- Arrest van 25 september 2012

25/09/2012 - P.11.1950.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1

Krachtens artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet, dat bepaalt dat de volgens het gemene recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen, kunnen de getroffene en diens rechthebbenden aldus aanspraak maken op vergoeding van lichamelijke schade volgens het gemene recht, in zoverre de op grond van het gemene recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de Arbeidsongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil; om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemene recht en de vergoedingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet (1). (1) Cass. 19 dec. 2006, AR P.06.0944.N, AC 2006, nr. 661; Zie: Cass. 24 okt. 2001, AR P.01.0704.N, AC 2001, nr. 568.


Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.1950.N

S. L.,

burgerlijke partij,

eiseres,

vertegenwoordigd door mr. Huguette Geinger, advocaat bij het Hof van Cassatie,

tegen

1. C. P. A. M.,

beklaagde,

2. DEXIA INSURANCE BELGIUM nv, met zetel te 1000 Brussel, Livingsto-nelaan 6,

vrijwillig tussengekomen partij,

verweerders.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen een vonnis in hoger beroep van de correctionele rechtbank te Ieper van 8 september 2011.

De eiseres voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

Raadsheer Geert Jocqué heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Marc Timperman heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Memorie van antwoord voor Ethias Verzekeringen nv

1. Ethias Verzekeringen nv is geen partij in de cassatieprocedure.

Haar memorie is niet ontvankelijk.

Afstand

2. Krachtens artikel 4, tweede lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvor-dering houdt de rechter bij wie de strafvordering aanhangig is gemaakt, ambtshal-ve de burgerlijke belangen aan, zelfs bij ontstentenis van burgerlijkepartijstelling, wanneer de zaak wat die belangen betreft, niet in staat van wijzen is.

Krachtens artikel 4, derde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan eenieder die door het strafbaar feit schade heeft geleden, nadien door middel van een ter griffie ingediend verzoekschrift, kosteloos verkrijgen dat het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan over de strafvordering, uitspraak doet over de bur-gerlijke belangen.

Krachtens artikel 4, elfde lid, Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering kan de meest gerede partij op de vastgestelde dag een vonnis op tegenspraak vorderen.

Hieruit volgt dat de strafrechter het vonnis over de burgerlijke belangen in het ka-der van de procedure bepaald in voormeld artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering op tegenspraak wijst, ook ten aanzien van de partij die op de vastgestelde dag niet verschijnt.

3. Het bestreden vonnis van 8 september 2011 waarbij de appelrechter uit-spraak doet over de burgerlijke belangen in het kader van de procedure bepaald in artikel 4 Voorafgaande Titel Wetboek van Strafvordering, is op tegenspraak ge-wezen, ook ten aanzien van de eerste verweerder die op de vastgestelde dag niet is verschenen.

De afstand kan niet worden verleend.

Middel

4. Het middel voert schending aan van artikel 149 Grondwet, de artikelen 203, § 1, eerste lid, 1382 en 1383 Burgerlijk Wetboek en de artikelen 13, 14, 19 en 46, § 2, Arbeidsongevallenwet: de appelrechters brengen ten onrechte de kapitalen die de arbeidsongevallenverzekeraar heeft gevestigd voor de rente van de kinderen, in mindering van de schadevergoeding van de eiseres.

5. Artikel 46, § 2, tweede lid, Arbeidsongevallenwet bepaalt dat de volgens het gemeen recht toegekende vergoeding die geen betrekking kan hebben op de vergoeding van de lichamelijke schade zoals zij gedekt is door deze wet, mag samengevoegd worden met de krachtens deze wet toegekende vergoedingen.

De getroffene en diens rechthebbenden kunnen aldus aanspraak maken op ver-goeding van lichamelijke schade volgens het gemeen recht, in zoverre de op grond van het gemeen recht berekende vergoeding meer bedraagt dan de wettelijke vergoedingen die aan de getroffene worden betaald op grond van de Arbeids-ongevallenwet en enkel tot beloop van het verschil.

Om dit verschil te berekenen moet de rechter dus een vergelijking maken tussen de vergoedingen berekend volgens de regels van het gemeen recht en de vergoe-dingen berekend volgens de regels van de Arbeidsongevallenwet.

6. Wanneer de schadelijder van de aansprakelijke vergoeding vordert voor de schade ingevolge het verlies van de inkomsten van zijn overleden partner, kan de-ze vergoeding het gedeelte van de inkomsten omvatten dat de overleden partner besteedde aan het onderhoud en de opvoeding van de minderjarige kinderen waarvoor de overlevende partner verder instaat.

Hieruit volgt dat de vergoeding die naar gemeen recht aan de partner van een door een arbeidsongeval getroffene wordt toegekend voor de materiële schade ingevol-ge diens overlijden, betrekking kan hebben op dezelfde schade als die welke ge-dekt wordt door de arbeidsongevallenrente toegekend aan de minderjarige kin-deren.

7. De appelrechters oordelen dat:

- de arbeidsongevallenverzekeraar van wijlen J. L. rentes heeft betaald ten voor-dele van zijn kinderen en deze rentes de materiële schade die zij ingevolge het overlijden van hun vader lijden, ondervangen;

- de arbeidsongevallenvergoeding voor de kinderen in eerste instantie strekt tot vergoeding van het aandeel in de kosten van hun onderhoud en hun opvoeding die wijlen J. L. bij leven voor zijn rekening zou genomen hebben;

- geen betwisting bestaat omtrent de materiële schade inkomstenverlies geleden door de eiseres;

- voor de begroting van de vergoeding van deze schade het aandeel van de per-soonlijke uitgaven van het slachtoffer werd berekend op basis van het netto jaarlijks gezinsinkomen van J. L. en de eiseres, waarna dat aandeel werd afge-trokken van het gedeelte van het inkomen van L. waaruit de eiseres voordeel haalde;

- het inkomen van L. niet tot het exclusieve voordeel van de eiseres als levens-partner strekte maar ook ten goede kwam aan de twee kinderen.

8. De appelrechters die op deze gronden oordelen dat de rente die de arbeids-ongevallenverzekeraar heeft betaald voor de kinderen, in mindering moet worden gebracht van de vergoeding die de eiseres uit hoofde van materiële schade inkom-stenverlies vordert, verantwoorden hun beslissing naar recht.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

9. Het is niet tegenstrijdig te oordelen, eensdeels, dat de eiseres gerechtigd is op vergoeding voor de materiële schade die zij lijdt ingevolge het verlies van het inkomen van haar partner dat haar tot voordeel strekte, en anderdeels, dat in deze vergoeding ook het deel begrepen zit dat bestemd is voor het onderhoud en de op-voeding van de kinderen.

Het middel mist in zoverre feitelijke grondslag.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiseres tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 72,16 euro waarvan 6,11 euro verschuldigd is.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechts-zitting van 25 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem G. Jocqué P. Maffei

Vrije woorden

  • Schadevergoeding volgens gemeen recht

  • Schadevergoeding op grond van de Arbeidsongevallenwet

  • Mogelijkheid tot cumulatie