- Arrest van 25 september 2012

25/09/2012 - P.12.0444.N

Rechtspraak

Samenvatting

Samenvatting 1
Misbruik van vertrouwen is een aflopend misdrijf dat is voltooid op het ogenblik dat de verduistering, dit is de wederrechtelijke toe-eigening, of de verspilling, dit is de roekeloze of nutteloze besteding met verlies van de zaak of de titel tot gevolg, en het bedrieglijk opzet zijn verenigd; een ingebrekestelling is geen constitutief bestanddeel van misbruik van vertrouwen en het is evenmin een noodzakelijk element om dit wanbedrijf te bewijzen, wanneer uit andere elementen blijkt dat de dader bedrieglijk heeft gehandeld (1). (1) Cass. 2 okt. 1967, AC 1968, 151.

Arrest - Integrale tekst

P.12.0444.N

I

PROCUREUR-GENERAAL BIJ HET HOF VAN BEROEP TE GENT,

eiser,

tegen

A. M. R. H.,

beklaagde,

verweerster.

II

1. A. H.,

burgerlijke partij,

2. L. H.,

burgerlijke partij,

eisers,

tegen

A. M. R. H., reeds vermeld,

beklaagde,

verweerster.

I. RECHTSPLEGING VAN HET HOF

De cassatieberoepen zijn gericht tegen het arrest van het hof van beroep te Gent, correctionele kamer, van 30 januari 2012.

De eiser I voert in een verzoekschrift dat aan dit arrest is gehecht, een middel aan.

De eisers II voeren geen middel aan.

Raadsheer Filip Van Volsem heeft verslag uitgebracht.

Advocaat-generaal Patrick Duinslaeger heeft geconcludeerd.

II. BESLISSING VAN HET HOF

Beoordeling

Middel

1. Het middel voert schending aan van artikel 491 Strafwetboek en artikel 163 Wetboek van Strafvordering: de eiser I heeft aangevoerd dat het misdrijf van mis-bruik van vertrouwen slechts is voltooid op het ogenblik dat de dader gehouden is of aangemaand wordt de zaak of de titel, in casu fondsen, terug te geven; de ap-pelrechters beantwoorden dit verweer met het oordeel dat een ingebrekestelling geen vereiste is voor het bestaan van het misdrijf, de verduistering voltooid is op het ogenblik van de toe-eigening van de effecten en indien er een wederrechtelijke toe-eigening was, die plaatsvond op 30 mei 2000 en ten slotte, indien er al een te-ruggaveplicht zou zijn, niet wordt aangetoond dat op 1 februari 2005 de effecten dienden te worden teruggegeven; de aanmaning van de verweerster om de titels terug te geven is een tweede oorzaak die tot gevolg kan hebben dat het ten laste gelegde misdrijf wordt voltooid; het arrest laat evenwel na vast te stellen dat de verweerster op de door het openbaar ministerie vooropgestelde datum van 1 fe-bruari 2005 niet werd aangemaand de titels terug te geven en is aldus niet regel-matig met redenen omkleed.

2. Artikel 163 Wetboek van Strafvordering is niet van toepassing op de rechts-pleging voor het hof van beroep.

Het middel dat schending van die bepaling aanvoert, faalt in zoverre naar recht.

3. Misbruik van vertrouwen is een aflopend misdrijf dat is voltooid op het ogenblik dat de verduistering, dit is de wederrechtelijke toe-eigening, of de ver-spilling, dit is de roekeloze of nutteloze besteding met verlies van de zaak of de ti-tel tot gevolg, en het bedrieglijk opzet zijn verenigd.

Een ingebrekestelling is geen constitutief bestanddeel van misbruik van vertrou-wen. Het is evenmin een noodzakelijk element om dit wanbedrijf te bewijzen, wanneer uit andere elementen blijkt dat de dader bedrieglijk heeft gehandeld.

4. De rechter oordeelt onaantastbaar of de constitutieve bestanddelen van mis-bruik van vertrouwen zijn verenigd en op welk tijdstip het wanbedrijf is voltooid. Het Hof gaat alleen na of de rechter uit zijn vaststellingen geen gevolgen afleidt die daarmee geen verband houden of op grond daarvan niet kunnen worden ver-antwoord.

5. Het arrest oordeelt dat:

- een ingebrekestelling geen vereiste is voor het bestaan van het misdrijf van misbruik van vertrouwen;

- de verduistering of de verspilling kunnen worden afgeleid uit materiële om-standigheden die slechts in die zin kunnen worden uitgelegd en dat slechts sub-sidiair, indien deze omstandigheden ontbreken, een in mora-stelling is vereist als bewijs;

- de eerste rechter terecht besliste dat indien zou moet worden aangenomen dat de verweerster de kwestieuze waardepapieren louter ter bede bekwam, met de bedoeling dit vermogen van M H te beheren, het misdrijf van misbruik van ver-trouwen dient te worden gesitueerd op 30 mei 2000, datum waarop de waarde-papieren door de verweerster werden ondergebracht op een effectenrekening en in een kluis op haar naam, waardoor de verweerster zich die waardepapieren definitief toe-eigende;

- het onderbrengen van de kwestieuze waardepapieren op een effectenrekening op naam van de verweerster en in een kluis op haar naam afdoende aantonen dat de verweerster zich de effecten toe-eigende en tegenover derden de wil uit-te zich als eigenaar te gedragen;

- de omstandigheid dat de verweerster ten voordele van haar broers volmachten heeft gegeven, aan die vaststelling geen afbreuk doet, maar integendeel de animus domini van de verweerster bevestigt;

- het niet abnormaal is dat de verweerster als ongehuwde alleenstaande dame zonder kinderen volmacht gaf aan haar broers, die deze volmacht hebben aan-vaard.

Met die redenen beantwoorden de appelrechters eisers verweer over de ingebreke-stelling en de gevolgen daarvan op de datum van de voltooiing van het misdrijf van misbruik van vertrouwen en verantwoorden zij naar recht die beslissing en de vaststelling van de verjaring van de strafvordering.

Het middel kan in zoverre niet worden aangenomen.

Ambtshalve onderzoek van de beslissing op de strafvordering

6. De substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvormen zijn in acht genomen en de beslissing is overeenkomstig de wet gewezen.

Dictum

Het Hof,

Verwerpt de cassatieberoepen.

Laat de kosten van het cassatieberoep van de eiser I ten laste van de Staat.

Veroordeelt de eisers II tot de kosten van hun cassatieberoep.

Bepaalt de kosten in het geheel op 101,04 euro waarvan de eisers II 21,78 euro verschuldigd zijn.

Dit arrest is gewezen te Brussel door het Hof van Cassatie, tweede kamer, samen-gesteld uit afdelingsvoorzitter Paul Maffei, als voorzitter, en de raadsheren Geert Jocqué, Filip Van Volsem, Alain Bloch en Peter Hoet, en op de openbare rechts-zitting van 25 september 2012 uitgesproken door afdelingsvoorzitter Paul Maffei, in aanwezigheid van advocaat-generaal Patrick Duinslaeger, met bijstand van af-gevaardigd griffier Véronique Kosynsky.

V. Kosynsky

P. Hoet A. Bloch

F. Van Volsem G. Jocqué P. Maffei

Vrije woorden

  • Aard

  • Tijdstip van voltooiing