- Arrest van 25 september 2012

25/09/2012 - P.11.2087.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Krachtens artikel 6.3.d EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ten minste het recht getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als dit het geval is met de getuigen à charge, maar dit recht is niet onbeperkt; mits eerbiediging van het recht van verdediging oordeelt de rechter onaantastbaar of een getuige dient te worden gehoord en of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid (1). (1) Cass. 13 jan. 1999, AR P.98.0653.F, AC 1999, nr. 16; Cass. 27 april 1999, AR P.97.0860.N, AC 1999, nr. 241.

Arrest - Integrale tekst

Nr. P.11.2087.N

A. T.,

beklaagde,

eiser,

met als raadsman mr. Steven Vandebroek, advocaat bij de balie te Hasselt.

I. RECHTSPLEGING VOOR HET HOF

Het cassatieberoep is gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Antwer-pen, correctionele kamer, van 10 november 2011.

De eiser voert in een memorie die aan dit arrest is gehecht, drie middelen aan.

Afdelingsvoorzitter Paul Maffei heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Eerste middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d. EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende het recht van verdediging en de wa-pengelijkheid: het arrest oordeelt ten onrechte dat de verklaringen van de getuigen I. D. en B. R. geloofwaardig zijn en dat die getuigen niet ter rechtszitting dienen te worden gehoord; het arrest weerlegt niet eisers verweer dat deze getuigen ge-boeid werden en dat hun overbrenging naar het politiecommissariaat gepaard ging met veel machtsvertoon zodat ze onder de indruk waren van het gebeuren en geen waarheidsgetrouwe verklaring hebben kunnen afleggen; wanneer het verhoor van een getuige noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid, moet hij wor-den gehoord op de rechtszitting; de eiser heeft de gelegenheid niet gekregen de getuigenis van de beide voormelde personen te betwisten; de weigering door het arrest die getuigen ter rechtszitting te horen alhoewel ze aanwezig waren in het gerechtsgebouw, is strijdig met de hierboven vermelde rechten.

2. Krachtens artikel 6.3.d. EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ten minste het recht de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als dit het geval is met de getuigen à charge.

3. Dit recht is evenwel niet onbeperkt. Mits eerbiediging van het recht van ver-dediging oordeelt de rechter onaantastbaar of een getuige dient te worden gehoord en of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid.

4. Het arrest oordeelt: "In de processen-verbaal van vaststelling d.d. 24 oktober 2008 (...) van hoofdinspecteur - rechercheur C. F. en inspecteur - rechercheur L. B. behorende tot de politiezone HAZODI staat vermeld dat D. I. en B. R. de ver-balisanten vrijwillig vergezellen naar het politiecommissariaat te Hasselt voor verder onderzoek.

De materiële vaststellingen van de verbalisanten betreffende het feit dat D. I. en B. R. de verbalisanten vrijwillig vergezellen naar het politiecommissariaat te Hasselt voor verder onderzoek, zijn vervat in bovenvermelde processen-verbaal, die een bijzondere bewijswaarde hebben krachtens artikel 154, tweede lid, Wetboek van Strafvordering. Deze bijzondere bewijswaarde wordt op geen enkele wijze door [de eiser] ontkracht.

Bovendien blijkt uit geen enkel element in het dossier dat er druk werd uitgeoefend op D. I. en B. R. om bepaalde verklaringen af te leggen, of dat hen beloftes zouden zijn gedaan, vermits beide dames onmiddellijk gerepatrieerd werden.

Er zijn dan ook geen redenen om te twijfelen aan de geloofwaardigheid van deze verklaringen. Het verzoek van beklaagde tot het horen van deze dames ter zitting wordt derhalve afgewezen."

5. Met die redenen verwerpt het arrest eisers verweer en oordeelt het onaantast-baar dat de verklaringen van de getuigen D. I. en B. R. geloofwaardig zijn en hun herverhoor zich niet opdringt voor de waarheidsvinding. Aldus miskent het arrest geenszins eisers recht van verdediging, recht getuigen te laten verhoren en recht op wapengelijkheid, maar is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

6. Voor het overige komt het middel op tegen het onaantastbare oordeel door het arrest dat de beide getuigen vrijwillig de verbalisanten naar het commissariaat hebben vergezeld en dat uit geen enkel gegeven blijkt dat druk op hen werd uitge-oefend.

In zoverre is het middel niet ontvankelijk.

Tweede middel

7. Het middel voert schending aan van de artikelen 31, 32 en 40 Wet Taalwet Gerechtszaken, artikel 62 Sociaal Strafwetboek en artikel 47bis Wetboek van Strafvordering: het arrest oordeelt ten onrechte dat de getuigen I. D. en B. R. ge-hoord werden met de bijstand van een beëdigde tolk zodat er geen reden is om de processen-verbaal met hun verhoor uit het debat te weren; het strafdossier ver-meldt niet de identiteit noch de hoedanigheid van een beëdigd tolk en de brief van de sociaal inspecteur K. kan de begane onregelmatigheid niet ongedaan maken; de vermelde wetsbepalingen vereisen dat het proces-verbaal van verhoor de identiteit en de hoedanigheid van de beëdigde tolk vermeldt.

8. Artikel 62 Sociaal Strafwetboek is in werking getreden op 1 juli 2011, zodat de processen-verbaal van de verhoren afgenomen vóór die datum deze bepaling niet konden schenden.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

9. Zowel artikel 47bis, 5°, Wetboek van Strafvordering als de artikelen 31 en 32 Taalwet Gerechtszaken, bepalen dat een bij een verhoor tussenkomende tolk be-edigd moet zijn. Enkel artikel 47bis, 5°, Wetboek van Strafvordering bepaalt dat de identiteit en hoedanigheid van de tolk worden vermeld, zonder dat dit artikel bij verzuim daarvan enige sanctie oplegt.

10. Wanneer een proces-verbaal van verhoor de identiteit van de tolk niet ver-meldt en evenmin vermeldt dat deze beëdigd is, heeft dit niet de nietigheid van dit proces-verbaal voor gevolg, op voorwaarde dat die identiteit en hoedanigheid daadwerkelijk zijn nagegaan. De rechter kan dit nagaan aan de hand van de hem regelmatig voorgelegde gegevens die aan de tegenspraak der partijen zijn onder-worpen en waarvan hij de bewijswaarde onaantastbaar beoordeelt.

In zoverre het middel uitgaat van een andere rechtsopvatting, faalt het naar recht.

11. Het arrest oordeelt onaantastbaar dat, na een verzoek tot informatie desbetref-fende, de sociaal inspecteur K. op 6 september 2011 de volledige identiteitsgege-vens van de beëdigde tolk die bijstand verleende bij de verhoren van de getuigen I. D. en B. R. heeft meegedeeld en dat er geen elementen voorhanden zijn om te twijfelen aan de correctheid van die informatie. Aldus is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

12. Voor het overige komt het middel op tegen dat onaantastbaar oordeel en is het niet ontvankelijk.

Derde middel

13. Het middel voert schending aan van artikel 6.3.d. EVRM, alsmede miskenning van de algemene rechtsbeginselen houdende het recht van verdediging en de wa-pengelijkheid: het arrest weigert eisers vennoten alsnog te horen daar dit niet nut-tig is voor de waarheidsvinding; het verhoor van die getuigen, die aanwezig waren in het gerechtsgebouw op het ogenblik van de rechtszitting, was noodzakelijk ten-einde het oordeel van de eerste rechter, waarop het arrest steunt, te weerleggen; aldus miskent het arrest eisers voormelde rechten.

14. Krachtens artikel 6.3.d. EVRM heeft eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd ten minste het recht de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge.

15. Dit recht is evenwel niet onbeperkt. Mits eerbiediging van het recht van ver-dediging oordeelt de rechter onaantastbaar of een getuige dient te worden gehoord en of dit verhoor noodzakelijk is voor het achterhalen van de waarheid.

16. Het arrest oordeelt: "De te dezen uit het onderzoek gebleken feitelijke gegevens, die ondubbelzinnig het bestaan van een gezagsrelatie aantonen, sluiten de juridische kwalificaties die de partijen aan de overeenkomst hebben gegeven uit of, met andere woorden, zijn onverenigbaar met de door partijen gegeven kwalificatie.

De argumentatie van [de eiser] met betrekking tot de door partijen aan de over-eenkomst gegeven juridische kwalificatie, doet hieraan geen afbreuk vermits het duidelijk is dat dit statuut niet werd gekozen door de "werknemers-aandeelhouders" en er desbetreffend geen enkele wilsuiting was vanwege deze werknemers die zelfs niet begrepen wat er op de door hen ondertekende documen-ten vermeld was, gelet op het feit dat deze in de Nederlandse taal waren opgesteld.

Het hof [van beroep] steunt zijn oordeelsvorming verder op de door de eerste rechter aangehaalde elementen met betrekking tot de juridische ondergeschiktheid en verwijst dienaangaande naar de verklaringen van N. C., I. D. en B. R..

De argumentatie van [de eiser] met betrekking tot andere personen die voor hem gewerkt hebben onder hetzelfde statuut en een eigen zaak wilden opstarten doet geen afbreuk aan het bovenvermelde. Het verzoek van [de eiser] om deze andere vennoten alsnog te horen is niet nuttig voor de waarheidsvinding om bovenver-melde reden en wordt derhalve afgewezen."

16. Met die redenen, waarbij het niet alleen verwijst naar de redenen van het be-roepen vonnis, maar ook op eigen gronden eisers verzoek verwerpt, oordeelt het arrest onaantastbaar dat het verhoor van eisers vennoten zich ter rechtszitting niet opdringt voor de waarheidsvinding. Aldus miskent het arrest geenszins eisers recht van verdediging, recht getuigen te laten verhoren en recht op wapengelijk-heid, maar is de beslissing naar recht verantwoord.

In zoverre kan het middel niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek

17. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven rechtsvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt het cassatieberoep.

Veroordeelt de eiser tot de kosten.

Bepaalt de kosten op 104,94 euro.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechts-zitting van 25 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem G. Jocqué P. Maffei

Vrije woorden

  • Oproeping

  • Verzoek van de beklaagde

  • Grenzen

  • Taak van de rechter