- Arrest van 21 september 2012

21/09/2012 - F.11.0023.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Nu de rekenplicht die aan de inning van rijksgelden is verbonden, niet uitsluitend het beheer van rijksgelden omvat, maar ook betrekking heeft op het stellen van invorderingsdaden om de rechten van de Schatkist te vrijwaren, is in de regel elke rekenplichtige, die belast is met het beheer van de financiën van de Staat en die instaat voor de inning van rijksgelden en/of voor de invordering van fiscale schulden, onderworpen aan de rechtsmacht van het Rekenhof dat uitspraak doet over de geldelijke aansprakelijkheid van een rekenplichtige tegenover de Staatskas (1). (1) Zie de conclusie van het O.M.: in hoofdorde had het O.M. geconcludeerd tot de verwerping van de voorziening omdat eisers vordering lastens de betrokken BTW-ontvanger sedert 19 oktober 2010, zijnde vijf jaar na het neerleggen van zijn ambt op 19 oktober 2005, hoe dan ook verjaard is omdat er in casu vóór die datum geen arrest tot veroordeling werd gewezen. Het O.M. steunde daarbij op artikel 8, laatste lid, van de Wet op het Rekenhof van 29 oktober 1846 dat bepaalt dat een rekenplichtige vijf jaar na het neerleggen van zijn ambt definitief kwijting bekomt indien binnen die termijn geen arrest tot veroordeling werd gewezen. Het arrest laat dit door het O.M. opgeworpen middel van onontvankelijkheid van de voorziening onbeantwoord.

Arrest - Integrale tekst

Nr. F.11.0023.N

BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Financiën, met kantoor te 1000 Brussel, Wetstraat 12,

eiser,

vertegenwoordigd door mr. Antoine De Bruyn, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Dalstraat 67, waar de eiser woonplaats kiest,

tegen

P.D.W.,

verweerder,

vertegenwoordigd door mr. Johan Verbist, advocaat bij het Hof van Cassatie, met kantoor te 1000 Brussel, Brederodestraat 13, waar de verweerder woonplaats kiest.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van de Nederlandse Kamer van het Rekenhof van 14 oktober 2010.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft op 14 maart 2012 een schriftelijke conclusie neergelegd.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Dirk Thijs heeft geconcludeerd.

II. CASSATIEMIDDEL

De eiser voert in zijn verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

III. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Tweede onderdeel

1. Luidens artikel 180, tweede lid, Grondwet is het Rekenhof belast met het nazien en het verevenen der rekeningen van het algemeen bestuur en van allen die tegenover de staatskas rekenplichtig zijn.

De rechtsmacht van het Rekenhof, dat een rechtsprekende functie uitoefent ten aanzien van de rekenplichtigen die tegenover de staatskas rekenplichtig zijn, steunt op zijn grondwettelijke bevoegdheid om de rekeningen af te sluiten van de-ze categorie van ambtenaren.

2. Luidens artikel 8, eerste lid, wet van 29 oktober 1846 op het Rekenhof sluit het Rekenhof de rekeningen af van de rekenplichtigen van de Staat en de provin-cies; het stelt vast of de rekeningen van de rekenplichtige effen zijn, een tegoed vertonen of met een tekort sluiten.

Krachtens het vierde lid van die wetsbepaling is het de minister of de bestendige deputatie van de provincieraad die, indien de afgesloten rekening een tekort ver-toont, beslist of de rekenplichtige voor het Rekenhof moet worden gedagvaard met het oog op de terugbetaling van het tekort.

Krachtens het zevende lid van die wetsbepaling heeft de gedagvaarde rekenplich-tige het recht om de juistheid te betwisten van de afgesloten rekening waaruit een tekort blijkt.

3. Krachtens artikel 59 Gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit kan de inning van rijksgelden alleen geschieden door een rekenplichtige van de Staatskas en krachtens een wettelijk gevestigde titel.

Krachtens artikel 60, tweede lid, Gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit verkrijgt iedere ambtenaar aan wie enige verrichting van rijksgelden is opgedragen, de hoedanigheid van rekenplichtige, door het feit alleen dat de betrokken gelden tegen zijn kwitantie of zijn ontvangstbewijs gestort zijn; geen verrichting met rijksgelden mag geschieden, geen openbare kas mag beheerd worden dan door een agent staande onder de bevelen van de minister van Financiën, door hem of op zijn voordracht benoemd, verantwoordelijk tegenover hem voor zijn beheer en aan de rechtsmacht van het Rekenhof onderworpen.

Krachtens artikel 66, eerste lid, Gecoördineerde wetten op de Rijkscomptabiliteit is elke rekenplichtige aansprakelijk voor de invordering van de kapitalen, inkom-sten, rechten en belastingen, waarvan de inning hem is toevertrouwd.

Krachtens het tweede lid van die wettelijke bepaling moet hij, alvorens decharge te verkrijgen voor de niet-ingevorderde posten, doen vaststellen dat de niet-invordering geenszins aan zijn nalatigheid te wijten is en dat hij te bekwamer tijd alle nodige maatregelen heeft getroffen en de nodige vervolgingen heeft ingesteld.

4. Uit de samenhang van die wettelijke bepalingen volgt dat de rekenplicht die aan de inning van rijksgelden is verbonden, niet uitsluitend het beheer van rijks-gelden omvat, maar ook betrekking heeft op het stellen van invorderingsdaden om de rechten van de Schatkist te vrijwaren.

Hieruit volgt tevens dat in de regel elke rekenplichtige, die belast is met het beheer van de financiën van de Staat en die instaat voor de inning van rijksgelden en/of voor de invordering van fiscale schulden, onderworpen is aan de rechtsmacht van het Rekenhof dat uitspraak doet over de geldelijke aansprakelijkheid van een rekenplichtige tegenover de Staatskas.

5. Het Rekenhof oordeelt dat:

- overeenkomstig de thans nog van kracht zijnde en in aanmerking te nemen be-palingen van de artikelen 59, 60, tweede lid, en 66, eerste lid, Gecoördineerde Wetten op de rijkscomptabiliteit de rechtsmacht van het Rekenhof slechts uit-drukkelijk wordt gevestigd ten aanzien van een ambtenaar die wordt belast met de inning van belastinggelden;

- zijn rechtsmacht ten aanzien van een ambtenaar van de Federale Overheids-dienst Financiën die wordt belast met de invordering van belastingen, maar niet instaat voor de inning ervan, momenteel niet uitdrukkelijk wordt gevestigd en bevestigd door een expliciete wettelijke bepaling.

6. Door op die gronden aan te nemen dat het Rekenhof geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de verweerder die de functie uitoefende van btw-ontvanger, ver-antwoordt het arrest zijn beslissing niet naar recht.

Dictum

Het Hof,

Vernietigt het bestreden arrest.

Beveelt dat van dit arrest melding zal worden gemaakt op de kant van het vernie-tigde arrest.

Houdt de kosten aan en laat de beslissing daaromtrent over aan de feitenrechter.

Verwijst de zaak naar de Commissie ad hoc, samengesteld uit leden van de Kamer van volksvertegenwoordigers, die uitspraak doet met inachtneming van de vormen bepaald voor het Rekenhof, zonder dat enig verder rechtsmiddel kan worden ingesteld.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, eerste kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, als voorzitter, en de raadsheren Alain Smetryns, Geert Jocqué, Filip Van Volsem en Antoine Lievens, en in openbare rechtszitting van 21 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Eric Stassijns, in aanwezigheid van advocaat-generaal Dirk Thijs, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky A. Lievens F. Van Volsem

G. Jocqué A. Smetryns E. Stassijns

Vrije woorden

  • Rechtsmacht

  • Onderworpen rekenplichtigen