worden opgesomd, en dat aldus de dekking van de verzekeraar doet afhangen van het ontbreken van een onachtzaamheid van de verzekerde, is een beding in de zin van artikel 11 van de wet van 25 juni 1992 en valt onder de regeling die dat artikel instelt.

Daaruit volgt dat het arrest, dat vaststelt dat de eiseres "niet [betwist] dat het dubbel van haar sleutel in een reiskoffer zat die zij in de bagageruimte van haar auto had laten liggen" en beslist dat "er niet hoeft te worden nagegaan of die omstandigheid in oorzakelijk verband staat met het schadegeval, aangezien het litigieuze beding een uitsluitingsbeding en geen vervalbeding is", niet naar recht verantwoord is (schending van alle in het middel vermelde bepalingen).

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Krachtens artikel 11, eerste lid, wet van 25 juni 1992 op de land-verzekeringsovereenkomst mag in de verzekeringsovereenkomst geen geheel of gedeeltelijk verval van het recht op verzekeringsprestatie bedongen worden dan wegens niet-nakoming van een bepaalde, in de overeenkomst opgelegde verplichting, en mits er een oorzakelijk verband bestaat tussen de tekortkoming en het schadegeval.

Aangezien die bepaling van dwingend recht is, krachtens artikel 3 wet van 25 juni 1992, dient de rechter na te gaan of een clausule van de verzekerings-overeenkomst die op een andere manier wordt verwoord geen vervalbeding is.

Het beding op grond waarvan de verzekeraar zijn dekking kan weigeren wegens de niet-nakoming door de verzekerde van zijn contractuele verbintenissen vormt een vervalbeding in de zin van voormeld artikel 11.

Het arrest stelt vast dat artikel 2.2 van de algemene voorwaarden van de tussen de partijen gesloten verzekeringsovereenkomst bepaalt: "de maatschappij verzekert niet: de diefstal of poging tot diefstal indien de onmisbare voorzorgsmaatregelen niet zijn nagekomen, namelijk: indien de sleutel waarmee de motor kan gestart worden in of op het voertuig achtergelaten werd".

Het arrest dat oordeelt dat "[voormeld] beding een uitsluitingsbeding en geen vervalbeding is" en dat "er geen grond bestaat om na te gaan of [de niet betwiste omstandigheid dat het dubbel van de sleutels van de eiseres in de bagageruimte van haar auto zat] in oorzakelijk verband staat met het schadegeval" schendt voormeld artikel 11.

Het middel is gegrond.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest, behalve in zoverre dit het hoger beroep ontvankelijk verklaart;

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het gedeeltelijk vernietigde arrest;

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent aan de feitenrechter over;

Verwijst de aldus beperkte zaak naar het hof van beroep te Luik.

Aldus geoordeeld door het Hof van Cassatie, eerste kamer, te Brussel, door voor-zitter Christian Storck, raadsheer Didier Batselé, afdelingsvoorzitter Albert Fettweis, de raadsheren Martine Regout en Michel Lemal, en in openbare terecht-zitting van 20 september 2012 uitgesproken door voorzitter Christian Storck, in aanwezigheid van advocaat-generaal Jean Marie Genicot, met bijstand van griffier Patricia De Wadripont.

Vertaling opgemaakt onder toezicht van raadsheer Antoine Lievens en overge-schreven met assistentie van griffier Johan Pafenols.

De griffier, De raadsheer,

Vrije woorden

  • Verzekeringsovereenkomst

  • Uitsluitingsbeding

  • Vervalbeding

  • Onderscheid

  • Beoordeling

  • Bevoegdheid van de rechter